Recent Updates RSS Toggle Comment Threads | Keyboard Shortcuts

  • Avatar of Kim

    Kim 4:34 pm on December 3, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment  

    De volgende paper probeert een dialoog te vormen tussen twee teksten van Heidegger en Jaspers over het onderwerp van de universiteit. Hun verschillende ideeën en over wat de universiteit is en wat het zou moeten zijn worden met elkaar vergeleken. Vervolgens zal er als case study gekeken worden naar de film Wonder boys (Curtis Hanson, 2000) en Dead Poets Society (Peter Weir, 1989). Hoe komen de universiteiten, docenten en studenten naar voren in de twee films? En welke theorieën en wensen voor de universiteit die uitgesproken worden door Heidegger en Jaspers komen er in de films tot uiting? Uiteindelijk zal er gekeken worden hoe de universiteit tegenwoordig de ideeën van Heidegger en Jaspers lijkt uit te dragen.

    Heidegger en Jaspers

    De universiteit
    Heidegger pleit voor verschillende dingen binnen de universiteit. Dit zijn dingen als universaliteit, eenheid van onderzoek en onderwijs, autonomie, vrijheid en institutionalisme. De universiteit moet ten eerste beginnen autonoom te zijn. Selbstbeharptung wordt gezien als een dominante karakteristiek van de essentie van de universiteit. Bij dit begrip hoort de universiteit zichzelf te vragen wat voor taken het zichzelf voorlegt en op welke manier deze taken volbracht kunnen worden. Zo zal de universiteit worden wat het wil zijn. Het autonoom zijn van een universiteit moet bewaakt worden. Selbstbeharptung moet voortkomen uit het constant kritisch kijken naar het eigen instituut. Er moet ook gekeken worden wat er binnen gehouden wordt en wat er buiten de institutie hoort. Deze stap heet selbst-verwaltung. Een andere stap heet selbstbesinnung, hierbij moeten vragen gesteld worden wat het ideaal van de universiteit is. Door de zelfbezinning vindt de universiteit zijn essentie (470).
    Jaspers is het eens met de stelling van Heidegger dat de universiteit moet kijken wat het wil binnen houden en wat het buiten wil houden. De universiteit is een institutie en dit kader is zijn fundering (37). De universiteit bestaat uit drie elementen: professionele training, onderwijs van de hele mens en onderzoek (40). Het is de verantwoordelijkheid van de universiteit dat intellectueel werk wordt gedaan op basis van deze drie principes. Het is belangrijk dat er contact is met uitwisselingsstudenten en gastdocenten uit het buitenland. Wanneer dit niet gebeurd wordt de wereld van de universiteit heel klein en gelimiteerd. Onderzoek binnen de universiteit is belangrijk omdat de docent een levendige relatie met de kennis moet houden en de ontwikkelingen hierin. Een onderzoeker die alleen werkt, kan dit niet zo sterk hebben als iemand die tevens aan de universiteit doceert. Doceren kan het onderzoek stimuleren (44).

    Docenten en studenten
    Een belangrijk woord uit Heideggers tekst is strijd. Hij wil strijd tussen de docenten en studenten zien. Er hoort een spanningsconstellatie te zijn, deze spanning drijft hen voort. Wanneer er geen spanning zou zijn tussen de docenten en de studenten hebben ze dezelfde belangen en is er dus geen vooruitgang. Het kernwoord van de tekst is handelen. Er is in de wereld een handeling geweest en dat is toen in de Griekse filosofie besloten werd dat de wereld buiten ons staat. Vragen is geen stap naar weten en vervolgens het vergaren van kennis meer, het vragen zelf is de hoogste vorm van kennis, zegt Heidegger. Jaspers zegt dat de docent de student moet leren vragen te stellen. Het gaat niet om de feiten die de student moet leren, maar om iemands oordeel. De student moet de wijde wereld in kunnen gaan en vervolgens zijn eigen mening vormen. Het gaat dus niet zozeer om de feiten die de student uit zijn hoofd moet leren als de waardevolle kennis die hij overhoudt aan zijn studie, maar het vermogen om zelf zinnig te oordelen.
    Heidegger zegt dat wetenschap de kracht is die het instituut van de (Duitse) universiteit vormt. Dit is alleen mogelijk wanneer het de docenten en de studenten gegrepen worden en gegrepen blijven door het concept van de wetenschap (478). Hiervoor zijn sterke en gedreven docenten en studenten nodig. Een sterk lichaam van docenten en studenten is alleen mogelijk wanneer de essentie van de universiteit duidelijk is gedefinieerd en ook sterk wordt uitgedragen. Heideggers idee van leiders is dat ze niet voor anderen moeten willen lopen, maar de moed moeten hebben om alleen te lopen. Ze moeten zich geroepen voelen dit te doen, willen ze een ware leider zijn. Dit is zo´n krachtig iets dat het de beste mensen er uit selecteert en zal zorgen voor een gevolg van studenten (Gefolgschaft) met nieuwe ideeën (475). Jaspers idee van “de leider” is dat het iemand is die zich bewust is van zijn eigen beperkingen en die zijn ondergeschikten alle vrijheid geeft om verder te komen dan dat hij ooit heeft gedaan (77). Dit zou dus ook zo moeten zijn bij de docenten die onderwijzen aan de universiteit. Aangezien het belangrijk is dat de studenten door hun studie heen begeleid worden.
    Jaspers stelt dat het educatieve systeem verandert samen met culturele ideeën. De sociale structuur van een samenleving wordt gereflecteerd in het schoolsysteem. Niets maakt mensen zo gelijk als dezelfde opleiding. Dit is waarom democratieën openbaar onderwijs hebben. Hij onderscheid drie verschillende basis soorten onderwijs: scholastic instruction, apprenticeship, socratic education. Het eerste houdt in dat de docent zijn kennis overdraagt, maar zelf niet deelneemt in onderzoek. Dit soort kennisoverdracht vindt plaats op middelbare scholen. De tweede soort kennisoverdracht kenmerkt zich door een meester en pupil verhouding. De ene persoon maakt zich ondergeschikt aan de ander. In de derde en laatste soort onderwijs staan de leraar en student op een gelijk niveau. Hier is het belangrijk dat de leraar zich niet opstelt als een autoriteit. De leraar moet de leerling naar zichzelf laten kijken. De leerling neemt niet alles klakkeloos aan van de leraar, maar samen zijn ze opzoek naar de waarheid. Heideggers beeld van een goede docent/student verhouding lijkt een combinatie van de laatste twee basisconcepten te zijn. Zo staat hij voor een duidelijke afsplitsing tussen de docent en student als in apprenticeship. De leider moet alleen lopen en de andere moeten volgen. Hier is het duidelijk dat er een iemand ondergeschikt is aan de ander. Tegelijkertijd hebben de docent en de student er samen de verantwoordelijkheid voor om objectieve wetenschap te bedrijven. Beiden worden geleid. Zowel de volger als de leider. De docent en student van Heidegger moeten gedreven worden door de wetenschap en volgen allebei de leider en het lot.
    Heidegger en Jaspers zijn het op de meeste punten met het elkaar eens. Het enige waarin ze echt heel anders staan is het punt waaruit ze schrijven. Heidegger is nog al fascistisch. Dit heeft ook te maken met de tijd waarin hij schrijft. Jaspers daarentegen is pacifistisch.

    Wonder Boys
    De film Wonder Boys (Curtis Hanson, 2000) gaat over een docent creatief schrijven. Hij is tevens een auteur van romans. Hij heeft één belangrijk werk geschreven tijdens zijn carrière, maar heeft nu al jaren niets meer gepubliceerd. Hij heeft geen writers block in de zin dat hij niet aan een boek kan beginnen, maar bij professor Grady Tripp is het probleem dat hij niet kan stoppen. Zijn leven verandert compleet wanneer hij op avontuur gaat met een jonge getalenteerde student van hem, genaamd James Leer.

    De universiteit
    De universiteit in Wonder Boys is een afgesloten plek. Dit is te merken aan het feit dat we de studenten en docenten alleen maar met elkaar zien omgaan. De grens tussen binnen en buiten wordt versterkt doordat er allemaal vreemde dingen gebeuren met de hoofdpersonen wanneer ze zich in de buitenwereld bevinden. De universiteit is een plek van balans vergeleken met de chaotische buitenwereld.

    De docenten en studenten
    De belangrijkste docent is Grady Tripp en de belangrijkste student is James Leer. Grady Tripp schrijft zelf boeken en doet dus een soort “onderzoek” naar het vak dat hij doceert. Een goede docent laat volgens Jaspers de vrijheid aan zijn studenten om verder te gaan dat hij zelf is gegaan. Professor Tripp heeft het hier nog al moeilijk mee. Hij kan zijn eigen tekortkomingen juist niet onder ogen zien. Wanneer blijkt dat Tripps uitgever meer geïnteresseerd is in het manuscript van zijn student James wordt hij jaloers en wil hij het bijna saboteren. Uiteindelijk doet hij dit niet, omdat hij zijn lesje leert. Wanneer hij dit doet kan hij ook zijn eigen boek afschrijven.
    Grady Tripps manier van lesgeven is vorm van apprenticeship. Zo hangen sommige van de studenten aan zijn lippen en lijken ze hem te aanbidden als een held. Hannah Green is een student die een kamer bij hem in huis huurt. Zij heeft het bijvoorbeeld altijd over hoe getalenteerd Tripp wel niet is en hoe geweldig het boek is dat hij ooit heeft geschreven. Later in de film lijkt het meer een vorm van socratic education te worden, maar dit is pas wanneer hij zijn eigen tekortkomingen leert te erkennen.
    Jaspers schrijft dat er aan de ene kant sprake is van de “Cult van de persoonlijkheid” en aan de andere kant de nadruk op beklemmende en lege organisaties (79). In Wonder boys wordt er op beide nadruk gelegd. Zo is Grady Tripp lichtelijk excentriek. Hij rookt marihuana en heeft vreemde oplossingen voor problemen. Dit allemaal maakt hem een levendig personage. Helemaal wanneer hij vergeleken wordt met de universiteit waaraan hij doceert. Hij steekt af tegen zijn collega’s en het is duidelijk dat ze hem niet meer al te serieus nemen. Het is al te lang geleden dat hij iets heeft gepubliceerd in de ogen van zijn collega’s. Professor Tripp heeft een affaire met Sara Gaskell. Zij is de coördinator van de universiteit. Tegelijkertijd is zij de enige die als een warm personage overkomt. Haar man, Walter, is het hoofd van de Engelse taal afdeling en de baas van Grady Tripp. Hij belichaamt de universiteit. Hij is een heel koud en verbitterd personage en hij is professor Tripps tegenpool. De manier waarop hij en zijn collega’s neerkijken op Tripp is hoe de universiteit verwachtingen van hem heeft op het gebied van productiviteit en hoe dit Tripps productiviteit juist verstikt.

    Dead Poets Society
    De film Dead Poets Society (Peter Weir, 1989) gaat over Todd Anderson en een aantal van zijn schoolvrienden. Ze zitten op een dure jongensschool, genaamd Welton Academy, in het Amerika van de jaren ´50. Het is een school met een lange traditie achter zich. De school neemt trots in het vormen van jongens tot grote mannen. De Engels professor John Keating lijkt een uitzondering te zijn tussen alle saaie grijze docenten. Hij heeft een excentrieke manier van doceren en steekt hierdoor af tegen zijn collega’s. Keating lijkt buiten het gevestigde schoolsysteem te staan, maar dit blijkt schijn. Hij laat hen kennis maken met het canon van de literatuur en brengt uiteindelijk dus niets vernieuwends. Professor Keating mag dan wel excentriek zijn en een onorthodoxe doceermethode gebruiken, hij wordt alsnog geaccepteerd op zijn school. Dit komt omdat hij uiteindelijk wel de aandacht richt op het canon en niet op afwijkende literatuur. Hij zit dus eigenlijk wel in hetzelfde systeem waarin zijn collega’s zich bevinden.
    Professor Keating wil net als Heidegger en Jaspers strijd zien in het klaslokaal. Dit zegt hij letterlijk tegen zijn leerlingen in de eerste les van het jaar. “This is a battle, a war. You will have to learn to think for yourselves”. Tevens laat hij zijn leerlingen de eerste bladzijdes uit hun tekstboek scheuren. Op deze manier probeert hij zijn leerlingen op een socratische manier uit te dagen om hun eigen waarheid te ontdekken en zich niet alles te laten voorkauwen. Zijn leerlingen de vrijheid geven om hun eigen ideeën te vormen lijkt zijn ideaal of dit daadwerkelijk het resultaat is van zijn extreme gedrag is nog maar de vraag. Zo lijkt hij eerder zijn wil en ideeën aan zijn leerlingen op te dringen dan dat hij in een open discussie met hen gaat. Dat professor Keating zijn leerlingen een socratic education wil geven is wel duidelijk, maar of hij hier in slaagt is nog maar de vraag.

    Praktijk
    In het dialoog tussen Heidegger en Jaspers wordt duidelijk dat zij beide voorstanders zijn van een universiteit waar er een spanning is tussen de docenten en de studenten. De docenten en studenten hebben geen gelijke doelen. Het moet een strijd zijn tussen twee krachten om zo tot de waarheid te komen. De docent is een leider die er voor zorgt dat de student zijn eigen ideeën zal vormen. De docent vormt dus geen autoriteit en is zelfbewust van zijn eigen tekortkomingen. De docent gunt de student verder te gaan dan hijzelf ooit is gekomen. Dit wordt bereikt door een socratische vorm van discussie voeren tussen de twee groepen.
    Wanneer ik kijk naar mijn eigen ervaring met de universiteit zie ik soms niet hoe de spanning tussen de docenten en de studenten wordt bevordert. Mijn eigen studie, Media en Cultuur, heeft vaak een tekort aan interactie tussen docent en student. De momenten waarin discussie mogelijk is zijn schaars. In de werkgroepen is er soms mogelijkheid toe, maar in de hoorcolleges is het geheel uit den boze. De massale groep mensen is ongeschikt voor een discussie tussen de deelnemers van het vak. Dit gebrek aan interactie maakt het moeilijk om de stof te doorgronden en er eigen ideeën over te vormen. Door dit gebrek aan discussie tussen de studenten en de studenten met de docent lijkt het soms meer een studie op basis van scholastic instruction dan op een socratic education.
    Wanneer ik kijk naar een keuzevakken die ik volg bij Literatuurwetenschappen zie ik dat er veel meer discussiemogelijkheden zijn en dat veel vakken zelfs om dit principe zijn heen gebouwd. De kleinere leslokalen zullen ook meehelpen aan de grotere mogelijkheid tot zinvolle discussie. Toch lijkt het alsof er in het studiegebied van de literatuur meer ruimte wordt gegeven tot discussie. Zo wordt er bij het vak Literatuur en Wetenschap zelfs verwacht dat de studenten digitaal discussie voeren.
    Ik denk dat de verschillende studies wel dezelfde ideeën hebben over het soort onderwijs dat er gegeven moet worden op de universiteit. Net als dat ze gelijksoortige ideeën hebben over de verhouding tussen de docenten en de studenten. Het verschil is dat het socratische karakter van de universiteit er bij de Literatuurwetenschappen beter tot zijn recht komt. Wellicht ligt dit aan het karakter van de verschillende media die Media en Cultuur en Literatuurwetenschappen bestuderen.
    Wanneer er gekeken wordt naar de plannen van het huidige kabinet met betrekking tot de universiteit, lijkt het steeds moeilijker te worden de ideeën die Heidegger en Jaspers over de ideale universiteit hebben goed uit te voeren. Zo wordt er gesproken over het schrappen van de werkgroepen van verschillende studies. Hierdoor wordt het voeren van discussie zeer beperkt en de interactie tussen docent en student tot een minimum beperkt. Zo wordt het onmogelijk om een socratische doceermethode uit te voeren. De studenten worden op deze manier ook niet uitgedaagd hun eigen ideeën te vormen.
    Jaspers stelt dat de sociale structuur van een samenleving wordt weerspiegeld door zijn educatieve systeem. Dit is waarom democratieën een openbaar schoolsysteem hebben. En dat niets mensen zo gelijk maakt als een dezelfde opleiding. Ik denk ook dat het deels licht aan het hebben van gelijke kansen. Het kabinet denkt er aan om het studeren aan de universiteit een stuk duurder te maken. Wanneer de student langer dan vier jaar over zijn Bachelor doet, moet er €3000,- boete betaald worden door de student en ook door de universiteit. Als deze ideeën doorgezet worden dan hebben de docenten minder tijd voor de studenten. Er zal weinig tijd zijn om de essentiële stof over te brengen en al helemaal geen tijd om discussie te voeren. Het studeren wordt ook steeds duurder gemaakt. Het lijkt er op dat studeren iets van de elite zal worden en dit zal de samenleving alleen maar meer opsplitsen. Ik denk dat de toekomst van de universiteit in het gevaar is en dat het uitvoeren van de ideeën van Jaspers en Heidegger steeds moeilijker zal worden.

    Bronnen

    Dead Poets Society. Reg. Peter Weir. Touchstone Pictures, 1989.

    Heidegger, Martin. The Self-Assertion of the German University. 1933.

    Jaspers, Karl. The Idea of the University. Beacon Press, Boston: 1959.

    Wonder Boys. Reg. Curtis Hanson. Feature Film Productions, 2000.

     
  • Avatar of annemarie

    annemarie 12:02 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: belang, , , literatuur & wetenschap, , , rol,   

    De rol van de literatuurwetenschap(per) in de samenleving 

    In de collegereeks Literatuur & Wetenschap 2010-2011 van docent Jan Hein Hoogstad aan de Universiteit van Amsterdam hebben we als studenten aan de hand van een aantal theoretische teksten, culturele objecten en de colleges met elkaar gediscussieerd en gereflecteerd op het vak Literatuurwetenschap in de les en op dit blog http://litwet.medialoperations.com. Opvallend vaak stak in de posts en reacties twijfel de kop op over de idealen en vermogens van literatuur en literatuurwetenschappers. In dit essay wil ik daarom ingaan op de vragen die daarmee voor mij als aankomend literatuurwetenschapper centraal zijn komen te staan; Is literatuur, verbeelding, in staat de wereld te veranderen? Wat is het belang of nut daarvan? En welke rol kan de literatuurwetenschapper innemen? Mijn inzet in deze bijdrage aan de discussie is dat literatuur in staat is nieuwe denkwijzen of een nieuw mens- of wereldbeeld te introduceren. Ik veronderstel weldegelijk de kracht van literatuur en literatuurwetenschap tot verandering. De rol van de literatuurwetenschapper, of geesteswetenschaper, is de verbeelding met onderzoek en praktijk te signaleren, te ontsluiten of in het debat in te brengen, culturele objecten kritisch tegen het licht houden, emancipatoire bewegingen te verankeren in een traditie van denken en daarmee de ontwikkeling van het denken gaande te houden. Via een praktijk van denken, onderzoeken, schrijven, publiceren, programmeren werpen de geesteswetenschappen evenzeer licht op ‘feitelijke vraagstukken’ uit onze dagelijkse leefomgeving als de natuurwetenschappen. De onderscheiden wetenschappen zijn ook niet tegenover elkaar te zetten zoals de online discussies doen vermoeden of in raakvlakken terug te brengen tot het kritisch tegen het licht houden van de premissen van de ene soort wetenschap door de andere. De dagelijkse realiteit vraagt interdisciplinaire benaderingen die de grenzen tussen geestes- en natuurwetenschappen overschrijden.

    Vanaf de oorsprong van het vak tot op heden lijkt het, Goethe en Spivak lezend, in de literatuurwetenschap niet zozeer om de literaire objecten zelf te gaan, alswel om een ideaal van begrip en wereldvrede. Sinead verwoordt het in haar essay “Literatuur en Wetenschap” als volgt: ‘Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is’. De discussie die vervolgens ontstaat tussen Sinead, nikkidekker, Léonie, FlorisPieterse en jetvangroningen concentreert zich echter op de autonomie van het literaire object en de mogelijkheid en wenselijkheid daarvan binnen het literatuurwetenschappelijke veld. Met de geciteerde Roland Barthes’ dood van de auteur en eerder die van god is echter zoals Léonie ook opmerkt niet zozeer de autonomie gemoeid, alswel de autoriteit van beide figuren die met de afgekondigde dood tot de proportie van een actor is teruggebracht. Het maakt niet de literaire objecten autonoom, deze zijn immers ingebed in een meerduidige context, het maakt slechts dat het laatste woord over een tekst niet langer gesproken kan worden. Léonie noemt het ‘sneuvelen van de waarheid’ die op de dood van god en auteur is gevolgd problematisch omdat met de polyinterpretabiliteit de autonomie van de literatuur wel in gevaar komt. Ik denk dat niet zozeer de pluriformiteit het probleem is, alswel dat daarmee het geloof onder druk is komen te staan dat kunst, uitspraken of interpretaties zinvol kunnen zijn of een ‘geldig’ ander licht op zaken kunnen werpen. Dat dat weldegelijk mogelijk is zou ik willen onderschrijven aan de hand van het literair werk dat jetvangroningen in deze discussie naar voren brengt, Aimé Césaire’s Notebook of a Return to the Native Land (1939). In het gedicht geeft Césaire de notie van Négritude gestalte, een politieke en literaire beweging om een gemeenschappelijke zwarte identiteit te creëren onder de bevolking van de Afrikaanse diaspora en de zwarte bevolking van Martinique in het bijzonder. Ondanks erkenning voor zijn culturele bijdrage aan het emanciperen van een raciale en sociale klasse, is in de afgelopen decennia ook kritiek gekomen op Césaire’s Négritude. Er is aangedragen hoe éénzijdig, patriarchaal en phallocentrisch zijn zwarte identiteit is en het idee van négritude is door critici vervangen door modellen die creolisering of hybriditeit voorop stellen. Zowel Césaire’s gedicht als de kritieken erop hebben, samen met een groter corpus aan primaire en secudaire teksten, de discussie en ontwikkeling van het denken over ras, postkolonialiteit en identiteit in zowel de wetenschap als in de samenleving gaande gehouden. Sommige passages uit het gedicht kunnen zelfs nog steeds met kracht de deplorabele omstandigheden van onderbetaalde werkende onderklassen en de noodzaak van emancipatie anno 2010 benadrukken. Zo benadrukken de hierop volgende versregels de realiteit van de foto’s geplaatst bij recente nieuwsberichten over China’s exportverbod op zeldzame aardmetalen. Foto’s van mannen die bijna bezwijken onder het gewicht van de zakken met grondstoffen. De mannen staan niet alleen in een diepe poel van modder, maar zijn er van top tot teen mee bedekt. Er wordt echter nergens in de berichten of de fotobijschriften aan de mannen gerefereerd. De foto’s dienen slechts als verwijzing naar de grondstoffen, die volgens de berichten nu schaars en duur zullen worden. Dan zijn de volgende versregels nog steeds urgent: ‘Grovel in the mud. Brace yourself in the thick of the mud. / Carry. / Earth of mud. Horizon of mud. Dead of the mud’ (Césaire 41).

    Om terug te komen op Jet’s vraag of dit literaire werk het beste autonoom te benaderen is, zou mijn antwoord nee zijn. Literatuur is ingebed in een complexe context en de geschiedenis of biografie is daar onderdeel van. Ik doel daarmee niet op de auteur als persoon, maar als representant van een deelgeschiedenis van een dagelijkse realiteit van velen. Of de geschiedenis van de auteur relevant is bij de interpretatie van een werk, zal van keer tot keer verschillen, evenals andere facetten van de context. De vragen en opmerkingen in deze post en reacties rondom de al dan niet mogelijke en wenselijk autonomie van de literatuur en literatuurwetenschap en rondom de verloren gegane autoriteit van auteur, woord of waarheid representeren en voeden wellicht voor een deel de twijfels die over vermogens, belang, nut van de literatuur en de literatuurwetenschap bestaan. De discussie daarover barst ten volle los in het essay “Wat studeer je? Oh, euh, leuk! Wat kan je ermee?” van Llika Polderman en de daarop volgende reacties van FlorisPieterse, roza, khnilka, Thomashvv, jorisbrakkee, mickeypotthoff, rebeccadrees, Anne van der Klift, ellenswart en nadja. Zelf benadrukt Llika vooral haar ervaring haar studie theaterwetenschap vaak te moeten rechtvaardigen of uitleggen en verdedigt ze in de slotfase van de discussie het nut van studies binnen de geesteswetenschappen: ‘De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover’. In de daarvoor geposte reacties alsook in andere posts op het blog wordt echter hevig getwijfeld over het nut, belang en toekomstperspectief. Een studie binnen de Geesteswetenschappen wordt leuk genoemd, een luxe, abstract, niet praktisch en de deelnemers vragen zich af wat je met de studie kunt doen en betwijfelen of het veel perspectief op carriere of geld biedt. De natuurwetenschappen worden daar tegenover gezet als studies met resultaten, nut, finale antwoorden en noodzaak. Thomashvv raakt weer aan het idee van autonomie wanneer hij in een reactie zegt dat ‘steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen’. Maar betekent je bezig houden met nieuwe interpreaties ‘afzondering’? Wanneer Vaessens spreekt van engagement ‘veronderstelt dat verbinding’, licht hij zelf in een interview met Arnoud van Adrichem in literair tijdschrift Parmentier toe. Niet volgens het postmodern discours vrij zijn van verbindingen, maar ‘vrij zijn voor verbindingen […] een vorm van trouw zijn aan je eigen affecties’. Hij vervolgt: ‘Het postmodernisme heeft een heel duidelijk historisch nut gehad, […] maar je kunt je wel de vraag stellen of dat postmodernisme daarmee ook antwoord bood op alle vragen’. Geenszins een pleidooi om interpretaties af te doen lijkt mij, maar een pleidooi om interpretaties met meer overtuiging in te zetten en te onderzoeken hoe dat gaat, ‘vrij zijn voor verbindingen’. Hoe doen hedendaagse schrijvers dat? Welke wegen zoeken auteurs, kunstenaars, opiniemakers en politici om zich weer oprecht te verbinden. Wat gebeurt er in hun teksten. En zijn er technieken die ook literatuurwetenschappers in kunnen zetten?

    De vermogens en het belang van kunst en cultuur worden in de discussie onderschat. Het vermogen en belang van vakmensen die culturele objecten leren “lezen”, verbinden, becommentarieren zoals beta-wetenschappers hun verschijnselen “lezen”, verbinden wordt onderschat. Het verruimen van de blik, het schetsen van een alternatief wereld- of mensbeeld, het in een kritisch of absurd daglicht stellen van zaken, het spiegelen, en zo nog vele ander denkbare effecten, zowel middels de kunsten als in onderzoek en reflectie hierop worden onderschat. Het gaat daarbij niet alleen om begrip te verkrijgen voor andere culturen, zoals Goethe en Spivak het ideaal van de literatuurwetenschap kort gezegd verwoord hebben. Hoe leren we kinderen over samenzijn, samenleven, de waarde van het een of ander, de driften, de conventies, de ruimte om er wel/niet van af te wijken, kortom hoe brengen we hen onze cultuur bij? Door verhalen, gedichten, tekeningen, liedjes, films, games, toneelspel, etc. Wat draagt bij aan het ontwikkelen van empathie, van analytisch vermogen, van sociale vermogens, creatieve vermogens. Opnieuw de kunsten. Het tot je nemen/je inleven in verhalen – ongeacht het medium –, het maken van of luisteren naar muziek. Het belang, nut of de rol van een literatuurwetenschapper daarin? Inzichtelijk maken welke effecten van verhalen uitgaan, welke waarden bijvoorbeeld in de gangbare sprookjes en disneyverhalen worden onderschreven, daar wellicht kritische kanttekeningen bij plaatsen, mogelijk een pleidooi houden voor het herschrijven van sprookjes. Of wat dacht je van het kritisch lezen van een film als Brokeback Mountain? Is de film werkelijk vooruitstrevend of worden tegelijkertijd zeer conservatieve waarden uitgedragen? Of welke effecten heeft bepaald politiek taalgebruik? Victor Klemperer en Judith Butler hebben daar met respectievelijk Lingua Tertii Imperii en Excitable speech relevante onderzoeken en uitspraken over gedaan. Allemaal toepassingen van het vak, concreet, nuttig, kritisch, nuancerend daar waar nodig, een debat breder trekkend, dat is geen luxe, het maakt deel uit van de motor waarop een samenleving draait en zich ontwikkeld. Of, als het geen verschil maakt in publieke sfeer, een alternatief idee biedt voor diegenen die zich niet gerepresenteerd voelen in de samenleving. En kunst en cultuur is ook geen luxe in de zin dat het zich zou beperken tot welvarende samenlevingen. Ook in ontwikkelingslanden is de behoefte aan ‘verbeelding’, hoog. Werkend voor een cultuurfonds van een ontwikkelingshulporganisatie, een fonds dat kunstenaars in ontwikkelingslanden ondersteunt en de culturele infrastructuur probeert te versterken (productie, distributie), viel het altijd weer op hoeveel belang mensen hechten aan verhalen, theater, muziek, dans. Gevraagd naar basisbehoeften benadrukten mensen naast water, voedsel en onderdak, kunst als vitaal onderdeel van het leven.

    Rebeccadrees noemt in een reactie nog steeds op het essay van Llike Polderman, de geneeskunde, natuurwetenschap en recht als ‘wetenschappen die zich over feitelijke vraagstukken ontfermen’, maar de geesteswetenschappen ontfermen zich dus evenzeer over vraagstukken of objecten die deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit en die realiteit mede bepalen. In die zin is een strikte scheiding tussen de vraagstukken van beide ‘soorten’ wetenschappen ook niet langer vol te houden. In het deel “En nu verder: culturele studies voor de eenentwintigste eeuw?” in Culturele studies. Theorie in de praktijk wordt onderschreven hoezeer de technologie een steeds sterkere greep op het dagelijks leven heeft en tegelijkertijd de geesteswetenschappen hier relevante dingen over kunnen zeggen omdat deze technische fenomen directe en ingrijpende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld definities als identiteit en subject. Hoe sommige kunstuitingen soms meer vertellen over depressie of emoties dan biologiehandboeken of hoe wetenschappelijke ontdekkingen als nanotechnologie onderdeel worden van het dagelijks leven en daarom niet alleen betekenis hebben in het laboratorium. Er wordt in het boek dan ook gepleit voor verregaande grensverkenning (172-173). Een voorbeeld van een kunstenaar die met zijn werk, http://www.studioroosegaarde.net/, de invloed van technologie op ons leven wil tonen is Daan Roosegaarde. Onze verhouding tot technologie wordt tezeer voorgesteld in apps en gadgets licht hij toe in een interview in NRC Next van 30 november 2010. Roosegaarde wil het idee van interactie losmaken van een product, het persoonlijker maken en voor hem is de cruciale vraag of de technologie ons helpt om meer mens te worden. Het idee van grensverkenning en interdisciplinariteit uit Culturele Studies. Theorie in de praktijk op een andere manier loslatend op onze praktijk, stel ik me voor hoe een literatuurwetenschapper als volgt bij kan dragen aan ontsluiting van een alternatief wereldbeeld of een bijdrage kan leveren aan vraagstukken waar bijvoorbeeld de geneeskunde zich mee bezig houdt. Neem een ‘gedragsstoornis’ als ADHD, een aandachts-tekort-stoornis met hyperactiviteit dat momenteel vaak bij kinderen wordt vastgesteld. Het is voorstelbaar dat de verschijnselen samenhangen met een afnemende aanwezigheid in de natuur, een voor mensen van oudsher natuurlijke omgeving. Amerikaans dichter Mary Oliver reikt met haar poëzie en essays evenzeer een mogelijke oplossingsrichting aan als dat de geneeskunde dat doet. Daar waar de geneeskunde het in geneesmiddelen zoekt, deze ontwikkelt en voorschrijft om de symptomen te bestrijden, pleit Oliver ervoor, niet in relatie tot ADHD overigens, kinderen de natuur voor te schrijven. ‘Give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lords of profit. Stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent beautiful blossoms’ (56). Oliver is niet heel bekend in Nederland en waarschijnlijk is literatuur in de geneeskunde als handreiking voor het zoeken naar een oplossingsrichting ook niet gangbaar. Maar wie weet wat de literatuurwetenschapper kan bereiken door deze literatuur in Nederland te ontsluiten en het in te brengen in het debat over ADHD als nader te onderzoeken oplossingsrichting. Wie weet blijkt een dagelijks portie natuur even effectief als een medicijn als retalin. Zomaar een voorbeeld van een toepassing, misschien niet direct voor de handliggend, maar evengoed concreet, nuttig en gericht op een feitelijk vraagstuk, namelijk hoe het komt dat zoveel kinderen kampen met hyperactiviteit of hun aandacht niet lang kunnen vasthouden. De literatuur verbeeldt in dezen een alternatieve leefstijl waarin de natuur een prominente rol speelt.

    Het belang van de geesteswetenschappen wil ik tot slot nogmaals benadrukken met navolgend citaat uit Culturele studies. Theorie in de praktijk:

    ‘Juist vandaag de dag lijkt de maatschappelijke en politieke discussie beheerst te worden door een begrip van “cultuur” dat heen en weer slingert tussen nationaal en religieus groepsdenken en wereldwijde commercie. In deze context pretendeert culturele studies niet het laatste woord te hebben of het superego van de humanities te zijn, maar wil ze steeds weer de kritische inzet van cultuur tonen. Want cultuur is tenslotte datgene wat onze directe dagelijkse leefomgeving en niet in de laatste plaats onszelf bepaalt’ (10).

    Bibliografie
    Baetens, Jan, et al. Culturele studies. Theorie in de praktijk. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2009.

    Butler, Judith. Excitable speech: a politics of the performative. New York: Routlegde, 1997.

    Césaire, Aimé. Notebook of a Return to the Native Land. Trans. and eds. Clayton Eshleman
    and Annette Smith. Middletown: Wesleyan University Press, 2001.

    Goethe, Johann W. Von. “World Literature”. Comparative Literature: The Early Years: An
    Anthology of Essays. Ed. Schulz, Hans Joachim. Chapil Hill: University of North Carolina
    Press, 1973. 3-11.

    Klemperer, Viktor. LTI. Notizbuch eines Philologen. Stuttgart: Reclam Tasschenbuch, 2007.

    Literatuur & Wetenschap, http://litwet.medialoperations.com/

    Oliver, Mary. Blue Iris. Poems and Essays. Boston: Beacon Press, 2004.

    Roosegaarde, Daan. http://www.studioroosegaarde.net/

    Spivak, Gayatri Chakravorty. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia
    University Press, 2003. 1-25.

    Van Adrichem, Arnoud. “‘Het postmodernisme voorbij? In gesprek met Thomas Vaessens”,

    http://www.literairtijdschriftparmentier.nl.

     
    • Avatar of yvonne

      yvonne 4:58 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Annemarie,

      Het is fijn te zien dat er ook na afronding van het vak deelnemers zijn die hier terugkomen, en al helemaal om een nieuw essay te lezen. Je roert ontzettend veel punten aan waarbij ik de behoefte voel om te reageren. Momenteel loop ik o.a. als hulpsint tegen een bekend fenomeen ‘gebrek aan tijd’ aan, maar ik zal me later in de maand in de door jou aangevoerde teksten/links verdiepen en reageren. Mocht het januari worden, dan hoop ik dat de website er nog is en anders vinden we wel een andere manier.

      hartelijks, Yvonne

      • Avatar of annemarie

        annemarie 2:09 pm on December 10, 2010 Permalink | Log in to Reply

        hi Yvonne, dank, misschien kunnen we eea eerder al combineren: volgende week (17/12) heb ik een programma in Perdu dat raakt aan essay hierboven – hoe schrijvers, kunstenaars zich weer vrij maken voor verbindingen en of er een nieuw ervaringsparadigma in de maak is… http://www.perdu.nl/agenda.cfm . misschien heb je zin en tijd om te komen – kunnen we het er ‘live’ over hebben aan de bar. En ja, poezie Cesaire en Oliver kan ik van harte aanbevelen. Leuk, zie uit naar jouw reacties! anders mailen we wel mocht site niet meer online staan. ciao Anne-Marie

    • Avatar of yvonne

      yvonne 5:16 pm on December 11, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey hoi, Anne-Marie,
      Had het interessante programma voor de 17e gezien, maar zit die avond in het Concertgebouw (Haitink). Ik ben vorig semester bij de avond in Perdu over Vaessens ‘Revanche van de roman’ geweest. Daar sprak Nicoline ook, o.a. over DFW/’Do you feel it too’ (niet zonder emotie!). Césaire was me bekend, Oliver nog niet, gaat op de ‘to read list’.
      Ik wens je alvast een mooie/goede Perdu-avond en we bereiken elkaar wel.
      Grtz, Yvonne

  • Avatar of mickeypotthoff

    mickeypotthoff 4:39 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags:   

    Elizabeth Costello 

    J.M. Coetzee’s novel ‘’Elizabeth Costello’’ was published in 2003. It concerns an Australian writer with a name eponymous to the the book’s title, who has long left Australia, and now spends her days in Great-Britain. Travelling around the globe with her son John she gives lectures on various subjects, such as the value of the contemporary novel. Praised as a writer for her work, and especially her famous novel ‘’House on Eccles Street’’, Costello feels she has reached a stage where the writing part stops, and where the part begins where she can sit back and enjot being lauded for her complete oeuvre. Costello often asks her son John whether they can leave a conference or some gathering of people coming to listen to her speech, however, she also quickly realises that this would indeed hurt her name. Then, grittingly, she does in fact get on with it, albeit unwillingly. Coetzee’s novel consists of a narrative which is built completely around several of the lectures Costello gives. Ironically, most, if not all, of these lectures are highly remniscient of lectures Coetzee has given himself. Some, in fact, mirror his speech exactly. It seems that the novel is more focused on the speeches than on the narrative itself, and to aid in that principle Coetzee has come up with a handy device to create this focus.
    What Coetzee often does in his narrative is interrupting it. The narrator, whose identity remains unknown throughout the novel, announces every few pages that it is now time to skip over a part in the narrative as there is no necessity for the telling of it. This then raises suspicions about why this would be done. It can be said that, because of the seeming speed of the plot, Coetzee gives himself the opportunity to focus more on Costello’s/Coetzee’s speeches. It is, however, unclear as to why Coetzee would want to achieve that speed. Another reason, as pointed out in class, would be that in interrupting the plot focus could shift to the literary value of the text. This is the case as the plot itself is not as strong as the lectures and thus the novel would gain literary value by emphasising its strong points rather than its weaker parts.
    A further reason for skipping plot parts is given by the narrator itself. He says: ‘’We skip to the evening, to the main event, the presentation of the award (Coetzee 16).’’ This implies that the narrator only skips over small, unnecessary parts of the plot, which either have no relevance, or which is simply not interesting. Albeit so that this is not surprising it is an innovative device which, undoubtely, adds a layer to Coetzee’s novel. And, because only small scenes are skipped over, it means that any potentially dull parts can also be completely abandoned in favour of the lectures.
    Although the skipping of scenes is found throughout the novel it features primarily in its earlier stages. An undefinite reason why Coetzee has slightly abandoned his device cannot be pointed out, but it seems that the character developement of Elzabeth Costello is a part of this. As the plot progresses Costello changes as well; she spends far less time remniscising her old days of glory, and more time wondering about her own writership. Furthermore, she connects much less with her son. All these circumstances simply call for more to be said about Costello, and thus, for less to be skipped over.
    Coetzee’s ‘’Elizabeth Costello’’ is a novel and a collection at the same time. A narrative built around speeches of the main protagonist calls for bits to skipped over and focus on the lectures, and this is exactly what is being done by Coetzee. He uses an excellent, innovative device that speeds up the novel and which creates a context through which the speeches can be viewed not simply as seperate from the plot, but as incorporated in it.

     
    • Avatar of thomashvv

      thomashvv 2:21 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Mickey, dank voor je mooi geschreven stuk! Het enige wat ik een beetje mis, is een eigen uitgangspunt, het lijkt meer een beschrijving van (een aspect van) deze uiterst boeiende roman, dan dat je echt iets zelf presenteert. Dat de de roman een verzameling en een roman tegelijk is, lijkt me namelijk bijna een feit, in elk geval geen echt eigen standpunt; maar wellicht is dit ook helemaal geen vereiste.
      Met betrekking tot de temporele overgangen: ik heb zelf niet helemaal het idee dat die er, zoals jij in je slotzin suggereert, voor zorgen dat de lezingen worden geïncorporeerd in de plot. Ja natuurlijk zijn de lezingen en de rest van de plot hierdoor wel met elkaar verbonden, maar dat had Coetzee ook op andere, simpelere manieren kunnen doen. Hij zou bijvoorbeeld kunnen zeggen ‘Later die dag’ in plaats van ‘nu slaan we het een en ander over’. Sterker nog, in andere romans bedient Coetzee zich van deze eerste (gangbare) manier – dus er moet nog iets anders aan de hand zijn. Dat heeft er meen ik mee te maken dat dit boek niet alleen een roman is, maar ook grotendeels over de roman gaat. Niet alleen gaat een deel van de lezingen over literatuur, ook onderzoekt deze roman op andere manieren de mogelijkheid van de roman zelf; daarom worden er volgens mij ook lappen lezing in verwerkt, biografische gegevens, en wordt de man (Coetzee) een vrouw (Costello), en speelt Coetzee ook met temporele overgangen. Maar hier zullen vast allerlei gecompliceerde, doordachte essays over geschreven zijn die ik niet ken, dus met grove argumentatie kan ik niet aankomen: het is alleen het gevoel dat ik bij he lezen van Elizabeth Costello kreeg.

    • Avatar of jorisbrakkee

      jorisbrakkee 10:27 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Mickey, een mooi, duidelijk stuk, maar niet heel vernieuwend. Ook zet ik vraagtekens bij je conclusie dat Coetzee de door jou beschreven trucs gebruikt om het plot te versnellen. Ik vraag me namelijk af, welk plot wordt er dan versnelt? Het enige dat er versnelt wordt volgens mij is de opeenvolging van lezingen, en daardoor laat het minder ruimte voor de plot zelf. Alhoewel ik dit helemaal niet erg vond en het een mooie roman/verzameling vond, vind ik zijn verteltrucs niet helemaal functioneren zoals jij dat voorstelt.

    • Avatar of rebeccadrees

      rebeccadrees 2:00 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey Mickey, Ik ben het wel ergens een beetje eens met Joris. Zoals we weten is de plot in het boek sowieso een beetje ver te zoeken, de narratief zit eigenlijk los van het geheel. Het is net zoals er gesteld was in de les, dat we eigenlijk zelf geneigd zijn een plot eraan te verbinden terwijl er een duidelijke speling van de temporele en logische opeenvolging is. Want we weten natuurlijk niet zeker of alles chronologisch na elkaar is geschreven. Misschien was dit invalshoek (voornamelijk plot gericht) niet de beste aanpak van het boek.

    • Avatar of ellenswart

      ellenswart 6:08 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Micky,

      Ik vond eigenlijk dat er ook wel interactie was tussen de verteller en de lezingen. Bijvoorbeeld het eerste hoofdstuk ‘Realism’; waarin Costello ingaat op de vraag wat realisme is. Een van haar uitspraken is dan “the word-mirror is broken” (p. 19)
      De verteller gaat hier wat mij betreft op in; zoals jij ook zegt slaat hij de ‘saaie’, ‘onbetekenende’ stukken van het verhaal over. Hij benadrukt daarmee dus dat deze tekst geen realistische vertelling is – in tijd, maar ook door zijn eigen aanwezigheid. Wanneer een verteller zich zo duidelijk presenteert, wordt immers duidelijk dat hij alleen datgene vertelt wat hij interessant vindt. Dus stel dat hij het verhaal van de bestaande persoon Elizabeth Costello vertelt, zullen we hem zeker wantrouwen.

      Overigens zag je dit ook wel terug in de film Wonder Boys; daar schreef de hoofdpersoon een boek en kreeg hij als commentaar te horen dat hij in zijn vertelling geen keuzes had gemaakt. Het maken van keuzes werd daar als noodzakelijk gesteld, waarmee dus ook afstand werd gedaan van het realisme. Bovendien wordt je door een dergelijke uitspraak van een personage ook op het fictionele karakter van de film zelf gewezen.

  • Avatar of Ilika Polderman

    Ilika Polderman 11:44 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags:   

    Wat studeer je? Oh, euh, Leuk! Wat kan je ermee? 

    Deze blog is niet per se een reactie op de colleges die we gehad hebben, maar na het lezen van een aantal blogs en reacties leek dit me de juiste plaats om hem te plaatsen en ik ben benieuwd of jullie mijn frustratie over dit onderwerp delen. Vandaar dat ik dit toch maar als blog hier post.

    Veel geesteswetenschappers kennen het wel. het gesprekje dat volgt nadat je vertelt wat je studeert. Bij mij gaat dat als volgt:

    Wat studeer je?
    -Theaterwetenschap
    Oh leuk!
    -Ja dat is inderdaad een erg leuke studie
    Wat is het?
    -Onderzoek doen naar het belang van theater en hoe theater in de hedendaagse maatschappij een toegevoegde waarde kan hebben.
    Oh, goh. en wat kan je er uiteindelijk mee?
    -Heel veel. het hangt er maar vanaf welke kan je op wilt gaan. De wetenschap, de praktijk, of misschien wel een heel andere richting.
    Wat wil jij dan worden?
    -Stewardess

    En dan krijg ik meestal blikken die er niets meer van snappen. Want waarom zou ik nou theaterwetenschap studeren als ik van plan ben stewardess te worden.
    En dan leg ik mensen uit dat ik eerst wil studeren en mijn kennis wil verbreden. Dat ik theater leuk vindt en daarom voor theaterwetenschap heb gekozen. Dat ik daarmee ook aan een luchtvaartmaatschappij kan laten zien dat ik een bepaald denkniveau heb. En dat als blijkt dat het zijn van stewardess niet mijn ding is, ik ook altijd nog een leuke studie heb gedaan waarmee ik nog heel veel andere beroepen kan worden, zodat mijn toekomst veilig is. En dan geven ze me meestal gelijk. Omdat ik uitstraal dat ik gewoon ga doen wat ik leuk vind en dat ze daar niet veel tegenin kunnen brengen.

    Wat ik me wel afvraag is waarom gesprekken met een natuurwetenschapper anders gaan:

    Wat studeer je?
    -Biomedische wetenschappen
    Oh, interessant, dat is vast moeilijk
    -nee hoor.

    Geesteswetenschappers moeten blijven vechten voor hun bestaansrecht. En vakken als wetenschapsfilosofie leren ons ook deze discussie te voeren. (ik heb er in ieder geval veel aan gehad tijdens een discussie met een geneeskunde student en een student farmaceutische wetenschappen) Terwijl andersom veel natuurwetenschap studenten niet weten wat de geschiedenis is achter hun studie. En veel weten niet eens waarom ze natuurkunde wel een wetenschap vinden, maar literatuur niet.
    Sommige (en volgens mij best veel) natuurwetenschappers vinden wat wij doen niet wetenschappelijk. Natuurkunde kan namelijk echt iets meten en onderzoek doen. En ook zou onze studie makkelijk zijn. (Dit zeg ik naar aanleiding van discussies met natuurwetenschappers over het belang van de geesteswetenschappen) Maar ik denk dat veel natuurwetenschappers een geesteswetenschappelijke studie best moeilijk zouden vinden. En wij andersom ook niet erg goed zouden zijn in natuurwetenschappen.
    En toch blijft het zo dat daar waar wij de natuurwetenschappen als wetenschap accepteren moeten wij als wetenschap ons steeds blijven bewijzen. De geesteswetenschappen zijn jong, misschien vernieuwend, maar het is jammer dat er door veel mensen niet verder gekeken kan worden. En het vaak wordt gezien als een onzin-wetenschap. Want ook Theaterwetenschap (of literatuurwetenschap) kan effect hebben op een ziekenhuis. Alleen op een ander gebied dan de geneeskunde. We houden ons bezig met andere specialiteiten, maar beiden wetenschappen hebben iets toe te voegen aan de maatschappij. En toch moet ik dit telkens blijven uitleggen aan mensen die vragen wat ik studeer.

     
    • Avatar of FlorisPieterse

      FlorisPieterse 8:43 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ilika,

      Ik snap je frustratie en heb eveneens vaak het soort gesprek gehad wat je boven beschreven hebt. En alhoewel ik het als irritant ervaar, kan ik niet zeggen dat ik geen begrip voor die ene opgetrokken wenkbrauw die ik zie op het gezicht van mensen wanneer ik ze vertel over de literatuurwetenschap.

      Of wij het nu willen of niet: de geesteswetenschappen zijn heel wat abstracter dan de natuurwetenschappen. De natuurwetenschappen leveren vaak duidelijke fysieke resultaten op waar talloze mensen baat bij hebben. Iedereen wordt wel eens ziek en heeft medicijnen nodig, datzelfde kan je niet zeggen van bijvoorbeeld een posthumanistische analyse van een Philip K. Dick roman. Die tweede is dan misschien wel geestelijk verrijkend, maar een heel directe noodzaak is er niet voor.

      Hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik de geesteswetenschappen eigenlijk zie als een luxe die de westerse maatschappij zich kan veroorloven. Ik denk dan ook aan de tekst van Cornel West waarin staat dat veel zwarte jongeren eerder kiezen voor een studie die leidt tot een carriere als advocaat of dokter, dan een studie in de geesteswetenschappen.

      Your thoughts?

      • Avatar of roza

        roza 10:03 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        hai IIika en floris
        ik begrijp heel goed wat je bedoelt in je essay, erger nog zijn de gesprekken van: wat studeer je? literatuurwetenschappen. goh, is dat niet eh, saai? nou nee, ik vind het erg interessant. wat kan je ermee doen dan? um ja goed punt, dat weet ik nog niet zo goed. want dat is de harde waarheid, hoe interessant ik mijn studie ook vind, en hoe verder ik mijn geest verruim, toch heb ik geen beeld van wat ik ‘hier nou mee kan doen’. toch voel ik me vaak rijker dan iemand die een zeer praktische studie doet, omdat ik het gevoel heb beter te kunnen relativeren en kritisch na kan denken. ik zie onze studie zoals floris ook al zei, als een luxe maar wel een prachtige luxe want ik het het idee dat ik zeer rijke algemene ontwikkeling heb. maar ik moet toegeven dat ik ook wel eens neig naar een praktische studie als binnenhuisarchitectuur, naast literatuurwetenschap.

    • Avatar of

      khnilka 10:02 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ilika, wat je omschrijft is inderdaad heel erg herkenbaar. Ik zie alleen zelf het nut van mijn eigen studie niet echt in en ik kan niet goed uitleggen wat ik er nou mee kan als ik klaar ben, ja, ik ben dan mediawetenschapper, maar verder dan dat kom ik niet. Ik ben het er dan ook zeker mee eens dat wat Floris zegt over de luxe positie van de GW. We hebben de luxe om te kiezen voor iets dat we leuk vinden zonder ons druk te hoeven maken om geld. Hieronder staat ook een essay over allochtonen en GW en ik denk dat dat aansluit bij de tekst van Cornel West, want die jongeren kiezen (vaak) voor een studie die leidt tot carriere als advocaat of dokter.

    • Avatar of thomashvv

      thomashvv 2:01 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Illika,
      Dank voor je amusante, afwijkende essay. Los van de vraag of intellectuele bagage raadzaam is voor bij een carrière als stewardess, twijfel ik of het zo’n probleem is dat mensen natuurwetenschappen anders bekijken dan geesteswetenschappen. Zoals hierboven al aangekaart, zijn de twee nu eenmaal fundamenteel verschillend; de ene gaat uit van feiten, formules en heeft finale antwoorden, terwijl de geesteswetenschappen in de regel niet op een definitief antwoord uitkomen. Een interpretatie van een kunstwerk is tenslotte nooit helemaal voltooid. Dit is, in het kort, waarom steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen.
      Dit verschil valt logisch te verklaren aan de hand van de soorten wetenschappen waar het hier om gaat (zie hierboven), en – hoewel dat je op een enkel verjaardagspartijtje misschien in een underdogpositie kan brengen – eerlijk gezegd snap ik niet wat het probleem daarvan is; ja, er zijn iets meer situaties waarin je je studiekeuze misschien moet rechtvaardigen, maar waarom zou je dat eigenlijk willen doen? Er blijven toch genoeg mensen over die ook de waarde van een goede roman of een goede film inzien? Je hoeft toch niet mensen die liever kijken naar patronen in de natuur, om maar iets te noemen, naar waargebeurde verhalen, te overtuigen van het nut van geesteswetenschappen? Of het toekomstperspectief dat bij de studies komen kijken? Zolang je je zelf daar van overtuigd hebt, lijkt dat me afdoende. (Dat sommige mensen dit idee misschien elitair of snobistisch noemen, laat ik buiten beschouwing, aangezien met min of meer dezelfde argumentatie kan worden gezegd dat het standpunt van degenen die misprijzend reageren op geesteswetenschappen elitair of snobistisch is.) Wie weet begrijp ik het niet helemaal omdat ik hier zelf nooit last van heb gehad, maar als iemand mij vraagt waarom ik bijvoorbeeld ooit de moeite neem om een verhaal te schrijven die amper wordt gelezen, of in elk geval te interpreteren, dan voel ik me niet meteen onbegrepen of ondergewaardeerd – ik denk hooguit: het wordt tijd dat ik een andere gesprekspartner zoek.
      Tot slot twijfel ik hieraan: “Maar ik denk dat veel natuurwetenschappers een geesteswetenschappelijke studie best moeilijk zouden vinden. En wij andersom ook niet erg goed zouden zijn in natuurwetenschappen.” Ik denk dat je de geesteswetenschappen overschat; ik denk dat iedereen met een bepaald iq een studie binnen de geesteswetenschappen kan volgen aan de hand van discipline. Er wordt op abstract gebied nauwelijks iets van je gevraagd, er zijn véél minder lesuren dan bij een gemiddelde studie van de natuurwetenschappen, en bovendien is de inbreng van de eigen creativiteit een stuk kleiner. Dit zeg ik omdat praktisch al mijn kennissen natuurkunde, scheikunde of wiskunde studeren, en ik zodoende een boel van die studies meekrijg. Ter illustratie: econometristen verkiezen bij sollicitaties mensen die wiskunde of natuurkunde hebben gestudeed in de regel boven mensen die econometristen (een stuk meer een alfa-studie dan de andere twee) hebben gedaan, omdat deze studies hun denkvermogen meer heeft getraind. Ik denk dus dat er wel degelijk verschil zit tussen geesteswetenschappen en natuurwetenschappen. Ik denk alleen ook dat dit geen wezenlijk probleem is.

      • Avatar of Ilika Polderman

        Ilika Polderman 2:11 pm on November 9, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Thomas,

        Ik vraag me af: Is het niet zo dat ook ons denk vermogen wordt getraind alleen dan anders dan inderdaad een wiskundige wordt getraind? En is het niet juist nodig dat wij op een andere wijze denken dan de wiskunde en natuurkunde? Om hun inderdaad af en toe te kunnen wijzen op meerdere mogelijkheden binnen hun eigen onderzoeksgebied, zodat zij zich verder kunnen ontwikkelen.
        Ik denk dat door het niet accepteren van geesteswetenschappen als een echte wetenschap er een kans wordt gemist voor een vruchtbare samenwerking die tot veel goede ontdekkingen kan komen. Het is misschien niet gelijk een probleem, maar wel een gemiste kans denk ik.

    • Avatar of jorisbrakkee

      jorisbrakkee 10:38 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Zoals hierboven al meermaals is gezegd; Ilika, je probleem is zeer herkenbaar. Ik zit in de positie dat de meeste van mijn vrienden iets beta-achtigs studeren, en in de meeste gevallen zelfs harde wiskunde of theoretische natuurkunde. Waar ik in het park lig het zoveelste heerlijke boek te lezen van een geweldig schrijver moeten zij het doen met uren achter een buro zitten in een bedompte kelder van een of ander wiskunde-instituut met eindeloze boeken met formules erin. Geen wonder dat ze jaloers zijn. En vinden dat wij geesteswetenschappers geen echte wetenschap bedrijven. En ik denk ook dat een studie wiskunde flink wat zwaarder is dan de studie Literatuurwetenschappen. Zij hebben dagelijks college van 9 tot 4 de eerste paar jaar, wij maar een paar uur per week. Geen wonder dat veel mensen Literatuurwetenschappen als tweede studie doen. Jaloezie, en afgunst, omdat wij geesteswetenschappers dan weer ons wetenschapsfilosofisch moeten gaan bemoeien met hun op ‘harde feiten’ gebaseerde onderzoek. En ze gaan uitleggen dat ook hun hele natuurkunde gebaseerd is op conventies. Die mannetjes die nauwelijks tijd in hun studie stoppen gaan hun wel even vertellen dat hun harde werk ook allemaal in twijfel getrokken kan worden, alsof het allemaal niet empirisch bewezen is…
      Ik krijg veel harde opmerkingen naar mijn hoofd van mijn vrienden in de beta-studies. Maar ik heb ook al lang geaccepteerd deze te krijgen, er wat harde opmerkingen terug tegenaan te gooien, en vooral er heel hard om te lachen. Want ik mag doen wat ik het leukst vind; boeken lezen, films kijken, muziek luisteren, ervan genieten, er nog eens van genieten, en er dan met een groep gelijkgestemde mensen over discussieren en kletsen, en er uiteindelijk een essay over schrijven. Ik voel me bevoorrecht.

    • Avatar of mickeypotthoff

      mickeypotthoff 11:50 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ook voor mij is dit een zeer herkenbaar ”probleem”. Hoe vaak gebeurt het niet dat er inderdaad een gesprek plaatsvind met anderen, die geen geesteswetenschappers zijn, zoals jij dat beschreef in je essay? In mijn geval komt dit bijna wel wekelijks voor. of dit erg is is dan maar weer de vraag. Als geesteswetenschappers hebben we natuurlijk ook een positie binnen de wetenschap die nog relatief nieuw is en waar nog altijd mensen aan moeten wennen. Toekomstperspectief is er volgens mij altijd wel, welke studie je ook kiest dus het argument van natuurwetenschappers dat dat er niet zou zijn is in ieder geval wat mij betreft een leeg argument zonder enige waarde.

      • Avatar of rebeccadrees

        rebeccadrees 2:10 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Volgens mij is dit voor iedereen die zich begeeft in de geesteswetenschappen een herkenbaar probleem. Nou ja… probleem. Het is een obstakel. Mensen kunnen gewoon eerder een vakgebied begrijpen die duidelijke rules and regulations hanteert. Iets wat dichterbij het praktijk staat en dus met gemak uitgelegd kan worden. Neem Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Recht enz enz. Allemaal wetenschappen die zich ontfermen over de feitelijke vraagstukken die de wereld opwerpt. Wij zijn bezig met het grijze gebied, het filosoferen en kritiek leveren van alles wat deze wetenschappen stellen. Waar het achteraf voor nodig is is natuurlijk de vraag. Hebben we werkelijk mensen nodig die heel een film uit elkaar kunnen halen en diepliggende psychologische structuren en motieven kan analyseren? Wat nut heeft die voor de maatschappij? Ik denk dat we hierin blijven steken… wat is ons nut voor anderen? Doctors, scheikundigen, natuurwetenschappers, die hebben allemaal een functie voor de maatschappij…. wij lijken maar een beetje maar wat te lullen en hebben blijkbaar alleen functie voor de Universiteit en andere academici die vervolgens elkaars werken kan gaan lezen en bekritiseren. Uiteindelijk zullen wij een van de twee kanten van het vak kiezen, verder gaan in onderzoek (alleen nuttig voor de Universiteit) of een baan in een gerelateerd gebied wat waarschijnlijk uiteindelijk weinig vereist van ons filosoferend vermogens. Er is dus een toekomst omdat het instituut altijd zal blijven bestaan voor ons.

    • Avatar of Anne van der Klift

      Anne van der Klift 5:56 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Interessante discussie is hier gaande! En natuurlijk komen deze gesprekken mij bekend voor. Of het een probleem is, ligt denk ik meer aan je eigen karakter en beeld van de studie. Ik zeg vaak tegen mensen (voor een groot deel ook om er maar gewoon van af te zijn) ‘ik heb geen idee wat ik ermee wil gaan doen, je kunt zoveel kanten op, maar ik vind het in ieder geval leuk’. Dit klopt helemaal, want ik heb het gevoel dat ik mij blijf verrijken en dat ik me kan ontwikkelen tot een slim, kritisch en openminded mens. Toch ga ik soms de discussie aan, want ik wil het liefst gewoon mijn gelijk krijgen, laten zien dat mijn studie niet ‘simpel’ of ‘nutteloos’ is. Ik heb ook geen idee wat mijn filmanalyse andere mensen kan brengen, maar ik wil gewoon niet toegeven dat dit dan betekent dat het daarom nutteloos is. Misschien is het een meer zelfzuchtige kant van de wetenschappen: meer gericht op de eigen ontwikkeling dan die van andere mensen?

      Als mijn gedachten weer eens de strijd aan gaan van wat ik wil, wat ik kan en wat ik zou moeten doen, breng ik het uiteindelijk tot een einde door tegen mezelf te zeggen dat ‘ik het leuk vind en daar gaat het om’. En dan proberen daar niet weer over te gaan filosoferen. Bovendien denk ik soms ook: als al die ontzettend grote namen in dit vakgebied filosofeerden, moet het het toch zeker waard zijn!

      Bij mij ligt het ‘probleem’ of obstakel dus meer bij mijn eigen twijfels en gedachtegangen dan aan de acceptatie van de geesteswetenschappen door familieleden en vrienden.

      • Avatar of Ilika Polderman

        Ilika Polderman 2:05 pm on November 9, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Anne,
        Zoals ik hierboven lees hebben meer studenten er last van dat ze zelf niet het nut inzien van hun eigen studie. Misschien is het ook prettig voor jezelf om daar over na te blijven denken. Want pas dan zie je de mogelijkheden die je studie kan bieden voor andere mensen.
        Jou filmanalyse zou kunnen aantonen hoe mensen onbewust beïnvloed worden door een film en daarom hun politieke voorkeur veranderen. Je kan aantonen dat er gemanipuleerd wordt met het medium. Ook kan je bijvoorbeeld in reclame zien wat wel en niet werkt en commercieel gaan denken. (hoewel dat volgens mij niet het doel is van veel wetenschappers)
        Wij leren vrij en kritisch denken en dat kunnen we op heel veel verschillende manieren in de maatschappij toepassen.
        ik hoop dat je gaat zien waar de vele mogelijkheden van je studie en jou liggen. Zodat je baan net zo leuk wordt als je studie.

    • Avatar of ellenswart

      ellenswart 6:34 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Ilika,

      Laat ik het ook maar even zeggen: ook voor mij erg herkenbaar. Maar ik vraag me af of je het begrip van de mensen ook zou kunnen sturen. Ik denk namelijk dat mensen (die zelf niet binnen de geesteswetenschappen studeren) minder waarde hechten aan moderne culturele objecten dan aan ‘de klassiekers’. Als jij bijvoorbeeld zou vertellen dat je de religieuze riten onderzoekt, kun je denk ik al op veel meer sympathie rekenen. Misschien staan mensen niet zo stil bij de rijke geschiedenis die het theater heeft. De hedendaagse kunst wordt denk ik vooral als populair gezien, wat dus ook invloed heeft op de associaties die mensen hebben bij jouw studie..

      Overigens ben ik nog wel erg nieuwsgierig naar het nut dat literatuurwetenschap kan hebben voor een ziekenhuis.. :)

      • Avatar of Ilika Polderman

        Ilika Polderman 1:59 pm on November 9, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Heey,
        Het nut van bijvoorbeeld theater binnen een ziekenhuis is meer gebaseerd op de ervaring die patiënten hebben binnen een ziekenhuis. Ik ken zelf veel geneeskunde studenten en via via heb ik een hoofdstuk uit een boek (Disney in uw ziekenhuis, ik weet helaas even de schrijver niet uit mijn hoofd, maar als je wilt kan ik het nog voor je opzoeken.)
        maar goed in dat boek (hoofdstuk 6) stond een stuk over het theater in het ziekenhuis. Dat als artsen en verplegers zich theatraler opstellen de patiënt een positiever beeld houd aan het bezoek aan een ziekenhuis. En dat dit positieve, ondanks de toch al negatieve lading van een ziekenhuis, toch positief ingesteld blijft en dit ook het genezingsproces en geestelijk welzijn van een patiënt verbetert.
        Als theaterwetenschapper zou ik binnen de discipline theater kunnen blijven, maar ik houd ervan om juist verder te kijken wat theater kan doen binnen de maatschappij. Zelf doe ik vrijwilligerswerk in het ziekenhuis en ik merk dat mijn bezoekje bij mensen om ze te vragen of ze naar de kerk willen, ook al een heel positief effect heeft. Ook op bijvoorbeeld de omstanders. Maar niet ieder ziekenhuis heeft dezelfde instelling, en geesteswetenschappers van alle disciplines kunnen volgens mij juist helpen om buiten het boekje te denken om zo bijvoorbeeld de zorg te verbeteren. Dokters zelf zullen daar minder snel aan denken, omdat hun prioriteit ligt bij het lichamelijk genezen.
        Een ander voorbeeld is dat theater zou kunne kijken naar de rituelen als een kerkdienst en hoe die overeenkomsten hebben met andere religieuze rituelen. En daar weer overeenkomsten in kunnen aanwijzen.
        Of neem de literatuur, gezien de meesten mensen hier literatuurwetenschappers zijn. De hedendaagse politiek zorgt voor veel verdeeldheid binnen het land en ook zijn de discussies over allochtoon en autochtoon vaak erg verhit. Een boek kan een lezer meer begrip laten krijgen voor een andere cultuur, omdat hij zich kan identificeren met de hoofdpersoon zonder dat de hoofdpersoon de lezer beoordeelt op zijn mening. Het is een fijn stil medium, wat de lezer tot zich kan nemen en rustig kan nadenken over de stof, zonder een gesprek aan te moeten gaan met bijvoorbeeld een moslima. Zo een gesprek brengt altijd lading met zich mee. En een boek niet.
        De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover. De manier waarop Wilders in de media wordt neergezet heeft invloed op zijn partij. En zo ook weer op de politiek en op ins dagelijks leven. Een politicoloog zou dat kunnen bestuderen, maar een mediawetenschapper kan daar een andere kijk op hebben. En een literatuurwetenschapper kan mensen laten zien dat ze niet altijd hoeven te geloven wat op tv is, maar dat een boek ook inzicht bied.
        Misschien wordt ik door mijn enthousiasme nu onbegrijpelijk. Maar mijn punt is voornamelijk dat de geesteswetenschappen met iedere discipline die ze bestudeert weer een eigen ding kan toevoegen aan de maatschappij. En dat ze ook zeker nodig zijn.
        Ik vind het erg jammer dat veel studenten uit de geesteswetenschappen zelf het nut niet inzien van hun eigen studie. Het bestempelen als een luxe studie. Want de geesteswetenschappen zijn voor mij veel rijker dan alleen en kijken naar een bepaald medium en er over denken. Wij leren als wetenschappers filosofisch denken en buiten het boekje te kijken. En dat is soms juist wat de maatschappij nodig heeft. De andere studies leren hun studenten de feiten die in de loop van de tijd ontwikkeld zijn. En de geesteswetenschappen leren hun studenten zichzelf te ontwikkelen en altijd anders te blijven denken, zodat er een ander licht geworpen kan worden op die feiten.

    • Avatar of nadja

      nadja 1:44 pm on November 8, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi,

      Ik denk dat je met je essay echt een belangrijk punt aanwijst. Wij, als aankomende geesteswetenschappers worden vaak minder serieus genomen, ik denk ook doordat onze studie niet zo op de praktijk is gericht.
      Daarnaast ben ik het zeker met je eens dat ook een geesteswetenschappelijk studie effect op andere (vak)gebieden kan hebben. Jij noemt in je tekst dat ook geesteswetenschappen een invloed op een ziekenhuis kunnen hebben. Wat bedoel je hier precies mee?Ik kan mij wel voorstellen dat er invloed is, want die is er toch altijd op een bepaalde manier, maar ik kan mij er geen concreet beeld bij vormen.

      Groetjes, Nadja

  • Avatar of liespeeters

    liespeeters 12:43 am on October 31, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment  

    ‘All men are intellectuals’ 

    Het bovenstaande citaat is van de Italiaanse filosoof Antonio Gramsci uit zijn tekst de The Intellectuals. Volgens Gramsci kan men spreken van ‘intellectueel’ maar daarentegen kan men niet spreken van een ‘niet-intellectueel’. Als er wordt gesproken over intellectuelen en niet-intellectuelen wijst men volgens Gramsci uitsluitend naar de sociale functie van de beroepsintellectuelen. Hiermee bedoelt hij de kant waar de professionele activiteit heen gaat; die van intellectuele of fysieke inspanning.[1]In The Intellectuals beweert Gramsci dat elke sociale groep een eigen ‘intellectueel’ heeft. Deze persoon neemt de sociale functie van intellectueel in groep in en heeft technische capaciteiten tot zijn beschikking; ‘he must be an organiser of masses of men, he must be an organiser of the confidence of investors in his business’. Deze persoon wordt ook wel ‘organische intellectueel’ genoemd. Ze geven de groep homogeniteit en maken de groep bewust van de economische, sociale en politiek functie. De nieuwe sociale groep die organische intellectueel leidt, wordt geconfronteerd met bestaande groepen die de ‘status-quo’ vertegenwoordigen. Kan er nog in de hedendaagse maatschappij nog wel worden gesproken van sociale groepen ?
    Als we kijken naar het aspect van de ‘social group’ die Gramsci in zijn betoog meerdere malen noemt, lijkt de filosoof het te hebben over een sociale klasse. Hij heeft het over elke sociale groep ‘die een functie vervult op het gebied van economische productie’. Elke sociale groep heeft een intellectueel die de groep bewust maakt op sociale, politieke en economische gebieden. Toch is het moeilijk om concreet een sociale groep aan te wijzen. Een voorbeeld hiervan is de zwarte gemeenschap. In het college hadden we het over de ‘zwarte gemeenschap’, die in de tekst van Cornel West voorkwam, als sociale groep. Als we kijken naar de definitie die Gramsci gebruikt, is de zwarte gemeenschap geen sociale groep. De zwarte gemeenschap is niet per definitie een homogene groep mensen, die allemaal deel uit maken van de onderlaag van de samenleving en op economische gebied in hetzelfde parket zitten. Natuurlijk zijn er wel vergelijkingen tussen verschillende gekleurde mensen te trekken maar over het algemeen is huidskleur het enige wat overeenkomt.
    In de tijd van de verzuiling kon er duidelijk worden gesproken van sociale groepen met ieder zijn eigen intellectuelen. Toch zijn we al ruime tijd voorbij deze ontwikkeling en leven we in een multiculturele en gemengd sociale samenleving. Nu zitten de kinderen van de zoon van de Turkse gastarbeider naast de zoon van de bankdirecteur. Kunnen we in de moderne samenleving nog spreken van sociale groepen met een eigen organische intellectueel ? De politieke partijen en hun stemmers kunnen we misschien als een sociale groep mensen zien maar ook hier is er geen sprake van een homogene klasse mensen. De groep die bijvoorbeeld op Geert Wilders stemmen kan niet worden gezien als een sociale groep. De stemmers bestaan uit intellectuelen, laaggeschoolden, jongeren, ouderen etc. Als hier het idee van discoursen van Foucault aan wordt gekoppeld, kan er worden gesproken van een overlapping in discoursen. Deze heterogene groep heeft een discours wat ze allemaal delen, de ideeën van Geert Wilders.
    Kortom kunnen we zeggen dat het ideeën van Gramsci niet meer past in de hedendaagse maatschappij. Op papier lijken ze logisch voor een echte klassensamenleving maar in de moderne praktijk kan men niet meer spreken van sociale groepen. Waarom spreken we überhaupt van groepen in een moderne samenleving ? Elk individu hoort bij zoveel verschillende discoursen. Natuurlijk kunnen er altijd groepen worden gezien in een maatschappij; zigeuners, christenen, allochtonen, campers, hippies etc. Toch trekken deze groepen geen organische intellectuelen aan die de groep bewust maken van hun economische, sociale en politieke functie.

     
    • Avatar of floork

      floork 9:24 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Dat het lastig is om van een homogene sociale groep zoals jij die definieert aan te wijzen ben ik met je eens. Maar het valt me op dat je een aantal voorbeelden noemt die volgens mij niet helemaal met elkaar te vergelijken zijn. Zwarte, of allochtone intellectuelen hebben er niet voor gekozen om deel uit te maken van de sociale groep waar ze bij horen, terwijl hippies of christenen wel een bewuste keuze maken voor een bepaalde levensstijl waardoor ze in een sociale groep ingedeeld worden. Moet hier geen onderscheid in gemaakt worden?

    • Avatar of jwhiah

      jwhiah 11:11 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Lies!

      om nog verder door te gaan op Floor hierboven, wil ik eigenlijk aanvullend zeggen dat ik ook de mening deel dat er inderdaad geen homogene groepen bestaan. Maar is een groep ooit wél homogeen? Individuele verschillen blijven altijd tussen de verschillende groepsleden bestaan, maar dit betekent niet dat er geen (sociologische) factoren aan de grondslag staan van een bepaalde groep, of dat de leden binnen deze groep niet bepaalde kenmerken met elkaar delen. Ook het beleid van een rechtsstaat is op een bepaalde manier ingericht dat er beleid wordt gevoerd op groeperingen/ sociale groepen.

      Je stelt ‘Waarom spreken we überhaupt van groepen in een moderne samenleving’?

      Door slechts uit te gaan van het individuele ga je voorbij aan fenomenen die wel op een macro niveau te duiden zijn.

    • Avatar of Rowan

      Rowan 2:16 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hee Lies!

      Ik sluit me aan bij de bovenstaande reacties, dat volgens de definitie die jij stelt dat er geen homogene groepen bestaan. Maar ik vraag me af waarom we de samenleving in moeten delen in groepen? En als we het in groepen indelen er problemen ontstaan? Zoals in Coetzee’s boek ook naar voren komt in een passage van Elizabeth Costello, waarom moeten we kiezen, waarom zijn verschillen slecht en moeten we als gelijk worden gezien. We worden in hokjes gestopt, er wordt een label op ons geplakt, en afgezien van onze individuele eigenschappen worden we onder een noemer van een bepaalde groep gezet. Zoals zwarten, islamitische mensen, rappers enz. Floor heeft echter een goed punt, omdat het ook draait om een keuze. Zwarte mensen hebben er niet voor gekozen om zwart te zijn, maar kunnen er wel voor kiezen om als rappende christen door het leven te gaan.

      Keuze en het indelen van groepen horen naar mijn mening bij elkaar, maar verschillen daarnaast ook zo veel van elkaar dat het een lastig vraagstuk blijft. Aan de ene kant willen christenen ook bestempeld worden als christenen, omdat ze ervoor hebben gekozen. Zwarten zijn bijvoorbeeld ook vaak er trots op om zwart te zijn, alhoewel ze er niet voor gekozen hebben. Het probleem wat dan echter naar boven komt is dat als zwarten of islamieten worden ingedeeld in groepen en er een label op wordt geplakt, ze direct worden bekritiseerd of zelfs (zoals de geschiedenis heeft laten zien) worden gediscrimineerd.

      Ik denk dat het een combinatie blijft, we zijn een individu, maar horen altijd bij een groep. Wij zijn bijvoorbeeld studenten en Nederlanders. Maar daarnaast blijven we individuele eigenschappen hebben die kunnen afwijken van de overheersende groep.

      • Avatar of Daphne Boutens

        Daphne Boutens 11:21 pm on November 11, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Rowan, die laatste paar zinnen maken precies duidelijk wat ik ook al dacht tijdens het lezen van dit essay en alle reacties erop. Aan de ene kant heb je dus de sociale klasse of groep waartoe je behoort, en aan de andere kant wil je niet dat er een label op je geplakt wordt, je gestereotypeerd of gediscrimineerd wordt.

        We willen zelf graag bij een groep horen, omdat we dat fijn vinden. We zijn kudde dieren. Dan kies je ervoor naar de Katholieke kerk te gaan of je voelt je verbonden met je mede Nederlanders. Wat het tot een groep maakt, is dat iedereen in ieder geval 1 ding gemeen heeft. Katholiek zijn, of Nederlander, of allebei.

        Daarnaast willen we ook als individu gezien en gekend worden. We zijn niet alleen Nederlander, we zijn nog veel meer. Die homogeniteit willen we dus eigenlijk helemaal niet. En die is er ook niet.

    • Avatar of Anne van der Klift

      Anne van der Klift 7:24 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik sluit me ook bij de bovenstaande reacties aan. Mensen in hokjes stoppen/in groepen indelen, het is een heel menselijke en natuurlijke gewoonte. Hoe spreek je anders over andere mensen. Hoe duid je studenten aan zonder ze ‘de studenten’ te noemen? Hoe kun je praten over immigranten als we ze niet allemaal in één groep kunnen indelen? We zijn het er dus over eens dat deze groepen wel moeten blijven bestaan, ook in de moderne samenleving.

      Maar ik vraag me inderdaad af: is het ooit anders geweest? En wat zegt dit dan over Gramsci’s tekst? Dat hij het niet zo nauw nam met zijn idee van een sociale groep? Of dat het misschien verkeerd geïnterpreteerd wordt?

    • Avatar of FlorisPieterse

      FlorisPieterse 12:25 am on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Lies,

      Ik sluit me eveneens aan bij de bovenstaande reacties, maar denk dat je Gramsci’s identiteit als rechttoe rechtaan Marxist niet genoeg laat meetellen in je definitie van ‘sociale groepen’. Daarmee bedoel ik dat bij het Marxisme (of tenminste voor zover als ik het Marxisme begrijp) een sociale groep of klasse meer gedefinieerd wordt door het inkomen dan ras of religie. En als dit het geval is valt onze maatschappij zeker nog in te delen in groepen of categoriëen, cijfers liegen uiteindelijk niet. Alleen omdat ze geen wekelijkse vergaderingen rond een tafel houden betekent niet dat iedereen die voltijd minimumloon verdient niet tot dezelfde categorie behoort.

      Het is wel zo dat hoe zwaar klasseverschillen meetellen erg verschilt per land of cultuur. Een goed voorbeel is Engeland, waar het klasseverschil toch nog erg merkbaar is (alhoewel het een eeuw geleden vanzelfsprekend een hoop erger was)

    • Avatar of nikkidekker

      nikkidekker 2:30 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Lies,

      ik geloof dat je gelijk hebt dat geen enkele groep homogeen is, en ik geloof dat de andere reactoren (reacteuren? mensen die hebben gereageerd) gelijk hebben in hun stelling dat ‘hokjesdenken’ zowel menselijk als destructief is, en het leidt tot een wij-zij denken. Ik wil graag weer eens verwijzen naar Gloria Wekker (http://www.caleidoscopia.nl/page25.php);

      “Hebben we het over klasse, tenslotte, dan dient opgemerkt te worden dat dit een categorie is die in het algemeen in de laatste jaren niet de aandacht gekregen heeft die noodzakelijk is. De samenleving bestaat uit verschillende klassen, -welk criterium men daarbij ook hanteert, opleiding, inkomen, afkomst of een combinatie van deze factoren – maar in weinig statistieken zien we die werkelijkheid terug.”

      Ik ben het absoluut niet met je eens als je schrijft dat we ruime tijd voorbij de sociale groepen zijn, dat we ons in een gemengde sociale samenleving bevinden. Het is heel Nederlands om aan te nemen dat we geen verschillen zien, dat er bij ons geen klassen zijn, maar er zijn wel degelijk grote economische en statusverschillen tussen bepaalde groepen in de Nederlandse bevolking. Dat zowel hoger als lager opgeleiden op Wilders stemmen, maakt hun opleidingsniveau nog niet onbelangrijk. Ik heb hier al eerder over geschreven met betrekking tot zwart-wit denken, en veel mensen vinden dat ik binaire opposities vaststel, maar ik geloof echt dat de tijd nog niet daar is om voorbij te gaan aan zulke grote verschillen als de Nederlandse families die twee auto’s en een flatscreen hebben (die vaak ook al hun kinderen naar de HBO/universiteit sturen) en die waar beide ouders werken (als postbode en overblijfjuf) en de eindjes maar net aan elkaar kunnen knopen. Als je weet dat zulke verschillen in Nederland bestaan, kun je niet eerlijk zeggen dat sociale klassen geen rol meer spelen in de hedendaagse maatschappij.

      • Avatar of jwhiah

        jwhiah 6:40 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        1. P&P (praktijk en persoonlijk) Laatst had ik en gesprek met een bestuurslid van een bepaald overkoepelend studentenorgaan in de geesteswetenschappen. Het onderwerp van de studiefinanciering werd aangesneden. Haar claim was ‘wie heeft nou aanvullende studiefinanciering’. Kennelijk niemand in haar omgeving. ‘In wat voor omgeving bevind zij zich dan?’ Vroeg ik mij af. Ik ken namelijk genoeg studenten die een aanvullende beurs ontvangen en die ook aan de universiteit studeren. Dit kleine bewustzijnsverschil geeft toch al aan dat de persoon in kwestie zich in een bepaald segment bevind waar zij niet in aanmerking komt met studenten die een aanvullende studiebeurs nodig hebben. Dit klinkt pietluttig, maar ik was zo verbaasd door haar uitspraak.

        2. Helaas hebben klassenverschillen in deze tijd ook vaak te maken met etnische- culturele verschillen. Als je kijkt naar het gemiddelde inkomen van een ‘witte wijk’ in Rotterdam en vergelijk dit maar eens met een wijk waar 60% (bv: delfshaven, afrikaanderwijk) geregistreerd staat als niet- westerse allochtoon. Vergelijk beide gemiddeldes eens met het algemeen gemiddelde van Rotterdam (waarvan 40% allochtoon is…). Je ziet een aanzienlijk verschil. Kijk je naar andere variabelen (sociaal economische status, mobiliteit, verloedering/ diefstal/ geweld/ aantal alleenstaanden/ drugshandel) in de wijken, dan zie je nog meer verschil!
        Doe je dit ook in het onderwijssysteem, kijk je naar de kwaliteit van het onderwijs, dan zul je eenzelfde resultaat vinden. Ongelijkheid bestaat zeker, en is ook zeker niet altijd te reduceren tot etnische achtergrond, ook al geef ik hier weer voorbeelden van.

        3. Het fameuze televisie programma Oh- OH Chersoooo.

        P.S. Ik profileer mezelf nu echt als iemand die zich bezig houdt met dergelijke kwesties, maar dat komt vast omdat ik tussen bepaalde, verschillende discoursen sta… (culturele clash? clash van disciplines? je ne sais pas!)

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 8:23 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Lies,

      Om het ten eerste te hebben over de zwarte gemeenschap. Ik denk dat Cornel West, wanneer hij het heeft over “de zwarte gemeenschap”, hij het specifiek heeft over de afro-amerikaanse gemeenschap. Ik heb zelf een zwarte huidskleur, en naar mijn ervaring bestaat er in Nederland echt niet zoiets als één “zwarte gemeenschap”. Ik heb zelf een Afrikaanse achtergrond, en ik kom waarschijnlijk net zoveel of net zo min in contact met bijvoorbeeld een Surinamer (met een zwarte huidskleur) als elk ander persoon met een andere huidskleur. In Amerika zijn de meeste zwarte mensen afro-amerikaans, maar in Nederland hebben niet alle zwarte mensen dezelfde etnische of culturele achtergrond. Naar mijn idee is er dus überhaupt niet eens sprake van een “zwarte gemeenschap”, laat staan dat dit een homogene gemeenschap is. Vanuit deze gedachte, denk ik dat er al hélemaal niet van “een allochtone gemeenschap”gesproken kan worden.

      Toch denk ik wel dat er sprake is van het concept “gemeenschap”. Met de tijd is iedereen dan wel meer individualistisch gaan leven, en zich gaan interesseren in meerdere en verschillende discoursen. Ik denk echter dat gemeenschappen er nogsteeds zijn, maar dat mensen zich steeds meer in meerdere gemeenschappen bevinden. Je kan christen én hippie én kampeerder zijn.
      Vroeger waren gemeenschappen meer allesomvattend: Als je katholiek was had dat niet alleen betrekking op je geloofsovertuiging, maar ook op welke krant je las, welke radiozender je luisterde en naar welke televisieomroep je keek. Tegenwoordig is dat niet meer zo sterk. Het is niet meer zo dat iedereen in de katholieke gemeenschap ‘s avonds hetzelfde programma kijkt
      Gemeenschappen bestaan er naar mijn idee dus nog wel, maar ze sluiten elkaar niet meer zo uit als vroeger.

    • Avatar of Ilika Polderman

      Ilika Polderman 10:34 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Audry,

      Ik vind het interessant dat je wijst op het verschil tussen de “zwarte” gemeenschap in Amerika en de “zwarte” gemeenschap (hoewel we het inderdaad niet zo kunnen noemen, zoals jij al betoogd.) in Nederland. Dat in Amerika mensen dezelfde achtergrond hebben heeft er door o.a. de media blijkbaar voor gezorgd dat wij in Nederland ook zo zijn gaan denken. In bijvoorbeeld Amerikaanse films wordt vaak gesproken over een “zwarte” gemeenschap. (Malibu’s most wanted, Undecover brother) waar “blanken” niet tussen passen. Maar dit geld niet gelijk voor Nederland. Het is goed dat we ons daar van bewust blijven.

    • Avatar of maartje

      maartje 1:42 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey Lies,
      Goed punt maak je. Toch zou ik er op willen reageren omdat mij enkele punten opvielen. Volgens jou is de vraag of er nog wel sociale groepen bestaan een zeer belangrijke vraag. Dit is zo inderdaad, maar de letterlijke vertaling van de eis van Gramsci ligt misschien ingewikkelder. Het bestaan van prolitariaat kan inderdaad in twijfel worden getrokken, maar ondanks dat was het enige wat ze volgens gramsci gemeen hadden de sociale, economische factoren. Dit wil echter niet zeggen dat alle groepen die niet gelijkmatig zijn in sociaal economische omstandigheden geen sociale groep meer zijn. Volgens mij doelde Gramsci slechts op het prolitariaat vanuit het Marxisme maar dit kan ook op andere groepen worden toegepast. Die toepassing geld echter volgens mij niet voor bijvoorbeeld subculturen. Het gaat hier namelijk om een macht die men wil verkregen. Wanneer de intellectueel opstaat is dat om de situatie te verbeteren van de groep/het prolitariaat. Net als wilders dat doet met zijn aanhangers. Het prolitariaat en zijn bestaan is verandert door populaire media en toegangsprincipes, dus dat onderscheid is verandert, maar dan nog is er sprake van een prolitariaat. Ze zijn alleen niet meer zo behoeftig voor een revolutie. Anderen wel, en de situatie die Gramsci schetst kan ook op deze groepen worden toegepast naar mijn idee. Wat denk jij?

      • Avatar of liespeeters

        liespeeters 4:00 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Maartje, ik wilde inderdaad eerst een essay schrijven over de ”henk en ingrid”-groep waar Wilders het vaak over heeft. Hierbij wilde ik Wilders betrekken als organisch intellectueel van deze ”henk en ingrid”-groep. Toch heb ik dit niet gebruikt omdat ik het idee had dat Wilders-stemmers geen sociale groep zijn omdat het gaat om verschillende lagen in de bevolking. (zowel intellectuelen als ‘henken en ingrids’ stemmen op Wilders..toch denk ik dat de laatste groep groter is dan de eerste maar dit terzijde). Ik denk dus dat je de aanhangers van Wilders ziet als een sociale groep is dus verkeerd. Daarnaast heb ik niet het idee (als we uit gaan van Gramsci’s organische intellectueel) dat Wilders is opgestaan uit een discours van traditionele intellectuelen. Hij heeft zich aangepast aan de tijd. Volgens mij zei Wilders voor de aanslagen in New York nog ”er is niks mis met de Islam”.

        • Avatar of jasperdonkers

          jasperdonkers 6:30 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik denk dat de discussie rond het bestaan of het niet-bestaan van sociale groepen een vrij vruchteloze discussie is. Homogeniteit is onmogelijk wanneer je bepaalde groepen mensen als sociale groep categoriseert. Een perfecte vorm van inductie is simpelweg onmogelijk, dit zegt echter niet dat zij onnodig is. Als wij iets over een bepaalde groep mensen willen zeggen, of informatie willen achterhalen over deze groep is de inductie nou eenmaal nodig. Zonder deze houvast in de categorisering van groepen is discussie en onderzoek moeilijk of zelfs onmogelijk. De term ‘sociale groep’ is daarom ontzettend breed, deze grote speling in betekenis is denk ik ook nodig willen wij iets zeggen. Wat mij betreft is de groep Wilders-stemmers dan ook bruikbaar als sociale groep om onderzoek naar te doen, onafhankelijk van de onderlinge verschillen die zij hebben in inkomen of culturele bagage.

        • Avatar of sverest

          sverest 10:56 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Je zegt: “daarnaast heb ik niet het idee [...] dat Wilders is opgestaan uit een discours van traditionele intellectuelen.” Dat denk ik ook niet. Ik denk dat Wilders, in Gramsci’s woorden, een zogenoemde ‘organic intellectual’ is. Hij is altijd een beetje op de achtergrond gebleven en maakte toen opeens zichtbaar wat altijd onzichtbaar was geweest: de islam als bedreiging voor de Nederlandse staat (Ik ben het hier dus absoluut niet mee eens, maar zo zagen (en zien!) mensen Wilders wel, als degene die dat heeft durven uitspreken, zichtbaar heeft durven maken). Wilders heeft eigenlijk Gramsci’s ideeën in tegenovergestelde richting nagevolgd. Hij heeft zich hierin alleen niet afgezet tegen de massa, maar tegen de elite. Weg met de linkse hobby’s en zorgen voor Henk & Ingrid. Hij heeft dus gebroken met de traditie en probeert de band met ‘het gewone volk’ te verbeteren. Maar in wezen doet hij wel datgene dat Gramsci de ‘organic intellectual’ toeschrijft. Hij vindt zijn eigen identiteit: de eigen agenda, ideeën (oftewel: afzetten tegen moslims); maakt zichtbaar wat altijd onzichtbaar is geweest (moslims zijn een bedreiging voor Nederland) en ‘voegt’ die ideeën ‘toe’ aan de al heersende intellectuele traditie (de VVD begint nu ook al racistische neigingen te vertonen). In die zin zou ik Wilders dus als ‘organic intellectual’ willen bestempelen.

    • Avatar of nadja

      nadja 1:53 pm on November 8, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi,

      ik sluit mij ook aan bij de eerste reacties op jouw tekst. Mensen in groepen indelen is iets heel menselijks en hoe wil je inderdaad over een bepaald deel van de samenleving spreken. Je moet er op een of andere manier wel een labeltje opplakken. Daarnaast is er nog steeds spraken van discriminatie, dus zijn er groepen.
      Aan de andere kant vraag ik mij ook af of in onze samenleving (daar gaan we al met de labeltjes) niet zoveel culturen al met elkaar verbonden en vermengd zijn, dat het in grepen indelen wel lastig is geworden. Ook in inze studie zijn zoveel studenten met een andere achtergrond dan de “gewone nederlandse” achtergrond. En deze kunnen toch wel weer nieuwe invloeden brengen. Andersheid of het buitenvallen uit een discours, dat is er toch altijd?

      Groetjes, Nadja

  • Avatar of thomashvv

    thomashvv 9:06 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment  

    De kracht van hiphop 

    Door Thomas Heerma van Voss

    William Edward Burghardt Du Bois streefde naar gelijkheid tussen de zwarte en witte bevolking. Om dat te verwezenlijken moest er, zo meende de in 1867 geboren socioloog, feller worden gehandeld dan men gewoon was. Waar de vooraanstaande zwarte politieke leider Booker T. Washington – een tijdgenoot van Du Bois – meende dat assimilatie van de zwarte bevolking nodig was om op gelijke voet te komen met de blanke, daar was Du Bois overtuigd van het tegendeel: juist door zich te distantiëren van de blanken en een eigen cultuur te creëren (ook wel het Pan-Afrikanisme genoemd) kon de zwarte zich ontworstelen aan de blanke hegemonie.
    In de loop van de twintigste eeuw is deze discussie – met als kernvraag of distantie of assimilatie nu het beste is voor gelijke rechten tussen zwart en wit – vaak gevoerd; geregeld kwamen er hierbij nieuwe namen en stellingen bij, en verdwenen er weer oude – en toch is er, basaal bekeken, weinig veranderd. Zo lagen vijftig jaar na het meningsverschil tussen Du Bois en Washington vrijheidsstrijders Malcolm X en Martin Luther King met elkaar overhoop in een soortgelijk conflict: terwijl King algeheel pacifisme nastreefde, liet Malcolm X het Pan-Afrikanisme een radicaal hoogtepunt bereiken met talloze opvattingen over blanke onderdrukking tegenover zwarten – opvattingen die zelfs zo ver gingen dat hij pleitte voor een eigen land voor zwarten, als tijdelijke maatregel tot ze met zijn allen konden terugkeren naar Afrika.
    De vraag blijft: hoe kan de zwarte bevolking het best aangesproken worden? Door mannen zoals X, waarmee zwarten zich over het algemeen gemakkelijk kunnen identificeren omdat ze na jaren zwoegen, hustlen, gevangenschap en zonder universitaire opleiding zijn opgeklommen tot volksvertegenwoordigers? Of is het gebruiken van een zachtere benadering, zoals de intellectuele Washington doet, die een plekje veroverde binnen de zogeheten academische wereld (doorgaans toch het kanaal van hoogopgeleide blanken), uiteindelijk de beste manier om iets wezenlijks te veranderen met betrekking tot de zwarte gemeenschap?
    Cornel West lijkt zichzelf deze vraag ook te hebben gesteld. Als academicus had hij een groot en ontwikkeld bereik, en tot midden jaren negentig publiceerde hij dan ook regelmatig wetenschappelijke artikelen – maar, zo bleek bij een aanvaring met Harvard-hoofd Lawrence Summers in 2000, na een tijdje schreef West amper nog iets. Wat hij tot ieders verbazing wel deed, was een hiphopalbum uitbrengen.
    In zijn The Dilemma of the Black Intellectual merkt West al op dat er binnen de zwarte gemeenschap geen sprake is van intellectuele continuïteit, wat Gramsci als voorwaarde ziet om tot de intellectuele bovenlaag te behoren, maar juist van discontinuïteit: de gebieden waarop bij de zwarten een traditie is, zijn niet intellectueel van aard. Denk aan de predikantengeschiedenis, jazz, blues of natuurlijk hiphop: het moderne equivalent van dit alles, waar West zich sinds 2000 dus ook veelvuldig op heeft gestort.
    Hiphop is een betrekkelijk jong muziekgenre, dat sinds begin jaren tachtig enorme delen van de zwarte gemeenschap aanspreekt – zowel in Amerika als daarbuiten. Naar de buitenwereld toe ziet het er soms uit alsof het genre gedomineerd wordt door materialisme en vrouwonvriendelijkheid, maar wie iets verder kijkt merkt dat het genre vol zit met artiesten die opkomen voor (zwarte) minderheden en zich verzetten tegen blanke hegemonie. In zijn artikel Hip-hop Turns 30: Whatcha Celebratin’ For? beschrijft Greg Tate de hiphop dan ook als een product van de Pan-Afrikaanse traditie. Hij schetst hiphop als een manier om één identiteit onder de zwarte bevolking te krijgen, om een internationaal Afrika te schetsen.
    De crux is nu: juist binnen hiphop groeien blank en zwart steeds meer naar elkaar toe. De albinorapper Brother Ali staat tegenwoordig samen met Freeway – een zwarte held voor veel kinderen in getto’s – op het podium, terwijl Eminem rondtoert met praktisch alle (zwarte) zwaargewichten uit de hiphopgame zonder dat het begrip huidskleur ook maar even genoemd wordt. Er is, kortom, een zekere eenheid binnen deze zwarte subcultuur gekomen; juist binnen het gebied waarin West zich (tijdelijk) afzonderde van zijn academische wereld, om de zwarte gemeenschap direct aan te spreken, is inmiddels ook plaats gekomen voor blanken. Malcolm X zou er gezien zijn gedachtegoed waarschijnlijk niet blij mee zijn, maar het is wel het doel dat in den beginne door alle zwarte vrijheidsvechters werd nagestreefd: gelijkheid. Ik wil nu niet zo ver gaan en zeggen dat die gelijkheid er volledig is, maar via het opzetten van een geëngageerd eigen kanaal – want dat is toch wat hiphop min of meer is – is de gelijkheid nu wel dichterbij dan ooit. Uiteraard werden er eerder ook al genoeg radicale opvattingen geuit, en uiteraard waren er ook al eerder pogingen tot saamhorigheid – zie alleen al respectievelijk Du Bois en King tegenover Washington en X – maar het verschil met hiervoor is: binnen hiphop is er plaats voor blanken. Er ontstaat dus ook bij de meest kritische teksten binnen het genre niet meteen een tweedeling, omdat er niet meer volledig afzonderlijke kampen zijn. Je hier tegenin kunnen brengen dat het om laag- en hoogopgeleid gaat, maar ook dat is niet zozeer aan de orde – zie bijvoorbeeld de blanke rapper Sage Francis, die keurig zijn academische diploma’s op zak heeft maar toch liever de show steelt bij door zwarten gedomineerde freestylebattles. Zijn het uitzonderingen? Dat zou kunnen, maar meer dan dat lijkt er mee te worden aangegeven dat er niet meer sprake is van een strikte scheiding; Washingtons gehoopte assimilatie is in zekere zin ingetreden, alleen via een omgekeerde manier: binnen hiphop passen blanken zich aan aan de zwarte gemeenschap. Dat maakt de discussie die tijden lang gevoerd werd – hoe moet de zwarte gemeenschap worden aangesproken – tot op zekere hoogte overbodiger dan ooit, omdat het genre hiphop zo krachtig is. En van deze kracht lijkt de academische Cornel West als geen ander gebruik te maken.

     
    • Avatar of merelsijbrant

      merelsijbrant 2:12 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Thomas,
      Wat leuk om te lezen dat ook jij het genre ‘hiphop’ een bepaalde wetenschappelijke lading weet mee te geven. Dit lijkt mij erg belangrijk omdat je inderdaad juist in relatief nieuwe kunstvormen de reflectie van de hedendaagse maatschappij het best kunt zien. Dat wil zeggen: ik hoop èn geloof dat wanneer een dergelijke assimilatie in de kunst zichtbaar wordt, de maatschappij snel kan volgen. De kunst lijkt een soort ‘testruimte’ voor het echte leven. Hiphop lijkt (met zijn battles) een terrein bij uitstek waarin een nieuwe relatie tussen blank en donker gevonden kan worden, laten we hopen dat de artiesten genoeg invloed hebben om een dergelijke saamhorigheid naar de samenleving over te dragen.
      Maar deze onderlinge liefde is (mij mijn weten en dat is binnen dit onderwerp niet heel veel, moet ik toegeven) niet over een nacht ijs gegaan, toch? Volgens mij werd er tot verkort wel degelijk onderscheid gemaakt tussen ‘zwarte’ en ‘blanke’ hiphop, of heb ik dat verkeerd? Ik stel wel mijn vraag bij jouw uitspraak: ‘binnen hiphop passen blanken zich aan aan de zwarte gemeenschap’. Denk je niet dat er een soort samensmelting is gekomen waarbinnen een nieuwe vorm is ontstaan? Ik begrijp natuurlijk dat de hiphop lang werd gezien als ‘zwarte’ muziek maar zoals je zelf al stelt: we zijn inmiddels zo ver dat beide ‘kleuren’ op gelijke voet samen kunnen werken.
      Laten we in elk geval hopen dat de wereld de hiphop volgt in zijn assimilerende voormogen!
      Groetjes,
      Merel.

      • Avatar of daneshvar

        daneshvar 6:47 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Merel,
        Ik vind jouw notie van kunst als een soort testruimte van het echte leven heel interessant. Een belangrijk punt in hiphop is tegenwoordig dat echte hiphop erg dichtbij de werkelijkheid van een artiest moeten zijn. Hoe meer een artiest heeft meegemaakt, des te waardevoller zijn muziek. Hierdoor werd het zware leven in de getto’s van Amerika geromantiseerd. Blanken werden geassocieerd met het wat betere leven en daardoor niet echt gewaardeerd, en zrtiesten zoals Vanilla Ice hielpen ook niet echt aangezien ze puur voor het geld gingen en niet het soort “echtheid” hadden. Maar later door artiesten zoals Eminem, die blank waren, maar toch talentvol, begint in hiphop het verschil tussen blank en zwart te vervagen. Het feit dat hiphop tegenwoordig in de richting van pop beweegt heeft hier ook bijdrage aan geleverd.

        Het is interessant om te zien hoe in hiphop talent uiteindelijk de hoofdrol gaat spelen doordat bepaalde artiesten discoursen kunnen verbreken/veranderen door hun talent. het leuke ervan is dat zulke artiesten zich niet expliciet afzetten tegen de discours en de mensen daarin, maar juist geaccepteerd worden binnen dezelfde discours. Dit is volgens mij een alternatief dat verschilt van bijvoorbeeld Certeau’s idee van de overlappingen tussen discoursen. Dit laat zien dat er misschien binnenin een discours ruimte is voor verandering.

      • Avatar of

        khnilka 9:39 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik moet zeggen dat ik geen hiphop kenner ben, so correct me if I’m wrong, maar is/was hiphop niet een manier van de donkere bevolking om zich te uiten hoe uniek ze zijn/hoe slecht ze het hadden/werden behandeld? En rappen de blanke hiphoppers niet over hun eigen problemen (arm zijn, uit de achterbuurt)? Als dit zo is, dan is er toch eigenlijk nog steeds een verschil hoe geintegreerd de hiphopscene ook lijkt? Ik heb het idee, en dan ook weer ik ben geen kenner, dat blanken een eigen stukje van de hiphopmarkt hebben ingenomen en die voor zichzelf houden.

        • Avatar of rebeccadrees

          rebeccadrees 2:25 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik zet mijn vraagtekens hier ook bij. Ik ben ook wel totaal geen hiphop liefhebber maar men moet ook bedenken dat wat er van de muziekmaatschappij in deze tijden is overgebleven is gewoon een money making machine ook al zijn er nog genuine rappers (zoals je ook stelt). Toch domineren de geld zoekers het vak lijkt mij. Dat je stelt dat blanke en zwarte rappers dichterbij elkaar komen ligt volgens mij aan het feit dat deze vertegenwoordigers in het zelfde scheutje zitten. Eminem bijvoorbeeld had een roerige jeugd met een vader die ervandoor ging, een oom die overleed, en school na school van pesterijen. Al is dit niet te vergelijken met geschiedenissen van zwarte benadeling in de maatschappij kan men wel degelijk zien dat Eminem ook behandeld werd als outcast en dus komt hiervoor op. Ze treffen elkaar in leed. Je ziet ook dat velen van de blanke rappers uit een achterstandsverleden komen (armoede, trailerparks etc etc); in de steek gelaten door de maatschappij. Dat er ruimte is gekomen voor deze mensen in de hiphop vak is niet zo gek. Allebei treffen een benadeelde jeugd/opbrenging in de maatschappij en dus kunnen ze elkaar begrijpen in hun hiphop teksten.

    • Avatar of yvonne

      yvonne 12:16 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo allemaal,

      Graag breng ik een YouTube-filmpje in deze discussie van bell hooks over rap als tegengeluid:

      http://www.youtube.com/watch?v=Xtoanes_L_g

      belle geeft een ander beeld dan een van verbroedering, maar spreekt zelfs over kolonialisatie (hoezo assimilatie?). Zij gaat in haar betoog in op de rol van blanken en rap en betrekt hierin termen als materialisme, kapitalisme en authenticiteit, de laatste is volgens haar behoorlijk uitgehold. Voorts ligt er een groot probleem van het ‘object’ zijn van zwarte vrouwen in de rapvideo’s. Daar kun je niet zomaar overheen stappen. Uiteraard bestaat er meer dan de rapvideo’s, dat besef ik mij heel goed. Toch ben ik benieuwd wat jullie van bell hooks’ kijk op een en ander vinden.

      • Avatar of nikkidekker

        nikkidekker 10:54 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hee Yvonne,

        ik ben echt heel benieuwd naar je filmpje (want bell hooks met hip hop, does it get any better?) maar hij wil maar niet laden bij mij! Hebben meer mensen dit probleem?

        • Avatar of yvonne

          yvonne 11:30 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Hoi Nikki,

          jammer dat het niet lukt, maar goed dat je even vraagt!
          De titel van de video is;
          bell hooks Pt 8 cultural criticism (rap music)
          Als je op YouTube op ‘bell hooks’ zoekt, moet het met deze titel snel kunnen vinden.

    • Avatar of Rowan

      Rowan 2:29 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik vraag me af in hoeverre de hiphoppers worden geaccepteerd als ze zich niet aan de stijl van hiphop houden. Naar mijn mening heeft hiphop een bepaalde stempel gekregen, zoals het uiten van je gevoelens, kritiek geven op de samenleving. Daarnaast hoort breakdancen, graffiti en grillz erbij. Wat als je als hiphopper nou hiphop maakt, maar daarnaast niet hiphop als levensstijl hebt. Wordt je dan nog steeds geaccepteerd? Kan door middel van de vervaging van de grenzen (dat ook blanken worden toegelaten tot deze vorm van cultuur) iedereen worden toegelaten? Of moet je alsnog aan bepaalde “eisen” voldoen?

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 7:40 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Zoiets kwam ook in mij op bij het lezen van de reacties. Zoals hierboven ook gezegd: het draait (of draaide?) bij hiphop ook vooral om de echtheid, die uit het leven van de rapper moest komen. En ik denk daarom dat Eminem misschien niet direct werd geaccepteerd om zijn talent, zoals gesuggereerd, maar juist om de problemen in zijn leven, dat duidelijk niet van een leien dakje is gelopen. Hij was streetwise. Maarrrr nu moet ik mezelf ook wel in de rede vallen: wellicht kwam dit niet direct naar buiten. Ik ken Eminem niet goed, maar ‘The Real Slim Shady’ en ‘My Name Is’ behoorden volgens mij wel tot zijn eerste hits, toch? Misschien gingen deze nog niet echt over zijn streetwiseheid.

        Rowans vraag is in ieder geval een interessant beginpunt voor een discussie. Want dat is waarschijnlijk het probleem: pas als we ons aan elkaar aanpassen (dus als blanke de zwarte hiphopstijl aannemen, je als zwarte in de blanke intellectuele wereld passen zoals Cornel West beschreef), gaan we elkaar accepteren. Merels stelling dat de komst van blanke hiphoppers de hiphopstijl in zijn geheel heeft beïnvloed (wat dus bij West zou betekenen dat het je als zwarte begeven in de intellectuele wereld, die wereld ook kan beïnvloeden), staat hier tegenover. Wie heeft er gelijk?

    • Avatar of margareth

      margareth 8:43 am on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Misschien zou er niet zozeer moeten worden gekeken naar hoe de ‘zwarte’ gemeenschap ‘aangesproken’ moet worden maar meer hoe we de blanke – aanspreken. En met aanspreken bedoel ik dan bewust laten worden. Hoe laten we hen zien dat het niet uitmaakt tot welk ras je behoort, welke kleur je hebt maar dat je dient te kijken naar het individu ipv naar het ras? Kunst in de vorm van Hip hop blijkt ook de blanke mens in te laten zien dat de zwarte mens ook veel te bieden heeft ondanks wat misschien de opvoeding van de blanke hem heeft verteld. De ongelijkheid ligt vooral in het verleden m.n. in de slavernij waarin de zwarte als inferieur werd gezien. Dit negatieve image is de blanke met de paplepel ingegeven en blijkt extreem hardnekkig. Om dit te doorbreken is het op kunstzinnige manier laten zien wat je kunt en denkt een middel om door te dringen en respect af te dwingen. Want met respect begint alles. Niet het geweld, de bedreiging in daad of woord moet deze schil afpellen (dit werkt vaak averechts) maar de schoonheid die in kunst heerst zou het afpelproces van deze barrière daadwerkelijk in gang kunnen zetten. D.m.v. kunst kan de mens worden aangesproken op een ander niveau. Het blijkt wel echt binnen te kunnen dringen in het pantser van vooroordelen. Wellicht een start?

      • Avatar of

        khnilka 9:53 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Margareth, je zegt:

        ‘Misschien zou er niet zozeer moeten worden gekeken naar hoe de ‘zwarte’ gemeenschap ‘aangesproken’ moet worden maar meer hoe we de blanke – aanspreken. En met aanspreken bedoel ik dan bewust laten worden. Hoe laten we hen zien dat het niet uitmaakt tot welk ras je behoort, welke kleur je hebt maar dat je dient te kijken naar het individu ipv naar het ras?’

        Ik denk dat wij als blanken dat wel weten en wel degelijk open staan voor de donkere bevolking als individuen. Natuurlijk niet iedereen, maar dat is iets wat altijd zo blijft. Ik heb het idee dat juist de donkere bevolking, of misschien zijn het enkele individuen, die dit niet willen. Zij willen zo krampachtig blijven vasthouden aan hun identiteit dat ze niet naar blanken kijken als individuen maar als ras. Ze maken een duidelijk onderscheid wij zijn donker, we should stick together, zij zijn blank, stick to yourself. Zo blijven de groepen ontstaan. Zouden niet beide aangesproken moeten worden op het in stand houden van de scheiding?

    • Avatar of sverest

      sverest 9:58 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik denk dat bij alle bovenstaande reacties een beetje uit het oog wordt verloren dat hiphop nog een vrij jong fenomeen is. Het is nog zoekende naar zijn grenzen, is bezig een traditie op te bouwen maar heeft dat nog lang niet voltooid en kent daardoor ook nog geen dogmatische principes. Dit betekent dat het een nog open veld is waarin een grote verscheidenheid aan mensen wordt geaccepteerd en dat kan ook verklaren waarom blanke rappers in dit veld worden geduld. Er is nog geen traditie!
      De blanke intellectuele traditie is door de eeuwen heen gevormd, zoals deze nu is, met een eigen normen en waarden-systeem, eigen regels, eigen denkbeelden en eigen idealen. Het is een afgesloten veld met een heel starre houding tegenover buitenstaanders, waardoor deze niet, of maar zeer moeizaam, worden geaccepteerd.
      Wat het nu zo interessant maakt, is dat hiphop voordat het überhaupt een traditie is geworden, al invloed van buitenaf en buitenstaanders heeft opgenomen in het eigen veld. Hiphop kan daardoor uitgroeien tot een zeer divers veld met een traditie die tolerant is (of iig toleranter is dan de tradities van vandaag de dag). Hiphop heeft het daardoor mijn inziens inderdaad in zijn mars om ook de maatschappij (weer) toleranter te maken. Laten we het iig hopen!

    • Avatar of thomashvv

      thomashvv 3:01 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Even terugkomend op die echtheid, waar hierboven veelvuldig aan gerefereerd wordt: dat is een beetje een achterhaald idee. Voorbeeld: iemand als 50 Cent rapt nog steeds met even veel enthousiasme over zijn gangsterleven als tien jaar geleden, hoewel hij inmiddels miljoenen op de bank heeft staan. Dit weten zijn luisteraars, en toch vinden ze hem nog steeds boeiend genoeg om zijn muziek te kopen. Waarom? Omdat hij rapt over wat hij ooit heeft meegemaakt? Dat zou kunnen, maar lijkt me toch sterk – als je kijkt naar bijvoorbeeld Rick Ross, tegenwoordig een van de beste verkopende en meest populaire rappers ter wereld, zie je dat het toch niet zo werkt; Ross heeft zichzelf namelijk genoemd naar een beruchte drugsdealer, heeft zijn eerste albums vol gerapt over alle gevaarlijke dingen die hij heeft uitgespookt, terwijl een paar jaar geleden aan het licht kwam dat hij geen strafblad heeft, en zelfs jaren als gevangeniscipier heeft gewerkt. Binnen enkele hiphopkringen, die uitgaan van het ouderwetse idee van ‘echtheid’ gaat, werd hier schande over gesproken, maar Ross’ albumverkoop werd geen klein beetje schade toegebracht, sterker nog: die werd al gauw groter dan ooit. Kennelijk was het toch niet de echtheid waar het publiek op uit was, maar de overtuigingskracht waarmee de boodschap werd verkondigd. (Voor de (waarschijnlijk niet-aanwezige) geïnteresseerden: hier een interessant opinie-stuk over de casus Rick Ross: http://tinyurl.com/3663vxk) Dat dit geval geen uitzondering is, bewijzen artiesten als Akon en Notorious B.I.G., die zich in hun teksten ook veelvuldig hebben beroept op hun criminele activiteiten, terwijl ze amper een strafblad hadden.)

      Wat zegt dit alles? Het idee dat ‘echtheid’ van cruciaal belang is binnen hiphop, klopt niet; het gaat tegenwoordig vooral om iemands overtuigingskracht, zijn manier van rappen, zijn beatkeuze, zijn partners binnen de hiphopscene misschien. Dit vind ik een goede ontwikkeling (in de begindagen van de hiphop werd er namelijk wel continu uitgegaan van een zekere echtheid); volgens mij wijst het er namelijk op dat de verschillende leefomgevingen van blank en zwart steeds minder op de voorgrond komen te staan, en zodoende dus een steeds minder significante rol gaan spelen (zoals ik in mijn essay al schreef). Dus, merel, om jouw vraag te beantwoorden: de onderlinge liefde tussen zwart en wit binnen hiphop is inderdaad niet over één nacht ijs gegaan.

      Hier overigens nog een komisch filmpje over welk conflict hiphop binnen de zwarte gemeenschap kan opleveren (“what the hell are you talking about?”): http://www.youtube.com/watch?v=uehF-S5UB_g&feature=youtube_gdata_player

  • Avatar of winonah

    winonah 1:47 am on October 30, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , , the right mistake,   

    Intellectuals in The Right Mistake 

    “All men are intellectuals, one could therefore say: but not all men have in society the function of intellectuals.” en “Each man, finally, outside his professional activity, carries on some form of intellectual activity, that is, he is a “philosopher”, an artist, a man of taste, he participates in a particular conception of the world, has a conscious line of moral conduct, and therefore contributes to sustain a conception of the world or to modify it, that is, to bring into being new modes of thought.” schrijft Antonio Gramsci in “The Intellectuals”. Dit zijn ook de uitgangspunten die Socrates Fortlow schijnt te hebben in Walter Mosley’s The Right Mistake bij het oprichten van the Big Nickel en de gesprekken die er elke donderdagavond plaatsvinden. (More …)

     
    • Avatar of floork

      floork 5:49 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Gramsci’s idee dat iedereen een intellectueel is, is inderdaad goed terug te zien in de discussies die aan Socrates’ tafel plaatsvinden in ‘The Right Mistake’. Dat Socrates dan zelf de leider is, en dus de plaats van de intellectueel inneemt vind ik wat problematisch, maar dat zit meer in Gramsci’s idee dan in het boek. Je zegt: “Socrates doet het denk ik echter zo goed als leider, omdat hij zichzelf niet boven anderen plaatst en zichzelf niet als leider ziet.” Ik snap niet zo goed hoe een leider zichzelf niet als leider kan zien. Hij haalt toch bewust al deze mensen bij elkaar om ze iets te leren. Ik snap wel dat hij zichzelf niet boven anderen plaatst, maar hij plaatst zichzelf toch bewust in de positie van de intellectueel?

    • Avatar of Gerda

      Gerda 8:00 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Winonah,
      Je geeft goed weer waarom Socrates als intellectueel beschouwd moet worden. Ik ben het wat dat betreft helemaal met je eens. Bij het essay van Jasper heb ik ook al weergegeven dat een intellectueel voor mij niet altijd een relatie met de universitaire wereld hoeft te hebben: Ook mensen zonder academische achtergrond, zijn soms intellectueel te noemen. Zij hebben een kijk op de wereld die door nadenken tot stand is gekomen en ons allemaal aan het denken zet. Jij maakt dit aan de hand van Right Mistake nog een keer duidelijk.

      Bij het lezen van dit essay verwachtte ik eerlijk gezegd nog een stukje over de verschillende discoursen, omdat dat in The Right Mistake toch ook naar voren komt:
      Is net niet zo dat juist doordat zoveel verschillende personen over allerlei zaken in gesprek gaan en discussiëren, ze juist steeds meer inzicht krijgen? Dus ook weer een soort snijvlak van discoursen waar een soort knowhow ontstaat door ervaren en ervaring?

      Tot slot de opmerking over Socrates’ leiderschap waar Floor naar verwijst: Bedoel je soms dat Socrates zich niet als een heerser (dictator?) opstelt, maar juist ook ruimte geeft aan de ideeën van anderen? Ik ben benieuwd naar jouw reactie.

      • Avatar of winonah

        winonah 5:52 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Gerda,
        Ik geef toe dat een stuk over de verschillende discours interessant was geweest bij dit onderwerp, en de tekst van Certeau had er ook aan gelinkt kunnen worden bedenk ik me nu ik jouw reactie lees.
        Ik bedoel dat Socrates zich niet als vaste leider opstelt en zich niet boven anderen plaatst. De groep is ontstaan door zijn ideeën dus zien de mensen hem automatisch als de leider, maar zo stelt hij zich naar mijn mening niet op. Maartje legt het, 3 reacties hieronder, erg goed uit.
        Er is ook een moment in het boek waar hij zegt geen leider te zijn. Ik kan zo snel alleen niet meer vinden waar dat was.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 11:20 am on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Behalve Gramsci, kan de positie van Socrates als leider ook gekoppeld worden aan Foucault. Hij zegt dat macht wordt toegewezen aan degenen die het meeste opvallen of anders zijn. In dit boek is Socrates degene die anders lijkt dan de rest, of in ieder geval nieuwe visies lijkt te hebben. Ik denk niet zozeer dat hij zichzelf de rol van leider wilt toewijzen (want volgens mij zegt hij ook de hele tijd, dat ze allemaal gelijk zijn en dat hij niet boven de anderen staat) maar dat anderen hem, onbewust misschien, deze rol opleggen.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 8:05 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Gramsci kan inderdaad goed worden geplaats in dit verhaal en volgens mij was dat dat ook de bedoeling van Mosley. Er wordt zelfs nog een kleine knipoog gegeven; een autogarage (of iets in die richting) waar Socrates had gewerkt heet Gramsci in het boek. Alleen het idee van Gramsci was toch dat een organische intellectueel eerst een traditionele intellectueel was en zich vervolgens uit deze discours moest los maken ? Socrates is toch helemaal geen traditionele intellectueel ? Hij neemt wel de functie in van intellectueel in zijn buurt maar was geen traditionele intellectueel.
      Foucault kan ook aan Socrates worden gekoppeld. Socrates is degene in dit boek die macht heeft en dat geeft hem ook de mogelijkheid een groep mensen bij elkaar te krijgen, een eigen discours te maken.

      • Avatar of jorisbrakkee

        jorisbrakkee 11:20 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Lies, volgens Gramsci maakt een organische intellectueel zich eerst los uit het non-discursieve en benoemt zichzelf en de groep waar hij van uitmaakt. Vervolgens zorgt hij/zij ervoor dat deze groep deel uit gaat maken van het discours en verandert zijn functie naar die van de traditionele intellectueel, dus andersom dan jij het zegt.
        Socrates benoemt zichzelf en zijn groep en probeert hen binnen het discours te plaatsen (onder constante tegenwerking van de traditionele intellectuelen die hen er graag buiten willen houden, gerepresenteerd door de politie). Aan het eind van het boek zou je kunnen zeggen dat dit gelukt is, aangezien Socrates wordt vrijgesproken, en dat hij dus een traditionele intellectueel is geworden. Ik denk echter dat het nog wel even wat langer moet duren voordat Socrates een traditionele intellectueel wordt…

    • Avatar of maartje

      maartje 12:28 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Dag allen,
      Uiteraard zit er een expliciete connectie van Socrates naar Gramsci en naar Foucault. De verschillende discoursen worden bij een gebracht door Socrates, maar hierdoor komen ze in een nieuw discourse. Hier wordt het echter interessanter: Wat houdt dit nieuwe discours nu in?

      Gramsci vermeldt onder het gegeven de intellectueel een praktisch gegeven, men is niet een intellectueel, maar men doet. In dit geval is de connectie gemaakt, maar daarvoor hoeft Socrates geen leider-leider te zijn. Hij doet het echter al, en de praktijk spreekt voorzich. Dit als reactie op Floork.

  • Avatar of jwhiah

    jwhiah 1:08 am on October 30, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment  

    Allochtone studenten in de Geesteswetenschappen – praktijk versus ideaal. 

    ‘Allochtone studenten kiezen traditioneel voor nuttige studies. Het nut van de geesteswetenschappen is vaak minder vanzelfsprekend dan dat van pakweg economie.’ luidt het verklarende antwoord van Job Cohen op de kwestie waarom er toch zo weinig ‘allochtone’ studenten inschrijven voor een studie in de Geesteswetenschappen.

    Maar de boodschap, die valt op te maken uit het rapport ‘Duurzame Geesteswetenschappen’ (2008) luidt dat de geesteswetenschappen als ‘bonding en bridging’ worden gezien. Ook over de verschillende culturen heen. Dit ideaal van het ‘bonding en bridging’ klinkt ook al door in het idee van Goethe van ‘Weltliteratur’ (1973) maar ook Gayatri Spivak (2003) schrijft hierover wanneer ze spreekt over de wijze waarop de opleiding literatuurwetenschap ingericht zou moeten worden. Hoe speelt dit zich af in de praktijk? Het blijkt dat [allochtone] studenten in werkelijkheid slechts ‘mondjesmaat’ de weg naar de humanistische wetenschappen weten te vinden.

    Als reactie op de verklaring van Cohen, vroeg ik mij af; wat zijn ‘allochtone studenten’; wat is ‘traditioneel’, wat zijn ‘nuttige studies’; en wat heeft dit te maken met de studiekeuze van studenten?

    Jij allochtoon!
    Volgens het Centraal bureau van statistiek (CBS) ben je een ‘allochtoon’ als één van je ouders in het buitenland is geboren. En dan wordt er ook nog vaak het onderscheid gemaakt tussen de ‘westerse allochtoon’ (Duitsers, Spanjaarden, Amerikanen) en de ‘niet westerse allochtoon’ (Surinamers, Chinezen, Marokkanen en Turken). Tegen deze praktijk van ‘labelling’ valt in te brengen dat dit een essentialistische houding met zich meebrengt. Wie is (slechts) een Allochtoon? Zorgt dit niet voor een wij/ zij gevoel? Het idee van het subject van Cornel West biedt hier een mooi perspectief: je bent namelijk niet slechts ‘allochtoon’, of ‘autochtoon’, of slechts Nederlander, Surinamer Marokkaan of Turkse. Het subject wordt juist gevormd door de verschillende discoursen die samenkomen. Toch circuleert dit idee van ‘de allochtoon’ in het maatschappelijk debat, vooral wanneer we spreken over het integratie vraagstuk .

    Bah, traditie.
    Grofweg gezegd kwamen de eerste gastarbeiders in Nederland aan in de jaren zestig en de ex- gekoloniseerden zijn pas sinds begin jaren vijftig gaan migreren naar Nederland. Veel van deze generatie ‘allochtonen’ (of toen nog -de juridische status van- ‘vreemdelingen’) kwamen niet om te studeren, maar om te werken. De generatie van ‘allochtone’ studenten waar we op dit moment over spreken is de tweede generatie. De kinderen van deze gastarbeiders of ex- gekoloniseerden. De tweede generatie, en wellicht nu ook een groep van derde generatie (ben je dan nog allochtoon?) is de groep die mondjesmaat kiest voor een opleiding binnen de geesteswetenschappen. Het is lastig om hier te spreken van een ‘traditionele’ keuze, als je hieruit moet opmaken dat ‘allochtonen’ zich slechts iets langer dan een halve eeuw in Nederland bevinden.

    Economie is zo veel nuttiger.
    Met nut, ‘utile’ zou je kunnen denken aan het utilitarisme van Jeremy Bentham, waaruit het nut bestaat uit hetgeen dat genot opbrengt en hetgeen dat de pijn verminderd. Voor de psycholoog Maslow wordt het nut van bepaalde activiteiten verklaard aan een principe van een hiërarchie van behoeftes. De figuur die hij hierin gebruikt is de piramide: Om hoger te komen in de piramide moeten eerst de meest basale behoeftes worden bevredigd voordat het individu zal verlangen/ gemotiveerd/ gefocust zijn op de secundaire of hogere niveaus van behoeftes.

    Voor de reden waarom nieuwkomers kiezen voor een bepaalde studie zou zowel de piramide als het utiliteits denken een raamwerk van verklaring -kunnen- zijn. De niet- westerse groep ‘allochtonen’ zijn geen kennis migranten, vaak, maar niet altijd, maken zij juist deel uit van een lagere sociale klasse. Waar de ‘lagere klassen’ eerder gefocust zijn op het ‘overleven’, dan de hogere klassen. Je zult niet concertkaartjes kopen als je de huur van deze maand niet kan betalen, is het idee. Je zult als mens wellicht eerst gefocust zijn op lichamelijke behoeften, zoals voeding en drinken, daarna pas gefocust zijn op de behoefte van zelfactualisatie. Maar maakt studeren niet ook al deel uit van zelfactualisatie?

    Om nu terug te komen op ‘allochtone studenten’: kiezen zij niet voor een studie waarvan de praktische waarde duidelijker is? Waar zij zichzelf eerst trachten te bevredigen in de basale, wellicht, economische behoeften? Om nu terug te komen op het utiliteitsdenken: zou het kiezen van een studie in de geesteswetenschappen voor ‘allochtone’ studenten minder geluk brengen? Zijn er andere waarden die onder deze (ahum- o zo niet gemêleerde) groep mensen circuleren waardoor het belang van een professie in de geesteswetenschappen als secundair worden gezien? Worden de studies als rechten en bedrijfskunde dan wel als nuttige studies ervaren en dienen zij een bepaalde behoefte die op dit moment van groter belang wordt geacht?

    Ik kies ik kies wat jij niet kiest.
    Door welke discoursen zouden de allochtone studenten dan beïnvloed worden in het kiezen? Hoe verschilt de allochtone student die er wel voor kiest om een studie in de geesteswetenschappen te volgen van een allochtone student die hier niet voor kiest? Ligt de verklaring in de sociaal economische status van de allochtone student, of wordt er dan niet te reductionistisch gedacht? Ligt het aan de culturen van de allochtone studenten, maar wordt er hier niet te essentialistisch gedacht? Ligt de verklaring in het karakter van de studie literatuurwetenschap? Of is het wel groepsspecifiek verbonden, maar niet etnisch/ cultureel verbonden? Of is het eigenlijk een beetje van allemaal?

    Waarom..
    Het directe nut van literatuurwetenschappers en filosofen zou zijn dat deze niet slechts de wereld trachten te verklaren en te interpreteren, maar deze ook zouden moeten veranderen. Belangrijk is dat er vaak wordt gesproken over de relatie die tussen twee culturen kunnen ontstaan in de literatuur, in de literatuurwetenschap en de geesteswetenschappen in het algemeen. Maar een vriendschap opbouwen tussen het [één] en het [ander], moet daar daarbij de [ander] én het [één], beiden, niet aanwezig zijn?

    Misschien heeft de term cultuur wel iets essentialistisch, maar als je deze ‘cultuur’ nou sociologisch duidt? De aanwezigheid van een Turkse moskee; de aanwezigheid van Surinaamse winkeltjes met Surinaamse eetwaren; de aanwezigheid van een Nederlandse discotheek aan de Costa Brava; of de afwezigheid van ‘allochtone’ studenten in de geesteswetenschappen…

     
    • Avatar of daneshvar

      daneshvar 1:53 am on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Jing,
      ik denk dat veel allochtonen delen van hun cultuur en van hun opvatting over studies meenemen als ze naar een ander land immigreren. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat een aantal studies hoger wordt gezien dan anderen, je moet hier denken aan studies zoals geneeskunde, farmacie, rechten etc. Ik denk niet dat factoren zoals de maatschappelijke en financiële studies een groot rol spelen in de constructie van een soort hiërarchie van de verschillende studies. Wat ik het meeste om me heen zie, is dat niet alleen de ouders, maar de tweede generatie allochtonen het beeld dat ze hebben van opleidingen, mee hebben genomen uit hun geboorteland. Al moet ik erbij zeggen dat dit beeld niet alleen verschilt tussen verschillende culturen, maar dat het ook verschillend is tussen individuen. Bepaalde studies zoals geneeskunde en rechten hebben in het land van herkomst eenmaal de overhand, terwijl studies binnen de geesteswetenschappen niet veel voorstellen en niet de geschiedenis hebben die ze wel in het Westen hebben.

      • Avatar of daneshvar

        daneshvar 1:58 am on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

        “Ik denk niet dat factoren zoals de maatschappelijke en financiële studies een groot rol spelen in de constructie van een soort hiërarchie van de verschillende studies.”

        Deze zin moet natuurlijk zijn: Ik denk niet dat factoren zoals de maatschappelijke en financiële STATUS een groot rol spelen in de constructie van een soort hiërarchie van de verschillende studies

    • Avatar of daya

      daya 5:47 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      “Het subject wordt juist gevormd door de verschillende discoursen die samenkomen.” Mooi hoe je dit toepast op het allochtoon/autochtoon zijn. Ik ben officieel allochtoon, omdat mijn moeder in Indonesië geboren is, maar eigenlijk ben ik zelf maar een kwart Indonesisch…

      “Om hoger te komen in de piramide moeten eerst de meest basale behoeftes worden bevredigd voordat het individu zal verlangen/ gemotiveerd/ gefocust zijn op de secundaire of hogere niveaus van behoeftes.”
      Hier ben ik het helemaal mee eens, dit is ook wellicht de hoofdreden van iedere geesteswetenschapper om iets als literatuurwetenschappen/talen te studeren.

      Leuk essay!

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 8:17 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik ben zelf ook allochtoon (Rwandees) en ik krijg vanuit de Rwandese gemeenschap meestal ook de vraag waarom ik deze studie (Media en Cultuur) nou eigenlijk heb gekozen. Er wordt meestal gekozen voor een praktische studie, en ik denk dat dit inderdaad voortkomt uit cultuur.
      Ik denk dat er vanuit de meeste allochtone culturen, of in ieder geval de Afrikaanse culturen, de traditie is dat je een studie doet om een goedverdienende baan te krijgen, en niet om je intellectueel te ontwikkelen of iets dergelijks. En omdat studies in de geesteswetenschappen zo abstract zijn en geen duidelijke praktische waarde hebben, denk ik dat dat de rede is waarom de meeste allochtonen niet voor zulke studies gaan.
      Ik heb als allochtoon toch voor een studie in de geesteswetenschappen gekozen. Maar zoals Daya hier boven zegt wordt “het subject gevormd door verschillende discoursen die samenkomen”. Bovendien zijn er natuurlijk vele andere discoursen die bepalend zijn voor een studiekeuze. Het ligt er denk ik maar aan hoe dominant het ene of het andere discours is.

      • Avatar of rebeccadrees

        rebeccadrees 2:39 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Een heel interessant essay. Ik ben zelf ook allochtoon (Engels) en wat ik wel merk is dat het Universiteit in Nederland totaal anders ingericht is dan andere instituten in het buitenland. Nederland is héél erg gefocust op het theorie in de Universiteit en ik merk dat dit best bijzonder is in vergelijking. In Engeland zijn ze alsnog veel bezig met praktijk op de Universiteit (zoals we eigenlijk ook aantreffen in Amerika) en wanneer ik mijn vrienden spreek over wat ik allemaal aan het uitspoken ben bij de studie zijn ze behoorlijk onder de indruk. Wij blijken gewoon goed te weten over het vak te spreken. Je wordt opgeleid om iets te doorgronden niet iets te doen en dit vergt respect van anderen terwijl je dit niet meteen zou denken. Toch ben ik het wel eens dat de meeste culturen wel veel waarde hechten aan praktijk. Maar misschien is omdat zij gewoon weg niet snappen wat ons vak inhoud en waar het voor nodig is. Zoals ik hierboven ergens heb gereageerd (bij Wat Studeer Je? geloof ik) is het voor de meeste mensen belangrijk wat nut een studie heeft als toevoegende waarde aan het maatschappij. Als men deze niet inziet, wordt je gelijk afgerekend. Ik zelf heb heel veel problemen gehad bij het kiezen van een studie vanwege dit blijkbare psychologische dwang tot praktijk. Toch Media en Cultuur gekozen!

    • Avatar of sinead

      sinead 2:28 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Jing,
      een helder essay maar ik vraag me één ding af:
      Wil je dit probleem van het rechtvaardigen van een studie binnen de geesteswetenschappen puur op de zogenaamde allochtoon betrekken (ik zeg zogenaamd, omdat die definitie die je van het CBS overneemt ook maar een definitie is, zoals je zelf ook de vraag stelt wie dan nog allochtoon is en wie niet: ‘De tweede generatie, en wellicht nu ook een groep van derde generatie (ben je dan nog allochtoon?) ‘) of kan je dit probleem ook breder zien? Ik denk dat ik begrijp waar de nadruk op het allochtoon/autochtoon zijn vandaan komt, maar stoot me een beetje aan dit hokjesdenken en zou het graag in een breder perspectief zien. Hoe sta jij hier tegenover?

      • Avatar of Daphne Boutens

        Daphne Boutens 4:34 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik denk dat de hiërarchie van behoeftes een hele grote verklaring is voor de meeste studiekeuzes. Ik kan merk aan de allochtonen die ik zelf ken dat ze inderdaad voor studies kiezen als tandheelkunde, geneeskunde of rechten, wat hen een gerespecteerde goedbetaalde baan oplevert. Dit zit misschien in de cultuur, maar uiteindelijk komt dit volgens mij wel voort uit de strijdlustigheid en overlevingsdrang die ze van hun ouders hebben meegekregen. Omdat ik zelf veel minder ervaar dat ik moet overleven, heb ik de vrijheid om me met geesteswetenschappen bezig te houden. Echter, ik merk wel dat ik naarmate het einde van mijn studie in zicht komt, me zorgen begin te maken over mijn financiële situatie. Zal ik straks genoeg verdienen? Ik begin aan het leven op mezelf te wennen en zie steeds hogere rekeningen in mijn brievenbus verschijnen. Dan denk ik soms wel eens ‘had ik niet ook tandheelkunde moeten gaan studeren?’

        • Avatar of Rowan

          Rowan 2:57 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik ben het met je eens Daphne. Ik denk ook dat allochtonen het gevoel hebben dat ze zich moeten bewijzen, ze zijn al anders, de vreemden in een nieuw land. Door het kiezen van ‘n ‘praktische studie’, zoals geneeskunde of iets dergelijks, kunnen ze zich bewijzen dat ze iets kunnen. Dat ze de samenleving kunnen dienen. Daarnaast denk ik dat concrete beroepen een bepaalde status hebben. Je weet wat er precies meebedoelt wordt, de taak is duidelijk. Heeft deze status van beroepen echter alleen betrekking op de culturen van de allochtonen of heeft deze status ook betrekking op de Nederlandse cultuur? Zien niet de meeste mensen binnen Nederland een dokter als hoger dan een filosoof of schrijver?

          Ook ik zelf krijg soms vragen van wat kan je doen met deze studie (ik doe zelf Media&Cultuur) en dan denk ik bij mezelf, ja, wat kan ik eigenlijk met deze studie. Ik weet hoe ik film, televisie en nieuwe media moet analyseren aan de hand van theorieën. Ik ken filosofen bij naam en hun theorieën, maar voeg ik na deze opleiding dan iets toe aan de samenleving. Het draait om wat jezelf leuk vind, waar jezelf je passie in kan leggen. En of dit nu een praktische studie of theoretische studie is.

          De vraag die ook Sinead naar voren brengt is of je als derde generatie nog wel ‘n allochtoon bent. Mijn moeder is officieel een allochtoon, omdat haar vader Indisch is, maar ben ik dan ook nog deels een allochtoon, officieel niet.. Waar ligt de grens.. Ligt mijn roots dan gewoon deels in Indonesië en ben ik verder dan gewoon ‘n rasNederlander?

          Jing, een erg interessant essay. Door de vragen die je stelt, heb je interessante stof gecreëerd om over na te denken.

        • Avatar of Ilika Polderman

          Ilika Polderman 10:53 am on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ook ik denk dat een financiële zekerheid ervoor zorgt dat allochtone studenten eerder kiezen voor een praktische studie dan voor een studie binnen de geesteswetenschappen.
          “Om nu terug te komen op ‘allochtone studenten’: kiezen zij niet voor een studie waarvan de praktische waarde duidelijker is? Waar zij zichzelf eerst trachten te bevredigen in de basale, wellicht, economische behoeften?”
          Ik denk dat het antwoord daarop “ja” is. als autochtoon kan ik moeilijk praten voor de allochtonen. Maar in mijn omgeving zie ik wel dat het verdienen van geld en ook het krijgen van steun uit de familie belangrijk is. Voor mij zijn deze waarden ook van belang, maar volgens mij toch minder. Maar ik kan niet spreken voor anderen. Dus mijn uitspraken zijn alleen gebaseerd op eigen ervaringen.
          Wel moet ik zeggen dat ik het soms mis binnen de geesteswetenschappen om de mening van een allochtoon te horen. Juist omdat in veel werkgroepen onderwerpen als integratie en discriminatie worden aangekaart. En ik die discussie vaak heb moeten voeren met vrijwel alleen maar autochtonen. Terwijl juist de mening van ook een allochtoon daar veel aan toevoegt. Maar dit zal binnen de geesteswetenschappen ook verschillen tussen de verschillende disciplines.
          Maar daarom vind ik het goed dat met dit essay het probleem ook benoemd wordt.

      • Avatar of jwhiah

        jwhiah 5:52 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Sinead,

        Ik stoot mij ook heel erg aan het idee van autochtoon versus allochtoon, voornamelijk wanneer er wordt gesproken over integratie. De term integratie zet al een hele grote groep mensen buiten de samenleving, alsof ze geen deel uitmaken van de samenleving… Dus als je moet integreren betekent dit dat je nog niet geïntegreerd ben in de samenleving: je maakt geen deel uit van (Zie Willem Schinkel, de gedroomde samenleving).
        De tegenstelling tussen allochtoon en autochtoon in het integratie discourse verscherpt deze notie alleen maar, een meer ‘wij versus zij’ gevoel ontstaat er.

        Maar wat ik anderzijds wel weer belangrijk vind, is dat het onderscheid ons op het spoor kan brengen van bepaalde problemen die spelen in de samenleving, die niet alleen op het micro, maar ook op het macro niveau te duiden zijn; de sociologische duiding van fenomenen, van culturen/ subculturen/ groeperingen. Er is altijd iets dat het individu overstijgt; bepaalde processen die invloed uitoefenen op het individu. Hiermee speel ik geen advocaat voor de houding ‘boeeeeehoeeee… ik heb al deze problemen en daar kan ik niks aan doen en dat komt door de boze, onaardige wereld’, maar het betekent wel dat er ook met deze, macro processen rekening gehouden moet worden. Het woord ‘allochtoon’ in de probleemstelling ‘afwezigheid van allochtone studenten in de geesteswetenschappen’ duidt een bepaald proces/ fenomeen/ ontwikkeling aan. Hierbij ben ik het sterk eens dat je altijd kritisch moet blijven kijken naar labels. Daarom stel ik zelf ook bepaalde vraagtekens bij de ingewikkeldheid van de term. Maar die term helpt ons wel een probleem onder de aandacht te brengen… Het duidt iets aan. De afwezigheid van ‘allochtone’ studenten in de geesteswetenschappen is naar mijns inziens niet toeval, maar heeft te maken met andere processen die spelen aan de basis hiervan.

        Misschien dat we anders een nieuw en ‘vriendelijker’ woord moeten introduceren? Maar then again, je blijft labelen, want aan dat woord zijn bepaalde kenmerken en processen verbonden die niet kleven aan een ander woord, of aan het woord dat daar tegenover staat.

    • Avatar of merelsijbrant

      merelsijbrant 2:43 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Jing,
      Het is een interessant punt dat relatief weinig allochtone studenten kiezen voor een studie bij de Faculteit Geesteswetenschappen. Ik denk dat bovengenoemde reacties al een aantal redenen hiervoor aankaarten. Het lijkt mij goed om een afspiegeling van onze multiculturele maatschappij bij Geesteswetenschappen terug te zien. Voor mij is het echter, in het kader van het ‘bruggen bouwen’ van nog groter belang dat de allochtone (inderdaad: moeilijk, generaliserend woord) studenten zich mengen in de zorg, psychologie en sociologie. Op deze vlakken is men in staat een directere reactie op ontwikkelingen in de maatschappij te geven dan bij de Geesteswetenschappen meestal het geval is. Daar heeft onze samenleving, mijns inziens, op dit moment veel behoefte aan! Gelukkig is ook te zien dat allochtone studenten zich interesseren in deze studies en beroepsgroepen. Mogelijk heeft men het idee in deze hoek meer en sneller veranderingen teweeg te kunnen brengen. En geef ze eens ongelijk!
      Nee, ik begrijp je zorg omtrent allochtone studenten aan de Geesteswetenschappen maar misschien voelt de betrokken allochtone student in deze tubulente multiculturele samenleving meer behoefte (zie Maslow) om grote, hoge en solide bruggen te bouwen via andere faculteiten.
      Groetjes,
      Merel.

    • Avatar of sverest

      sverest 4:51 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik denk dat de reden enerzijds voor een deel ligt aan de eigen cultuur, waar vooral praktische studies een hoog aanzien genieten, maar daarnaast ook zeker aan de manier waarop in Nederland met de “niet-Westerse” allochtoon wordt omgegaan.
      Het woord “allochtoon” kent, zeker de laatste jaren, een heel negatieve lading en wordt vrijwel alleen maar gebruikt om naar Marokkanen, Turken, etc. te verwijzen. Ze worden in een kwaad daglicht gezet en hierdoor kiezen ze sneller voor een praktische opleiding waarbij het duidelijk is wat er later kan worden verdiend en er een duidelijk beeld van de toekomst is. “Allochtonen” zijn op zoek naar zekerheid, ze willen een garantie voor succes, omdat ze het gevoel hebben dat Nederland ze als tweederangs burgers beschouwt. Afgelopen vrijdag zat in Pauw & Witteman een Turkse columniste van De Telegraaf die in dit verband een mooi citaat uitte: “Ja, ik ben ingeburgerd, ondanks Nederland.”
      Nederland laat in alles blijken de “Niet-Westerse” allochtoon als minderwaardig aan de eigen, Hollandse boerenklungels te beschouwen en de “Niet-Westerse” allochtoon is zich ervan bewust dat hij voor alles harder moet werken dan de zogenaamde blanke, “autochtone” Nederlander, omdat hem niet zomaar kansen worden gegeven. Het lijkt alsof de “autochtone” Nederlander naar de Turk of Marokkaan kijkt als een gevaar, niet als een medeburger, maar als iemand die voor de verloedering van het land zorgt. Ze zijn het gevolg van angst en xenofobie, waardoor de “allochtone” Nederlander de zondebok wordt waarop al het negatieve in dit land wordt afgeschoven.

    • Avatar of margareth

      margareth 8:52 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Jing, Je essay gaat diep en geeft veel aanknopingspunten om te reageren. Bedankt voor het triggeren van mijn hersencellen. Mijn bijdrage: Welvaart/ ontwikkeling wordt vaak uitgedrukt in BNP (Bruto Nationaal Product) maar je echt ‘rijk’ voelen is niet alleen iets economisch. De uitdrukking ‘Geld maakt niet gelukkig’ kennen we natuurlijk allemaal, menigeen reageert daarop met ‘maar het is toch wel een handig hulpmiddel’. Daarover alleen kan ik behoorlijk uitweiden, maar dat doe ik hier niet; die richting wil ik nu niet op. Ik wil de kant op van de basisbehoeftes en basisvoorwaarden om tot ontwikkeling te kunnen komen. Ik denk daarbij o.a. aan Martha Nussbaum die zegt dat het begrip armoede door die bril anders gezien kan worden. Indien armoede je mogelijkheden beperkt, begin je met een achterstand die hardnekkig is. De eerste levensbehoeften moeten nu eenmaal eerst gevoed zijn voordat er ruimte is voor iets zoals passie voor een vak. Kom je uit een cultuur – of word je opgevoed met een bepaalde cultuur, waarbij die vervulling van basisbehoeften onveilig aanvoelt, dan draag je denk ik, bewust of onbewust, dat gevoel met je mee. Hier los van komen vraagt aandacht, bewustwording en aanpak. Ieder mens, van welke cultuur dan ook, all over the World, heeft het recht om zichzelf te ontplooien. De weg daarnaar toe is voor de 1 zwaarder, langer, moeilijker dan de ander. Uiteindelijk maak je zelf een keuze waarbij je misschien banden los moet snijden die jou tegen houden. Ik heb het dan niet over persoonlijke banden maar historische banden die niet passen in de wereld waarin jij nu leeft. Niet omdat ze niet waardevol zijn maar omdat ze je beperken. Besef me heus wel dat dit makkelijker gezegd dan gedaan is maar wil je gaan waar je hart je stuurt dan heb je eigenlijk geen keuze. Wat zou het heerlijk zijn als geld en middelen zo verdeeld waren dat iedereen onbelemmerd kon groeien maar misschien zou het dan geen ‘groei’ meer zijn ………….

      • Avatar of jwhiah

        jwhiah 6:09 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Margareth, bedankt voor je mooie reactie! Wat je hebt aangehaald van Martha Nussbaum heeft voor mij veel betekenis en geeft mij nieuwe stof om over na te denken.

        Maar aanvullend hierop lijkt mij, dat als je het hebt over het lossnijden van historische banden bij het kiezen van een studie, dat wanneer je juist een vak als literatuurwetenschap kiest, je wellicht juist kunt over geven aan die historische banden, dat je juist op onderzoek gaat naar de cultuur van toen, naar die geschiedenis. Meer dan nog bij die andere, praktische studies…. (ook al lezen we wel veel van de westerse canonieke werken en auteurs.. maargoed, Nederlands en Engels als voertaal zijn ergens ook wel beperkend voor de keuze in literaire werken – dit is misschien weer een ander punt, en geeft ons nog meer stof om over na te denken…..)

      • Avatar of lara

        lara 10:59 pm on November 7, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Beste Margareth, ik vind je reactie ook mooi. De stelling ‘geld maakt niet gelukkig’ kan alleen door iemand onderbouwd worden die het geld heeft (gekend) en er niet gelukkig mee was. Ook al ben ik niet rijk, ik heb genoeg financiële zekerheid om me heen (familie, verzorgingstaat) om te voelen dat dit mij niet gelukkig maakt. Alle consumptie die me wordt opgedrongen draagt bij aan een afwijzing ervan.
        Vandaag de dag zou ik persoonlijk eerder spreken van het doorsnijden van culturele dan historische banden, hoewel deze niet los van elkaar bestaan natuurlijk. Historie is afgelopen, en cultuur is aan de gang. Cultuur komt voort uit historie. Ik kan actief reageren en ageren tegen cultuur. Het hebben van een dubbele culturele achtergrond geeft me nog een extra kritische kijk op cultuur, op de arbitrariteit ervan. Ben ik 50% het één en 50% het andere?

    • Avatar of

      khnilka 10:24 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Wat ik mij afvraag, is of het niet ook voor een groot deel samenhangt met het mileu waarin je opgroeit? En dan bedoel ik voornamelijk de mensen om je heen. De mensen waarmee je omgaat hebben een grote invloed op hoe je gevormd wordt. Ik denk dat je je door deze keuze laat leiden, tenzij je van tevoren een vast idee hebt dat je iets wilt worden, maar veel mensen weten dit volgens mij niet en gaan dan mee met wat vrienden doen. En ik denk dat dit geldt voor iedereen, autochtoon of allochtoon. Maar als ik bijvoorbeeld ook kijk naar mijn vwo klas, waren er al om te beginnen maar 2 leerlingen van buitenlandse afkomst. Met het idee van de thuissituatie in het achterhoofd en wat die denken over een goede opleiding, is de kans in mijn ogen klein dat een ‘allochtoon’ kiest voor geesteswetenschappen.

    • Avatar of maartje

      maartje 1:28 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste jwhiah,
      Je hele betoog mist een bepaalde stelling, naast dat het goede punten naar voren brengt.
      Wat betreft je hoofdonderwerp: Nederland is een van de weinige landen in de wereld waar mensen met buitenlandse afkomst of buitenlandse ouders, nog steeds ‘allochtoon’ genoemt blijven worden. Ondanks dat ze hier geboren zijn oid. Ik heb voorbeelden gezien van andere landen waar de allochtonen direct inwoners werden van het land waar ze verbleven en niet meer de classificatie van allochtoon op zich kregen. Het lijkt mij ook een stereotypering, terwijl men zo graag wil dat iedereen intergreert in Nederland. Bizar toch? Ook de generalisatie ‘allochtonen kiezen voor een nuttige studie’ van Job Cohen, lijkt enkel een stereotypering die niet helemaal klopt. Dat iemand uit een bepaalde milieu komt heeft voorkeuren, prima, maar sommige Nederlanders kiezen toch ook voor ‘nuttige’ studies? Het steeds afzetten van de buitenlander tegenover de binnenlander is volgens mij slecht voor de samenleving als geheel. Wat denk jij?
      Gr.

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 11:59 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Zeer helder essay. Je formuleert duidelijk standpunten die voor een groot deel wel uitdrukken wat ik ook had verwacht na het lezen van het citaat van Cohen. Of het slecht is om een autochtoon/allochtoon onderscheid te maken is in mijn ogen niet zo belangrijk, we hebben inmiddels namelijk te accepteren dat mensen dat onderscheid nou eenmaal maken, hoe verkeerd dan ook. Verder zou ik er toch graag achter komen waarom ”alloochtonen” nou voornamelijk praktische studies kiezen. is dit inderdaad omdat het cultuurgebonden is en door het milieu waar iemand opgroeit?

      • Avatar of sverest

        sverest 1:43 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik denk dat de stereotypering komt omdat de zogenaamde (intellectuele) elite graag in termen van ‘hokjes’ praat. Dat we nog steeds over ‘allochtonen’ spreken en niet over gewoon ‘Nederlanders’, want dat zijn ze per slot van rekening gewoon, komt denk ik voor een groot deel door de angst. Angst van de zogenaamde elite, maar ook van de onderbouw dat iets van buitenaf (letterlijk: ‘een buitenlander’) hun land, cultuur en traditie bedreigt. Het is de starre, conservatieve geest van Nederland die voor deze angst zorgt. We praten over ‘allochtonen’, puur omdat we bang zijn dat deze ‘allochtonen’ “ons” land afpakken, met andere woorden: we zijn bang voor verandering. En niet alleen in Nederland, maar over de hele wereld. Eeuwenlang hebben wij, het Westen, onszelf voorgehouden dat we de wereld moesten beschaven en, bovenal, dat onze normen en waarden, ons denken, superieur was aan dat van andere, niet-Westerse landen. Nu dreigt dat imperialistische denken en handelen omver te worden geworpen, omdat die (van oorsprong) niet-Westerse mensen op “ónze” universiteiten studeert, werkt op plekken waar ook “ónze” Henk had kunnen werken. De ‘mindere’ (zoals wij Westerlingen de niet-Westerse eigenlijk zien) is op gelijke voet met ons gekomen, en dat boezemt ons enorm veel angst in. Vandaar, volgens mij, dat we nog graag over “de allochtoon” praten, om ons zo nog boven de niet-Westerling te plaatsen.
        Want als we over Amerikanen of Duitsers praten die Nederlander zijn geworden, spreken we dan over “allochtonen”? Nee, volgens mij niet. Want zij zijn één van ons, hebben net als ons dat imperialistische denken eeuwenlang tegen beter weten in gerechtvaardigd.

        Overigens vraag ik me af of wij Nederlanders alleen zo denigrerend over niet-Westerlingen praten, ik denk dat – mede door wat ik hierboven heb betoogd – dat in meerdere landen zo is.

        • Avatar of thomashvv

          thomashvv 3:20 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Een belangrijke vraag hierbij lijkt me: zien mensen in ‘allochtone’ landen ons, Westerlingen, als wij daarheen gaan ook als allochtonen? Ik weet het antwoord niet, maar mijn gevoel zegt me van wel; en dan, sverest, vervalt toch een deel van wat jij zei – in elk geval het deel van het superioriteitsgevoel. Ik denk dat dat begrip minder belangrijk is hierbij dan de ‘Andersheid’ – en dat om die reden ‘allochtone landen’ Westerlingen min of meer hetzelfde behandelen als die daarheen emigreren. Natuurlijk niet precies hetzelfde, want in het Westen is nu eenmaal meer welvaart, en waar welvaart is zijn er mensen om daarvan te genieten, maar toch denk ik dat je het zo kunt bekijken: als fundamenteel verschillende leefwerelden (‘autochtoon’ en ‘allochtoon’) met andere gebruiken, gedachten en geloven. Een mens is nu eenmaal bang voor dat onbekende, niet in de eerste plaats omdat het hem gevaar aanricht, maar eenvoudigweg omdat hij het niet kent. Hierbij moet ik denken aan de literatuurwetenschapper Saïd, die in zijn werk ook heeft aangegeven dat Westerlingen en Oosterlingen fundamenteel verschillen en dat er daarom bij het beschrijven van ‘de ander’ vanzelf wordt uitgegaan van het omgekeerde van waar je jezelf voor houdt. Hiermee praat ik het gebruiken van de term ‘allochtoon’ overigens allerminst goed – ik ben er zelf om evidente redenen ook tegen -, ik probeer het alleen in een iets anders perspectief te plaatsen.

          • Avatar of sverest

            sverest 7:01 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

            Natuurlijk heb je hierin gelijk, maar niet in dat je zegt dat het superioriteitsgevoel voor een deel vervalt. Dat is namelijk de manier waarop wij Westerlingen onszelf zien t.o.v. het niet-Westen. Dit heeft inderdaad met ‘andersheid’ te maken, zoals Saïd dat in “The Orientalism” blootlegt. Het Westen geeft van het oosten een bepaald beeld, een beeld zoals wij – in onze gedachten – het oosten zien. Dit beeld is precies tegenovergesteld aan de manier waarop wij onszelf zien. Waar de oosterling als primitief en niet-beschaafd wordt beschouwd, wordt indirect gezegd dat de Westerling het tegenovergestelde is én dus superieur is aan de oosterling. We hebben ons dus voor eeuwen graag boven de ‘andere’ geplaatst, maar worden nu geconfronteerd met het feit dat deze ‘andere’ dezelfde rechten heeft en niet meer ondergeschikt aan ons is. Daar komt denk ik dat ‘allochtoon’ noemen vandaan: de angst om de superioriteitspositie te moeten afstaan.

  • Avatar of FlorisPieterse

    FlorisPieterse 12:45 am on October 30, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags:   

    Verdwaald in het literair niemandsland 

    De afgelopen week was ik in gesprek met een hbo-student die, nadat ik haar verteld had welke studie ik volgde, bewust of onbewust een zeer rake opmerking over de literatuurwetenschap maakte. Ze zei dat het bestuderen van literatuur niets voor haar zou zijn omdat ze door de overvloed van beschikbare teksten uiteindelijk zou “verdwalen”. Het is het idee van verdwalen dat ik in dit korte essay wil bespreken. Hoe kunnen wij verdwalen in onze discipline? En hoe proberen we dit te voorkomen? Is het wel mogelijk om niet te verdwalen als je uiteindelijke bestemming altijd onduidelijk is?

    Laat ik beginnen met een visuele metafoor die bovenal mijn persoonlijke ervaring als student tot nu toe uitbeeldt Een zwerver (de literatuurwetenschapper) staat tussen twee flatgebouwen in. Op het ene flatgebouw staat een bord met het woord ‘theorie’ en op het andere een bord met het woord ‘literatuur’. Ik beeld de literatuurwetenschapper als zwerver uit omdat alhoewel hij vrije toegang heeft tot allebei de gebouwen, hij in geen van beiden woont. Voor het beoefenen van zijn discipline neemt de literatuurwetenschapper uit ieder gebouw datgene wat hij denkt nodig te hebben en keert terug naar zijn plaats op straat om aan het werk te gaan.

    De eerste vraag die gesteld moet worden is: waarom zijn er überhaupt twee aparte gebouwen? In The Practice of Everyday Life geeft Michel de Certeau commentaar op de discursieve tweedeling van theorie en praktijk en identificeert kunst als ‘a kind of knowledge that operates outside the enlightened discourse which it lacks.’ (66). De Certeau geeft kritiek op het proces op discursieve uitsluiting als universalistisch “trucje”, maar lijkt er zelf ook met moeite aan te ontkomen wanneer hij literatuur beschrijft als ‘a repertory of these practices that have no technological copyright’ (70). Alles wat echt betekenisvol is neemt volgens De Certeau misschien wel plaats buiten het discursieve, maar dit maakt het discursieve toch niet meteen tot iets negatiefs? Dat wat betekenisvol is wordt uiteindelijk toch wel geproduceerd door middel van deze discursieve uitsluiting? Is de discursieve uitsluiting dan niet gewoon een proces dat gebruikt wordt bij duidelijk gebrek aan beter? Waarom zijn er twee gebouwen? Omdat één gebouw te groot zou zijn en de zwerver erin zou verdwalen.

    Maar hoe weet de zwerver eigenlijk waar hij naar moet zoeken in de gebouwen? Gaat hij met een voorbedacht plan naar binnen of pakt hij willekeurig wat hij maar pakken kan? En welke van de twee methodes levert het beste resultaat op? Literaire vaardigheid wordt door De Certeau duidelijk gedefinieerd als een “kennis die niet erkend wordt als kennis” en alleen op onbewust niveau wordt ervaren als kennis ‘there is knowledge, but it is unconscious; reciprocally, it is the unconscious that knows.’ (71). Ten eerste moet aangeduid worden dat De Certeau tijdens zijn betoog een beroep doet op de Freudiaanse psychoanalyse die vandaag de dag toch bekend staat als beruchte pseudo-wetenschap. Ten tweede, als de literatuur doordrenkt is met “verborgen kennis”, is het dan niet de logische taak van de literatuurwetenschapper om deze kennis in kaart te brengen met behulp van de middelen waarmee de twee bovengenoemde gebouwen hem voorzien? Om een concreet voorbeeld te geven: voor het schrijven van dit essay gebruik ik de tekst van De Certeau die afkomstig is uit een bepaald discours en pas die toe op mijn ervaring als student literatuurwetenschappen in de afgelopen tweeënhalf jaar, oftewel: het soort non-discursieve kennis die de literatuur volgens De Certeau hoort te bezitten.

    En wat kan ik hieruit concluderen? Ik heb mij buiten het traditionele discours gewaagd en alles lijkt nog vager dan voorheen. Ik sta op straat tussen de twee flatgebouwen zonder enig idee waar ik heen moet of waarom ik erheen zou moeten. Ik ben verdwaald, maar dat is volgens De Certeau juist de bedoeling. Uiteindelijk zal ik een richting moeten kiezen, niet om daar te gaan wonen, maar om te nemen wat ik nodig heb en daarna verder te gaan.

     
    • Avatar of lanabroekaert

      lanabroekaert 12:20 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      He Floris,

      ik vind dat je een mooie metafoor hebt gevonden, al zie ik het meer als een overlapping van de twee discoursen, en niet zozeer dat je er echt tussenin staat. Jij besluit jouw betoog met: “Uiteindelijk zal ik een richting moeten kiezen, niet om daar te gaan wonen, maar om te nemen wat ik nodig heb en daarna verder te gaan”. Ik denk dat bij deze keuze de know-how die de Certeau introduceert van belang is. Door oefening en herhaling van onderhandelingen tussen beide discoursen, leert iemand over deze know-how beschikken. En zodra je hierover beschikt, zal de keuze die je maakt goed zijn (zo heb ik het opgevat). Dus de weg die jij aflegt tijdens je studie is een vorm van deze oefening en herhaling, waarmee je klaargestoomd wordt met een portie know-how om op jouw manier een bijdrage te leveren aan de literatuur.

    • Avatar of Léonie

      Léonie 1:34 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ha Floris,

      Mooi essay. Ik vraag me echter een paar dingen af:

      -Ten eerste, waarom is verdwalen tussen literaire teksten, dus bij Literatuurwetenschap, gemakkelijker dan bij andere studies? Als we bijvoorbeeld naar de studie Geschiedenis kijken, is de kans om te verdwalen daar dan niet even groot? En bij Geneeskunde? Scheikunde? Natuurkunde? Psychologie? Al deze studies moeten gebruik maken van teksten, theorieën, stoffen, praktijken, aannnames. Waarom zou dat bij ons lastiger zijn dan bij andere studies?

      -Ten tweede vraag ik mij af waarom je een zo sterke grens tussen ‘literatuur’ en ‘theorie’ ziet. Je zei bijvoorbeeld tijdens college dat je Elisabeth Costello niet ‘als roman’ kon lezen, maar misschien gemakkelijker als ‘theoretische tekst’. Maar: wat is dat, iets lezen als een roman? Misschien ben ik naïef of wat dat betreft een slechte literatuurwetenschapper (haha), maar als ik lees, dan… ‘lees’ ik. Ik kan me net zo makkelijk met theorie identificeren bij een theoretische tekst, als bij een roman. Maar misschien hebben het we hier over verschillende manieren van identificeren: ik vind “de persoon” hierbij namelijk niet zo belangrijk, maar “het idee” (ik kan me daarom ook makkelijker identificeren met een tekst van Nietzsche dan een chicklit over een jonge vrouw in Amsterdam, terwijl ik qua personage meer gelijkenissen (nu ja, ik hoop het niet, maar even voor de vorm) met de tweede tekst). Begrijp je? Hoe denk jij daarobver?

      Léonie

      • Avatar of FlorisPieterse

        FlorisPieterse 11:25 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hé Leonie,

        - Ik denk dat literatuurwetenschap verschilt van de andere studies die je noemt in het feit dat wij literatuurwetenschappers enkel en alleen teksten bestuderen. Geneeskunde, scheikunde, natuurkunde en psychologie hebben ieder één of andere fysieke manifestatie om hun theorieen op lost te laten (natuurlijke verschijnselen, het menselijk lichaam, het gedrag van patïenten etc.)

        - De narratologische trucjes die Coetzee uithaalde maakten het lezen van Elizabeth Costello een erg desorïenterende ervaring voor mij, maar dat heeft niet zozeer met identificatie te maken. Net zoals jij kan ik me ook met een theoretische tekst net zoveel identificeren als een roman. Maar voor mij moet een roman mij op meer niveau’s aanspreken dan een theoretische tekst. Bij een roman moet in mijn mening altijd enige ‘suspension of disbelief’ aanwezig zijn en het feit dat Coetzee actief die ‘suspension of disbelief’ probeert te vermijden maakt Elizabeth Costello voor mij tot de uitzondering die de regel bevestigt. Waarom zou Coetzee anders zulke trucjes gebruiken als hij er niet van uitging dat mensen zijn roman op een bepaalde manier zouden lezen?

    • Avatar of yvonne

      yvonne 2:45 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Floris,

      Jouw essay deed me aan de tekst van Jaspers denken, pagina’s 39/40:
      ‘Perhaps the student never had been quite clear about what he wanted, what he was doing. At any rate, he becomes disillusioned, confused. He ceases striving and loses himself in blind alleys. [...] If he is lucky, the individual student makes his own way, a way that leads to development and purpose, guided only by his personal intuition. Ultimately, he who does not know where he is going goes the farthest.’

      Je schrijft: ‘Ik heb mij buiten het discours gewaagd en alles lijkt nog vager dan voorheen.’ Correct me if I’m wrong, maar ik proef daar een negatieve waardering in. Ik zie het juist als een fantastische mogelijkheid om je eigen route te bepalen, daar ligt de vrijheid om je eigen ding te doen. Beter dan opgesloten te zitten in een van de twee flatgebouwen: dat lijkt veiliger, maar daarvoor geef je wel een deel van je vrijheid op.

      Mijn vraag aan jou: blijf je (als literatuurwetenschapper) altijd zwerver, of zie je dat als voorbehouden aan de periode van student? Of om in jouw metafoor te blijven: ga je bijvoorbeeld ooit een huis bouwen tussen de flats?

      • Avatar of FlorisPieterse

        FlorisPieterse 11:41 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik denk dat ik misschien iets te melancholiek overkwam in het laatste gedeelte van mijn essay. Om heel eerlijk te zijn zie ik het niet als iets negatiefs of positiefs. Het is simpelweg wat het is en wat ervan gemaakt wordt ligt aan het individu.

        Maar om je vraag te beantwoorden: Hoe meer ik over dit onderwerp nadenk, hoe meer ik eigenlijk tot de conclusie kom dat specialisatie de meest wenselijke optie is. Dus ja: ik zie de periode als student vooral als een kans om het landschap van de literatuur goed te verkennen zodat je uiteindelijk een gechikte plaats voor jezelf kan vinden. Natuurlijk betekent dit niet dat je gebieden buiten je specialisatie uit moet sluiten, maar het hoofdpunt blijft dat je moet vermijden een “Jack of all trades / Master of none” te worden. Je moet jezelf niet te dun uitsmeren.

    • Avatar of merelsijbrant

      merelsijbrant 6:02 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hai Floris,

      Jouw metafoor doet mij gelijk denken aan de tekst die wij eerder van de Certeau lazen: ‘Walking the City’ (toch?). Ik denk dat Léonie een goed punt aandraagd: misschien is het niet meer de bedoeling om theorie en literatuur zo scherp gescheiden te blijven zien. Volgens mij was dat ook het idee waar Certeau zich tegen af zette: je hoeft niet altijd alles maar in afzonderlijke hokjes (of cirkeltjes of discoursen) in te delen. Je kunt ook (zoals hij in het eerdere (lees: eerder gelezen) artikel deed) de stadsindeling als een literair werk benaderen. Je komt dan tot heel andere inzichten. Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen idee heb hoe je daaraan moet beginnen (ook ik ben netjes geïndoctrineerd met het ‘Foucault for President’- complex). Misschien moeten we allereerst is jouw twee gebouwen met de grond gelijk te maken (dan halen we de inhoud er eerst even uit) en dan een leuk tentenkampje te bouwen waar Sjakie Theorie en Henkie Praktijk willekeurig naast elkaar liggen. Vervolgens gaan we kijken welke combinaties we dan treffen zonder ze in hun oorspronkelijke hokjes te plaatsen.
      Waarneer beginnen we?

      Merel.

      • Avatar of thomasvangrol

        thomasvangrol 9:40 am on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik vraag me af: zou je wel de inhoud uit de twee gebouwen kunnen halen zonder dat je er schade aandoet? Ik denk het niet, en ze met de grond gelijk maken lijkt me ook geen goed idee. Het lijkt mij een beter idee om een nieuwe flat te bouwen, juist er tussenin, zodat het uiteindelijk één geheel wordt. Dus ik pleit toch, in tegenstelling tot Floris, om liever te verdwalen in een flat, dan buiten de flat.
        Oftewel: Met één groot gebouw van Literatuur, praktijk en theorie verdwaal je misschien, maar je komt ook in kamers die je anders waarschijnlijk niet had ontdekt. En je zit droog en warm. Ik ben er dan ook helemaal voor om een vak zoals Creatief Schrijven te geven op de UvA, omdat ik denk dat het heel veel inzicht kan bieden in theorie, maar ook in literatuur.

    • Avatar of Rowan

      Rowan 3:15 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hee Floris,

      Wat een apart interessant metafoor, om ons studenten als zwervers te zien. Zoekend tot wat we willen worden. Qua dat aspect vind ik het woord zwerver er prima bij passen, verdwalend in een stad met geen thuis. Maar ik heb echter ook deels ‘n probleem met het woord zwerver, omdat een zwerver alles probeert om te overleven, constant op zoek naar eten .. Bedoel je met dit gedeelte dan zoiets als dat wij, als studenten, constant op zoek zijn naar theorieën, nieuwe informatie, het zoeken naar oplossingen binnen de gevonden problemen? Ik denk dat ik meer kan vinden in het woord nomaden, of backpackers.. we zijn aan het reizen in het land van de filosofie, van de literatuur, van de theorie. We ‘snuiven de cultuur op’ binnen verschillende studies (doordat we ondere andere keuzenvakken en minors volgen). Als student zijnde denk ik dat je nog bezig bent met het vinden/creëren van je ‘roeping’, je ‘einddoel’. Je bent nog niet klaar om te ‘settelen’ binnen een studie of zelfs groter in de maatschappij.

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 7:56 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik denk dat Floris dat niet zo bewust heeft overwogen, die nood aan theorie en literatuur om te overleven. Maar op jouw reactie vraag ik me af: wanneer zijn wij ‘klaar’? Zijn we ooit ‘af’? Ik denk niet dat iemand de illusie heeft dat we ooit af zijn. Ik denk dat we altijd moeten blijven (uit)bouwen aan ons huisje en dat we dat vooral niet moeten vergeten. Wellicht zijn we als student dan inderdaad meer op zoek naar de locatie van ons ‘huis’, zodat we het kunnen combineren met de andere waarden in ons leven. Nou, wat een metaforen toch, haha!

      • Avatar of FlorisPieterse

        FlorisPieterse 8:16 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Rowan,

        “Alles proberen om te overleven en constant op zoek naar eten” heeft geen betrekking op studenten? Echt? Ik weet niet hoe het met jou zit, maar het bedrag op mijn bankrekening kan mij niet bepaald wekelijkse etentjes bij Chez Pierre garanderen.

        Maar even serieus, ik doelde met de term “zwerver” vooral op “iemand die zwerft” dus als je beter kan slapen door daar “nomade” of “backpacker” van te maken moet je dat vooral doen. Het leek me alleen een passende term met betrekking tot de twee flatgebouwen.

        Ik denk overigens ook niet echt dat wij ooit “af” zijn op de ideale manier. Ik denk wel dat we op een gegeven moment een keuze moeten maken, of we er nu klaar voor zijn of niet. Er zal altijd wel een gevoel van twijfel of het incomplete aanwezig zijn, ik denk niet dat daar aan te ontkomen valt.

        • Avatar of Rowan

          Rowan 9:43 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik kan me vinden in het idee dat we eigenlijk allemaal nooit ‘af’ zijn. We kunnen er inderdaad zoals je zegt niet aan ontkomen om wel keuzes te maken, al zouden we soms het gevoel hebben dat we er niet klaar voor zijn.

          Ik begrijp dat je iemand bedoelt die zwerft, maar toch vind ik nomade/backpacker dan inderdaad prettiger. Misschien kan ik met deze kleine verandering dan beter slapen ;)

    • Avatar of margareth

      margareth 11:10 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Mooi Floris hoe je hier met taal speelt, ik houd persoonlijk van metaforen. Die kunnen zoveel meer uit drukken dan ’gewone’ taal. Ik vind de term zwerver nog niet zo gek; de literatuurwetenschapper als een soort van globetrotter, die verschillende rollen aanneemt (methoden) om inzicht te verwerven uit de cultuur (uitgedrukt in de vorm van een tekst cq literatuur). Juist die methodiek als ondersteuning is essentieel in een wereld die vandaag de dag nog complexer en groter lijkt. Is de mens ook niet een soort van zwerver? De zoekende mens die richting probeert te geven aan zijn leven? Die ook over de wereld zwerft en misschien niet altijd zoekt naar 1 plekje maar juist geniet van de afwisseling en vrijheid die het zwerven biedt?

      • Avatar of FlorisPieterse

        FlorisPieterse 8:37 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hallo Margareth,

        Om mijn metafoor meteen op het leven in het algemeen te gaan toepassen is misschien een beetje voorbarig. Terwijl ik als student wel op zoek ben naar een soort doel of uiteindelijke bestemming die op dit moment onzeker is, stuiven ik mijn hele leven al af op een bestemming die zeer duidelijk, maar niet bepaald wenselijk is.

        Misschien een beetje lugubere manier om het te stellen, maar ik wil wel duidelijk maken dat mijn studentenervaring niet bepaald overeenkomt met mijn ervaring van het leven in het algemeen.

    • Avatar of yvonne

      yvonne 9:34 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Floris,

      Ik probeer om de metaforen heen te gaan, want die dingen gaan een eigen leven leiden.
      Je schreef in jouw reactie van 1 november al meer tot de conclusie te zijn gekomen dat specialisatie de meest wenselijke optie is en je klinkt vrij uitgesproken wanneer je schrijft dat je moet vermijden een “Jack of all trades / Master of none” te worden, oftewel ‘Je moet jezelf niet te dun uitsmeren.
      Hoe zie je in dat kader de beweging binnen de universitaire wereld en subsidie-verstrekkende instanties om de nadruk te gaan leggen op interdisciplinair onderzoek? Zie je jezelf (t.z.t.) aan een tweede studie beginnen, om binnen jouw specialisatie voordeel te halen uit een Master of Two. Als we naar onze docenten bij de bachelor LWS kijken zien we bijna bij velen dat zij een andere studie dan LWS als voorgeschiedenis hebben: we hebben bijvoorbeeld Engels, 2 x Frans, 2 x Filosofie – denk ik. (Wie meer biedt, kan roepen). Is dat in jouw ogen een voordeel of juist niet/een toevalligheid?

      • Avatar of FlorisPieterse

        FlorisPieterse 10:43 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hé Yvonne,

        Laat me duidelijk zijn: ik zie de studententijd zelf (of in ieder geval het merendeel ervan) niet als een periode waarin gespecialiseerd moet worden. De student moet juist goed kunnen rondkijken en verkennen zodat hij later een geïnformeerd besluit kan nemen met betrekking tot zijn specialisatie en als dat mensen ertoe leidt een tweede studie te volgen, zo zij het.

        Dit zijn natuurlijk allemaal individuele besluiten en af en toe moet men buiten de universiteit of de oplleiding stappen voor inspiratie (denk aan Besser en zijn tropicalisme-onderzoek). Er zijn voor- en nadelen aan lang door blijven studeren en wie ben ik om die allemaal over één kam te scheren?

    • Avatar of nikkidekker

      nikkidekker 10:42 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      “Dat wat betekenisvol is wordt uiteindelijk toch wel geproduceerd door middel van deze discursieve uitsluiting?”

      Hoewel ik de metafoor van de zwerver en de twee gebouwen niet al te sterk vindt (ik denk wel zeker dat de literatuurwetenschapper zijn eigen huis heeft; het huis van de literatuurwetenschap, en dat dat wellicht uit verschillende verdiepingen bestaat, maar dat allemaal terzijde) en het ook niet echt eens ben met je stelling dat we ons moeten specialiseren/een bepaalde richting moeten kiezen en op moeten gaan (ik denk dat als ik iets geleerd heb van deze studie, het wel is dat plannen machteloos zijn tegenover het lot, de kansen en de domme dingen die we zelf doen) wil ik wel even zeggen dat ik bovenstaand citaat een geweldige gedachte vind. Zo had ik er zelf nog niet over gedacht; als er geen theorie was, kon de kunst niet theorieloos zijn, en misschien betekende kunst dan ook wel minder. Bravo! Ik ga er nog eens wat meer over nadenken.

    • Avatar of maartje

      maartje 1:17 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey Floris,
      Te gek gezegd! Wat mijn eerste gedachte was na het lezen van je tekst is of er niet inderdaad altijd 1 gebouw is, omdat vaak literatuur en theorie samenkomen? Dit suggereer jij ook enigszins, maar vervolgens meld je dat je er dan in verdwaalt. Wat een mooi ideaal zou zijn en om het nog wat ingewikkelder te maken: zou je dat ene gebouw niet kunnen opsplitsen in verschillende [overlappende] discoursen? Hierdoor creeer je een orde binnen de door jou beschreven chaos. Ook is daarin de mogeiljheid tot praktijk te vinden omdat de discoursen binnen het gebouw overlappen en daar zit volgens de Certeau de praktijk. Hoe denk je hierover?
      gr.

    • Avatar of clau

      clau 6:24 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Floris,

      Echt een mooie metafoor, zowel die van de flatgebouwen als ook die van de literatuurwetenschapper als zwerver. Juist jouw vraag of je eigenlijk wel kunt verdwalen wanneer je geen doel hebt raakt me. Als je een doel hebt dan kun je de weg kwijt raken, maar wanneer je zonder bestemming zomaar wat ronddwaalt dan is de weg zelf kwijt. Als literatuurwetenschapper zou je dan kunnen stellen dat de weg de volgende instantie is die dood moet worden verklaard. Of dat de weg simpelweg ophoudt te bestaan.
      Over de opmerking van de hbo-studente: ik vraag me af of je in literatuur überhaupt kunt verdwalen. Misschien wel, maar dan niet meer dan in het ‘gewone leven’. Volgens Barthes staat de wereld vol met tekens die we interpreteren en waar we betekenis aan toe kennen. Leven is eigenlijk ook een manier van lezen, van de tekens om ons heen interpreteren en er betekenis aan te geven.
      En is het niet ook zo dat een zwever niet nergens thuis is, maar overal? Dat hij in staat is om zijn eigen plek te creëren, maar ook niet bang is om verder te gaan, te zoeken, te dwalen?

    • Avatar of simonevs

      simonevs 10:01 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ha Floris,

      Uit jouw essay citeer ik: ‘Het is het idee van verdwalen dat ik in dit korte essay wil bespreken. Hoe kunnen wij verdwalen in onze discipline? En hoe proberen we dit te voorkomen? Is het wel mogelijk om niet te verdwalen als je uiteindelijke bestemming altijd onduidelijk is?’

      Ik stel er tegenover:
      Is het wel mogelijk om te verdwalen als je geen uiteindelijke bestemming hebt? Hoe kun je immers verdwalen als je geen bestemming hebt? Dan is elk pad en elke weg die je inslaat toch een evenwaardige optie? Je bent niet op zoek naar een eindbestemming dus kun je ook niet verkeerd terecht komen.

      Zodoende staan er geen twee fysiek afgebakende gebouwen voor de literatuurwetenschapper (de zwerver), maar alleen één grote brij van informatie, theorieën, ideeën en ficties (met het internet als materiële vertaling hiervan). Of het beter is geen idee, toch stemt het hoopvol dat iemand zonder bestemming ook niet verdwalen kan..

    • Avatar of ellenswart

      ellenswart 11:15 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik vind het zo grappig dat je deze metaforen van flatgebouwen hebt gekozen Floris, omdat dit me zo ontzettend doet denken aan die andere tekst van de Certeau (die Merel ook al even aanhaalde), die we bij inleiding cultuuranalyse hebben gelezen.. Daar stond het idee centraal dat als je overzicht hebt, je niet kunt handelen en als je handelt, je geen overzicht hebt.

      “Voor het beoefenen van zijn discipline neemt de literatuurwetenschapper uit ieder gebouw datgene wat hij denkt nodig te hebben en keert terug naar zijn plaats op straat om aan het werk te gaan.”

      Hier zeg je het eigenlijk al: de literatuurwetenschapper kan nou eenmaal niet aan het werk gaan met alleen maar de theorie of alleen maar de praktijk. Het is altijd een samenwerking en dus lijkt het mij dat die notie van verdwalen ook onontkoombaar is. Het samenwerken moet op straat gebeuren; daar waar je geen overzicht hebt.. Maar misschien kunnen we er met de tijd wel beter in worden de paden te herkennen. En dan kunnen we, vanaf het balkon van het flatgebouw, aanwijzen welke wegen we wel en niet willen begaan.

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 12:06 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Wat een prachtmetafoor weet je te gebruiken om dit zo complexe onderwerp een beetje te duiden. Hoewel ik het misschien wel eens ben met een van de voorgaande reacties dat literatuurwetenschap een gebouw heeft meerdere verdiepingen is jouw beeldspraak ook zeer bruikbaar. Buiten de metaforen om komen er goed uitgedachte punten naar voren over het wetenschaps discours die mij dan weer aan het denken zetten hierover. Vooral een van je laatste alinea’s waarin je aangeeft buiten dat discours te zijn gegaan spreek me erg aan.

    • Avatar of nadja

      nadja 1:59 pm on November 8, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Floris,

      heel mooi essay en hele mooie metafoor. Het doet mij een beetje denken aan een vraag die mij tijdens het schrijven van mijn stukje bezighield. Waarom zijn het twee gebouwen. Om literatuur te begrijpen is natuurlijk theorie nodig, Dat geldt ook als je literatuur als wetenschap wil bestuderen. Je moet toch bepaalde regels hebben om de literatuur binnen het wetenschappelijke kader te plaatsen. En om literatuur op deze manier te bestuderen moet je denk ik een weg door beide gebouwen vinden. Om misschien ook een metafoor in die richting te gebruiken: ik denk dat je de twee gebouwen door bruggen met elkaar moet verbinden om minder verdwaald te raken.

      Groetjes, Nadja

  • Avatar of sverest

    sverest 11:57 pm on October 29, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , organic intellectuals   

    Ongelijkheid als ideaal 

    ‘All men are intellectuals, […] but not all men have in society the function of intellectuals.’ Een prachtig citaat, dat op het eerste gezicht simpel lijkt, maar een hele diepe betekenis in zich draagt dat de essentie van maatschappij en mensheid bloot legt en tegelijkertijd het idee van de gelijke mens als een illusie verwerpt. Gramsci maakt in The Intellectuals duidelijk dat de maatschappij fundamenteel hiërarchisch is.
    Deze hiërarchie komt in de maatschappij simplistisch naar voren in de oppositie bovenbouw, de elite, en de onderbouw, de massa. De bovenbouw bezit in de gemeenschap de functie als intellectueel; de onderbouw niet, zij voeren uit voor de intellectuelen. De onderbouw is letterlijk een grijze massa, een massa die als collectief zijn steen bijdraagt aan de maatschappij, maar waarin de individuen nietszeggend zijn. Het zijn stereotiepen zonder identiteit. Henk en Ingrid.

    Gramsci stelt dat er individuen zijn die opspringen uit deze massa, die zich er tegen afzetten en zich daarbij een identiteit toekennen: de ‘organic intellectuals’. Deze intellectuelen ‘bestaan’ pas op het moment dat ze zich uiten en breken met de onderbouw; het intellectuele zit hem in de emancipatie: het individu breekt met de massa en plaatst zich in een traditie, waardoor het individu zijn identiteit verwerft. Er is sprake van een beweging waarbij de persoon zich van buiten naar binnen beweegt: van buiten de traditie en geschiedenis naar het er middenin staan. Deze beweging is niet alleen een noodzakelijkheid voor het individu om zijn identiteit te bereiken, maar ook een noodzakelijkheid voor de maatschappij vooruit te kunnen. ‘Organic intellectuals’ maken verandering en transformatie mogelijk. Ze maken iets onzichtbaars zichtbaar; zetten iets onbekends op de kaart, omdat ze alleen hierdoor de functie van intellectueel kunnen verkrijgen; als ze iets beweren dat allang bekend is, zullen ze tot de massa blijven behoren.
    De maatschappij kent dus een hiërarchische structuur, waarin de vrije mens niet bestaat. Elk individu is onderdeel van de structuur, een element, dat, samen met alle andere elementen, de maatschappij vormt. De massa is dus niet vrij, maar de intellectuelen eigenlijk ook niet. Ze hebben niet voor niets de functie van intellectueel, het is hun bijdrage aan de maatschappij. Ze zijn een element dat niet los valt te zien van het geheel.
    Dit zou je als een heel sombere kijk op de maatschappij kunnen zien, waarin elk individu eigenlijk niet veel meer dan een machineonderdeel is, maar, buiten het feit dat deze visie volgens mij waar is, is hij ook noodzakelijk geweest om op het punt te komen waar we als mens nu staan. De hiërarchische structuur, met een massa en een elite, maken dit leven mogelijk. Als de hiërarchie zou worden opgedoekt en elk individu de mogelijkheid bezat het intellectuele, dat in hem zit, te gebruiken, dan zou de wereld, en daarbij het leven, één grote chaos zijn. Om producten te maken, daden bij het woord te voegen, heb je een massa nodig die niet hun intellectueel-zijn gebruiken, maar deze uitschakelen en simpelweg uitvoeren wat de intellectuelen hebben bedacht. Het is de noodzakelijkheid om het leven te kunnen leiden, zoals de mens deze nu (in het Westen) leidt. De intellectueel is gebaat bij een massa, maar evenzogoed is de massa gebaat bij een intellectueel.

    Het simpele zinnetje van Gramsci zet dus vraagtekens bij het Verlichtingsideaal van gelijkheid en de vrije, onafhankelijke mens. Is gelijkheid en/of vrijheid voor de massa wel voordelig? Zorgt gelijkheid er niet juist voor dat het fundament van de maatschappij instort en het leven daardoor wordt bemoeilijkt? Ik denk dat ieder mens in onze Westerse maatschappij erbij gebaat is dat er ongelijkheid heerst in rang en functie, ik denk dat het een goed leven mogelijk maakt.

    Literatuur:
    Gramsci, A. The Intellectuals.

     
    • Avatar of milan

      milan 10:10 am on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi,

      Interessante opvatting! Ik ben het met je eens dat te veel vrijheid lijkt te zorgen voor chaos en dat als iedereen ‘intellectueel’ zou zijn er misschien meer conflicten zouden ontstaan.

      Je zegt alleen dat de onderbouw bestaat uit mensen zonder identiteit. Maar heeft niet ieder individu een identiteit? Of die nou uitgesproken is alleen ‘meeloopt’ met de massa. En is die identiteit ook weer niet onderdeel van de ongelijkheid tussen mensen?

      Het zou mooi zijn als ongelijkheid z’n positieve kant heeft, ik vraag me af of mensen van de ‘onderste laag’ er ook baat bij hebben.

      • Avatar of sverest

        sverest 5:12 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ze hebben geen identiteit in die zin dat ze zich niet onderscheiden van de andere individuen uit de massa. Ze beleven het leven, ze leven het niet; passief laten ze zich leiden door de intellectuelen.

        Identiteit is inderdaad onderdeel van de ongelijkheid tussen mensen en zo bedoel ik dat ook. De massa is dan één homogene groep met dezelfde soort identiteiten; daar is weinig ongelijkheid tussen. Maar de intellectueel bezit een ‘eigen’ identiteit, die hem onderscheid van alle andere identiteiten, die de ongelijkheid tussen mensen vorm geeft. Ik hoop dat het duidelijk is wat ik bedoel, maar besef dat het niet bijster duidelijk is uitgelegd…

        Ik probeer te beargumenteren dat de mensen van de ‘onderste laag’ er in die zin baat bij hebben dat door de ongelijkheid er geen chaos ontstaat en ze dus op een aangename, maar niettemin grijze, manier kunnen leven. De ongelijkheid schept duidelijkheid en zorgt ervoor dat er überhaupt interactie tussen grote groepen mensen mogelijk is, wat voor de ‘vooruitgang’ in de afgelopen eeuwen heeft gezorgd.

        Ik plaats ‘vooruitgang’ tussen aanhalingstekens, omdat ik er helemaal niet van overtuigd ben dat er sprake van vooruitgang is geweest. Ik zeg (en vind) niet dat het hiërarchische systeem goed is, maar constateer dat het wel de enige manier is om te kunnen leven op de manier waarop de mens dat nu doet, van alle gemakken voorzien.

        • Avatar of jwhiah

          jwhiah 8:01 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Beste Sverest,

          Je stelt: ‘Ik zeg (en vind) niet dat het hiërarchische systeem goed is, maar constateer dat het wel de enige manier is om te kunnen leven op de manier waarop de mens dat nu doet, van alle gemakken voorzien.’

          Ik vroeg mij dan af, als jij jezelf zou plaatsen, met deze opvatting, tussen/in/onder/boven/naast de verschillende discoursen… waar jij je bevind? Ik heb namelijk het idee dat je niet gelooft in iets buiten het hiërarchische systeem. Maar is dat misschien niet omdat een bepaald discours zo sterk op jou doorwerkt, dat je hetgeen, de hiërarchie (Waar jij niet totaal tevreden mee bent) accepteert? Is dit ook niet precies waar Certeau om de hoek komt kijken, wanneer hij spreekt over actie… het tussen de vertogen staan. Dat je als het ware ook de discoursen kunnen ombuigen.

          Ik pretendeer verder niet dat ik zelf een oplossing heb, maar als ik terugkijk naar de (geregistreerde) geschiedenis, zie ik toch verandering/ omslag en ontwikkeling…

    • Avatar of Gerda

      Gerda 8:22 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest ,

      Als theorie leest jouw essay ‘lekker weg’.
      Toch blijft er iets knagen. Ik ben onder andere blijven hakgen bij het volgende citaat:

      “Dit zou je als een heel sombere kijk op de maatschappij kunnen zien, waarin elk individu eigenlijk niet veel meer dan een machineonderdeel is, maar, buiten het feit dat deze visie volgens mij waar is, is hij ook noodzakelijk geweest om op het punt te komen waar we als mens nu staan. De hiërarchische structuur, met een massa en een elite, maken dit leven mogelijk.”

      Ik vraag mij af of dit niet te ver van de praktijk af staat. De laatste woorden uit dit citaat: “maken dit leven mogelijk”. Dan moet ik toch even denken aan de opkomst van Wilders. Heeft Wilders misschien zoveel stemmen gekregen omdat de ‘grijze massa’ eindelijk wel eens gehoord wil worden? Juist omdat ‘ze’ het gevoel hebben dat ze geen eigen gezicht hebben? Het is volgens mij te sterk uitgedrukt. Evenals jouw laatste zin :
      “Ik zeg (en vind) niet dat het hiërarchische systeem goed is, maar constateer dat het wel de enige manier is om te kunnen leven op de manier waarop de mens dat nu doet, van alle gemakken voorzien.”
      Volgens mij is duidelijk dat “een leven van alle gemakken voorzien” niet het leven zoals iedereen dat voelt.

    • Avatar of FlorisPieterse

      FlorisPieterse 12:12 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest,

      Voor zover als ik het begrijp gaat jouw essay helemaal over de maatschappelijke relatie tussen de “denker” en de “doener” en ik ben het grotendeels met je eens in zoverre dat de twee elkaar nodig hebben. Als je immers teveel nadenkt wordt er niets gedaan en als je dingen doet zonder erbij na te denken krijg je eveneens problemen.

      Waar je me een beetje kwijtraakt is je uitspraak dat niemand “vrij” is van deze polarisering. Impliceert de emancipatorische daad waar de intellectueel door gedifinieerd wordt niet juist een wat meer ambigue situatie in plaats van een stricte tweedeling? Ieder mens heeft toch denker en doener in zich? Één kant is alleen wat sterker dan de ander.

      Is het ook niet een beetje kort door de bocht om dit linea recta als “goed” te bestempelen? Voor mij is het meer een gepast systeem bij duidelijk gebrek aan beter, maar dat kan ook te persoonlijk liggen.

    • Avatar of clau

      clau 6:02 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest,

      Heel mooi dat je Henk en Ingrid in marxistische termen definieert. Ik denk echter niet dat Gramsci het op die manier bedoelde. Gramsci analyseert de wording van een intellectueel en maakt daarbij onderscheid tussen verschillende soorten intellectuelen. En is niet juist het feit dat hij stelt dat ‘all men are intellectuals’ een argument voor het marxistische ideaal van gelijkheid, die helaas door het heersende systeem genegeerd wordt?
      Je stelt ook dat ‘wij’ de grijze massa nodig hebben en dus baat hebben bij hun voortbestaan, want als iedereen opeens een intellectueel zij zijn verzinkt de wereld in chaos. Je veronderstelt dus een dialectische relatie tussen intellectueel en massa. Ik denk dat dit onderwerp ook op dit moment speelt, in de discussie rondom het afschaffen/beperken van de kunstsubsidies, bezuinigingen op onderwijs etc. Henk en Ingrid ontkennen dus dat zij als grijze massa de intellectuele elite nodig hebben…
      Jouw stelling dat het voortbestaan van een strikte scheiding tussen onderbouw en bovenbouw onze manier van leven mogelijk en aangenaam maakt zou Gramsci waarschijnlijk in zijn graf doen omdraaien, maar goed.
      De vraag is natuurlijk hoe je ‘de’ intellectuele definieert- kan intellectualisme niet ook een levenshouding zijn? In dat licht is het niet noodzakelijk dat de sociale functie die iemand inneemt strookt met de levenshouding van diegene. We doen tenslotte allemaal dingen die niet stroken met onze opvattingen over het leven, gewoon, omdat het moet. Maar juist het feit dat in iedereen de mogelijkheid tot intellectueel schuilt, is de essentie van gelijkheid binnen het marxistische model.
      Met andere woorden: ik vind jouw essay heel interessant, hoewel ik het absoluut niet met je eens ben. Want ongelijkheid mag in mijn ogen nooit een ideaal worden, want daarvan hebben we in ‘de echte wereld’ al genoeg.

    • Avatar of

      khnilka 10:34 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest, denk je niet dat er individuen zijn in de ‘onderbouw’ die niet intellectueel zijn, maar die de grijze massa aanzetten tot iets? Nu weet ik niet of ik heb goed begrepen heb, maar waarom is deze rol alleen weggelegd voor intellectuelen van de ‘bovenbouw’?

    • Avatar of maartje

      maartje 12:41 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest,
      Naar mijn mening kwamen de intellectuelen uit het prolitariaat en niet uit de bovenbouw. Om intellectueel te zijn, kunnen ze echter niet meer bij het prolitariaat horen, zoals je zei, maar ondanks dat ligt wel de oorsprong daar. Je hebt het over vrij zijn en over gelijkheid, maar wat versta je daar onder? Wanneer er wellicht zo wordt gekeken dat alles systematisch geordent is, kan men ook niet buiten dat systeem handelen, net zoals Gramsci dat volgens mij vermeldt. Dit is een kwestie van perspectief. Wanneer je Foucault hierop betrekt kan er misschien een ander licht worden geworpen op deze situatie.

      Wat betreft gelijkheid: Dit is een problematiek in de hedendaagse maatschappij een grote rol speelt. Het lijkt zo te zijn dat iedereen gelijken rechten heeft, en er is dan ook een grote aanslag op deze gelijke rechten aan de gang. Enigzins een illusie naar mijn idee, maar schijnbaar heeft Iedereen ergens recht op. Dat hoor je ook vaak in wat voor situatie dan ook. Is dit een slecht gegeven? en wanneer het werkelijk zo is, wat betekend dat voor Gramsci’s beredening? Bestaat het prolitariaat nog wel of is iedereen gladgetrokken? Hoe denk jij hierover?
      gr.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 3:16 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sverest,
      Leuk essay en een mooi standpunt. Het idee van een ”grijze massa” komt bekend voor… volgens mij was het Plato die zei ‘de massa is dom”. Plato had ook een beeld van een wenselijkheid hiërarchische maatschappelijke ordening. Jouw standpunt komt in de buurt van dit citaat (wat ik op internet vond in een stuk over Plato) van paus Pius X (in de encycliek Vehementer (1906 ):
      ”De kerk is van nature een ongelijke gemeenschap. Zij omvat twee categorieën van personen: de herders en de kudde. De massa heeft geen ander recht dan te aanvaarden, geleid te worden en met onderwerping de bevelen te volgen van wie haar leiden”
      Je zou dus de ‘grijze massa” de kudde kunnen noemen en de herders de intellectuelen of de elite. Misschien ga ik met deze bewering wel een verkeerde zijstraat in maar dit citaat is toch sterk vergelijkend met jouw standpunt. Alleen heeft Pius het over de kerk en heb jij het over de maatschappij.
      groetjes, lies

c
compose new post
j
next post/next comment
k
previous post/previous comment
r
reply
e
edit
o
show/hide comments
t
go to top
l
go to login
h
show/hide help
esc
cancel