Docentschap in het voetlicht.

In het Duitse en Nederlandse universitaire systeem wordt een koppeling gemaakt tussen onderwijs en onderzoek. Van wetenschappers, verbonden aan de universiteit, wordt dan ook verwacht dat zij naast het verrichten van onderzoek, het opleiden van studenten voor hun rekening nemen. Het moge duidelijk zijn dat voor onderzoeken en onderwijzen verschillende kwaliteiten wenselijk zijn. Het lijkt een zeer optimistische aanname dat elke onderzoeker per definitie een goede onderwijzer is, en andersom. Weber het stelt in zijn artikel “Science as a Vocation” als volgt: ‘Every young person who feels called to scholarship has to realize clearly that the task before him has a double aspect. He must qualify not only as a scholar but also as a teacher. And the two do not at all coincide’ (Weber 3). Met dat in ogenschouw: is het wel wenselijk elke onderzoeker verplicht te laten onderwijzen?

Ik zie onderwijzen als het creëren van een podium waarop een student zijn eigen toneelstuk kan opvoeren. De docent schept de mogelijkheidsvoorwaarden via welke de student zichzelf kan ontwikkelen. Het is daarbij van groot belang dat de docent basiskennis en –vaardigheden aanbiedt (het podium) en vervolgens de student begeleidt in het schrijven en uitvoeren van diens èigen stuk, het kiezen van zijn of haar èigen weg. De docent kan de student daarin adviseren, aanmoedigen en begeleiden maar het initiatief en de ideeën moeten van de student komen. Hierdoor kan de student zich op zijn of haar individuele manier optimaal ontplooien. Het docentschap vereist leiderschap, pedagogische kennis, vakkennis maar ook de kwaliteit om de student in het voetlicht te plaatsen. Nadat de docent het podium heeft gebouwd, moet hij of zij in staat zijn het af te staan aan de student opdat deze het naar eigen inzicht en goeddunken kan betreden. De docent kan nu nog aan- of bijsturen maar niet besturen.
Het verrichten van wetenschappelijk onderzoek vereist andere kwaliteiten: aandacht, passie en een enorme toewijding aan het onderwerp waar de onderzoeker zich in verdiept. Het doen van onderzoek is vaak een solitair proces waarbij men zich met hart en ziel op de minutieuze details van een onderzoeksgebied stort. Een geconcentreerde verdieping is vereist om het onderzoek tot een goed einde te brengen.
Een aantal vragen rijzen te berde wanneer men de combinatie onderzoeken-onderwijzen onder de loep neemt. Is een onderzoeker, volledig opgenomen in de ontwikkeling van eigen interesses en onderzoek, wel in staat zijn studenten te begeleiden in het kiezen van hun eigen specialisme? Is iemand die gewent is solitair werk te verrichten wel in staat zich uit dit isolement te onttrekken en als leider en begeleider zijn studenten te ondersteunen? In hoeverre is de drukbezette onderzoeker bereid tijd te steken in het plannen, uitvoeren en nabereiden van de lessen die hij of zij verplicht wordt te geven?
Het is voor mij evident dat een drukbezette onderzoeker, zonder specifieke opleiding in het doceren vaak niet het optimale persoon is om de student te begeleiden in het ontwikkelen van eigen interesses en vaardigheden. De onderzoeker heeft, door zijn noodzakelijk gespecialiseerde blik, mogelijk te weinig aandacht voor andere ideeën en invalshoeken. En, om met het eerder genoemde metafoor te spreken: de onderzoeker is zelf volop bezig zijn eigen toneelstuk te schrijven. Het zou niet terecht zijn van hem of haar tijdens dat proces te verwachten student als een ‘tabula rasa’ te benaderen. Bij de tweede vraag reist het eerder genoemde argument van Weber ten tonele: de kwalificaties noodzakelijk voor het uitvoeren van een wetenschappelijk onderzoek komen niet overeen met die van het docentschap. Ik wil zelfs stellen dat ze haaks op elkaar staan: isolement en leiding geven, toewijding tot minutieuze details en het aanbieden van een breed kader. Uiteraard zullen er mensen zijn die al deze kwaliteiten in zich hebben (Weber noemt de voorbeelden Helmholtz en Ranke (3)) maar dit zijn slechts uitzonderingen. Het mag niet van elke onderzoeker verwacht worden in staat te zijn zulke radicaal verschillende rollen te kunnen vervullen. En tot slot: de docent (zeker de beginnende docent) moet veel tijd steken in het voorbereiden van colleges, het creëren en nakijken van toetsen en het (ook buiten de colleges om) begeleiden van studenten. Voor iemand die aangenomen is zich met passie of – in Heideggers bewoording – “spirit” aan de wetenschap te geven is het onmogelijk eenzelfde toewijding in het docentschap te leggen.

Het moge duidelijk zijn dat de student niet tot optimale zelfontplooing zal komen wanneer hij of zij onder ‘onbezielende leiding’ staat. Ook de onderzoeker zal niet in staat zijn het maximale uit zichzelf te halen wanneer hij naast zijn eigen onderzoek de (mede-)verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van studenten draagt. Studenten verdienen een docent die genoeg tijd, aandacht en kwaliteiten bezit om ze te begeleiden naar grote hoogten. Ik pleit voor het volgende: laat een onderzoeker niet ook nog lesgeven. Wanneer de onderzoeker zijn onderzoek heeft afgerond en zich heeft verdiept in de het wel en wee van de student, kan hij of zij zich bewust toeleggen op het docentschap. Maar laat duidelijk zijn: doceren is niet voor iedereen weggelegd, net zo goed als het doen van wetenschappelijk onderzoek dat niet is. Laat doceren de kunst blijven die het ooit geweest is, ook, of misschien juist, op de universiteit. Laat het doceren niet vervallen tot een bijzaak in de schaduw van wetenschappelijk onderzoek.

Merel Sijbrant

Bron:
Weber, Max. “Science as a Vocation”. 1919.