De dynamiek van het universiteitsideaal

Zowel Jaspers als Heidegger geven in hun artikelen hun visie van het ideaal van de universiteit. Heidegger maakt zelfs een driestappenplan om deze visie tot uitwerking te kunnen brengen. In zijn eerste stap, de zogenaamde Selbst-Verwaltung, stelt Heidegger dat de universiteit autonoom moet zijn, zichzelf moet kunnen regeren en inrichten. Volgens Jaspers’ visie moet er een ideaal achter de universiteit als institutie zijn. Wanneer dit niet het geval is, is deze voor hem waardeloos.

Kijkende naar deze basisprincipes die de twee filosofen stellen voor hun visie, is het zichtbaar dat zij een essentieel punt over het hoofd zien. Zowel Heidegger als Jaspers onderschatten hoe het ideaal van de universiteit onder invloed blijft van de sociale context waarin de universiteit zich bevindt. Waar ik me in het specifiek op wil richten in dit korte essay, is op het politieke- en financiële klimaat dat er heerst in een samenleving en hoe deze van invloed is op het ideaal van de universiteit. Door middel van concrete voorbeelden zal ik laten zien dat de politieke en financiële veranderingen in een samenleving direct gevolg hebben op de werkwijze van de universiteit en ook hoe dit direct invloed heeft op de studenten zelf.
De visies van zowel Jaspers als Heidegger zijn niet alleen idealistisch, maar ook universalistisch. Het ideaal van de universiteit waar beiden filosofen het over hebben, is niet iets dat alleen door de universiteit zelf gerealiseerd kan worden. Dit is namelijk te idealistisch, omdat de universiteit onder invloed staat van externe effecten. Door deze externe effecten is het zelfs zo, dat het ideaal van de universiteit niet voorafgaat aan de universiteit als institutie, maar dat het ideaal juist bepaald wordt door deze externe effecten. Dus externe effecten, met name de politieke- en financiële context waarin de universiteit zich bevindt, bepalen het ideaal van de universiteit. Dit houdt in dat dit ideaal mee verandert met de veranderingen in het politieke en financiële spel. Het ideaal van de universiteit is dus iets dynamisch en veranderlijks. Om te stellen dat het ideaal iets universalistisch is, zoals Heidegger en Jaspers dit doen, is nu onmogelijk bewezen, aangezien het ideaal niet iets vaststaand is. We kunnen nu zelfs concluderen dat de praktische functionering van een universiteit niet gemotiveerd wordt door een ideaal, maar dat deze functionering wordt bepaald door concrete veranderingen in het financiële en politieke veld.
Een duidelijk voorbeeld van hoe financiële factoren invloed hebben op de praktische functionering van de universiteit, en los van het ideaal de universiteit in een bepaalde richting duwen, is de financiële crisis waar we ons momenteel in begeven. Door deze financiële crisis is er een klimaat ontstaan waarin het veilig stellen van kapitaal belangrijk is geworden, waardoor de neiging is ontstaan om studenten als een investeringsobject te zien. Talloze onderzoeken zijn in gang gezet, om erachter te komen hoeveel een hoog opgeleide Nederlander opbrengt voor het landsbelang. Deze resultaten zijn vergeleken met de opbrengt van een Nederlander die afziet van studeren en meteen aan het werk gaat. Het feit dat deze onderzoeken worden gedaan, betekent dat niet alleen de visie op studeren an sich is verandert, maar dat er ook een verandering heeft plaatsgevonden in de discours van het nut van kennis. Een universalistisch ideaal, zoals bijvoorbeeld die van Heidegger speelt hier totaal geen rol, aangezien het ideaal mee verandert met de financiële situatie van de Nederlandse samenleving. Dus een universiteit heeft nu niet meer de primaire taak om te hunkeren naar het verwezenlijken van een universalistisch ideaal, maar het compenseren van de financiële crisis.
Maar het ideaal van de universiteit wordt niet alleen bepaald door financiële veranderingen, ook veranderingen in de politieke situatie in een samenleving zijn van groot belang. De huidige ruk naar rechts in ons politiek systeem, heeft ervoor gezorgd dat er een verandering heeft plaatsgevonden in de kijk van de samenleving op de geesteswetenschappen en de geesteswetenschappelijke instituten. Hun argumentatie voor hun ‘aanval’ op de geesteswetenschappen, heeft ervoor gezorgd dat elke vorm van wetenschap en onderzoek (dat plaatsvindt aan de universiteit) hun waarde halen uit de concrete resultaten die zij boeken. Hiermee bedoel ik dat het veel aannemelijker is om een wetenschap te waarderen, als het resulteert in bijvoorbeeld een concreet medicijn tegen een bepaalde ziekte (denk aan de vaccinatie voor de Mexicaanse griep), dan een boek of artikel over bijvoorbeeld de representatie van ziekte in de literatuur. Dit zorgt ervoor dat er een bepaalde concurrentie ontstaat binnen verschillende vormen van wetenschap, vakgebieden en daarmee dus binnen de universiteiten zelf. Het effect
hiervan is dat een bepaalde faculteit zich genoodzaakt voelt zijn bestaansrecht te verdedigen. Wederom verandert het ideaal hier dus, door de genoemde gevolgen van de politieke veranderingen.
Hier kunnen we uit opmaken dat het ideaal van de universiteit niet universalistisch is, zoals Jaspers en Heidegger beweren, maar dat we om een volledig beeld van een universiteit te creëren, de visie van het ideaal moeten zien als iets dat afhankelijk is van de financiële en politieke situatie en daarmee onder invloed staat van hun veranderingen.