Einde van de universiteit
‘Do you in all conscience believe that you can stand seeing mediocrity after mediocrity, year after year, climb beyond you, without becoming embittered and without coming to grief?’ (Weber “Science as a Vocation” 4). Max Weber signaleert in “Science as a Vocation” het volgende: de universiteit draait niet om excellentie, zij draait om middenmoot. Wanneer het gaat om het krijgen van een baan aan de universiteit, zo stelt Weber, hoef je geen uitzonderlijke prestaties te hebben geleverd, sterker nog, het is een soort universele regel dat niet nummer één wordt verkozen, maar nummer twee of nummer drie. Dit is een fenomeen dat Weber ook bij de verkiezing van de volgende paus of de volgende president van Amerika signaleert. Een reden voor dit verschijnsel geeft hij niet, maar wel stelt hij ‘The predominance of mediocrity is rather due to the laws of human co-operation’; door menselijke samenwerking treedt middelmaat zo naar de voorgrond (3).
De universiteit past zich steeds meer aan de middenmoot aan. Dit probleem dat Weber constateert, speelt in mijn ogen vandaag de dag nog steeds. Concreet voorbeeld: vorig jaar werd mij bij een vak in een hoorcollege verteld dat voor het eerst in jaren de normering naar beneden was aangepast, omdat anders te weinig mensen waren geslaagd en het tentamen dan voor iedereen over moest. Ik was met stomheid geslagen. Ik begrijp niet waarom vakken makkelijker zouden worden wanneer te weinig mensen slagen. Waarom wordt de norm van het vak aangepast aan de prestaties van de studenten, in plaats van dat verwacht wordt dat de studenten zich aanpassen aan de norm? Is het niet van de gekke dat er wordt afgedaan aan het belang van het tentamen, doordat een aantal studenten het niet hebben gehaald? Wat betekent een cijfer of een diploma nog, wanneer deze afhankelijk zijn van de groep mensen waarmee je studeert? Om deze vragen te beantwoorden, heb ik mijn heil gezocht bij Max Weber en Karl Jaspers.
De mens komt in Webers notie van de universiteit duidelijk naar voren wanneer hij spreekt over de middelmaat als gevolg van menselijke samenwerking. Jaspers stelt in The Idea of the University in klare taal: ‘The ultimate problem by the institutional structure of the university is the place of human beings in it.’ (77). De universiteit bestaat natuurlijk niet zonder de mens erin, zonder mens zou een dergelijke institutie niet opgezet kunnen worden, maar de mens is tegelijkertijd ook het probleem. Deze paradox helpt misschien bij het oplossen van het probleem van een aangepaste norm aan de studenten in plaats van andersom.
De universiteit wordt geleid door een College van Bestuur, dit orgaan bestaat uit mensen en deze mensen hebben er belang bij de universiteit draaiende te houden. Om de universiteit draaiende te houden, is geld nodig. Geld groeit helaas niet op hun rug, en moet worden afgetroggeld bij het Rijk, het KNAW en NWO en particulieren. Wanneer een universiteit onder de maat presteert (dit betekent, wanneer er te weinig studenten slagen), krabben deze instanties zich achter hun oren en vragen zich af: ‘Wat gebeurt daar op de universiteit? Waarom pompen wij daar geld in maar komen er geen intellectuelen uitgerold?’ en om alle partijen tevreden te houden, dient dus een bepaald percentage van de studenten sowieso voor een vak te slagen. Wanneer dit percentage niet wordt gehaald, heb je natuurlijk twee keuzes: óf je past het vak aan de studenten aan (en maakt het in de praktijk dus makkelijker het vak te halen), óf je prent de studenten in dat ze hard werken en het vak halen (waarmee je aan de kwaliteit van het vak niet afdoet).
Het tentamen dat milder werd beoordeeld vorig jaar, was niet moeilijker dan andere jaren. Zit er dan een fout in het onderwijs? Of zit er misschien een fout bij de studenten? Wanneer je uitgaat van het eerste, werk je de middelmaat alleen maar meer in de hand en kom je, zo is mijn angst, in een neerwaartse spiraal: studenten merken dat vakken nog makkelijker worden om te halen, doen nog minder hun best, normeringen worden nog meer aangepast of vakken nog makkelijker gemaakt, waardoor de kwaliteit van het onderwijs alleen maar daalt en je als universiteit dus alleen maar verliest. Het papiertje dat een student na drie, vier, vijf jaar haalt, stelt op deze manier steeds minder voor. Ik vraag mij af waarom er wordt ingebonden en toegegeven aan de ongemotiveerde student (en aan de geldschieters), waarom er hierdoor niet wordt gekozen voor kwaliteit maar kwantiteit en vooral, wat de toekomst van de universiteit is, wanneer het onderwijs er steeds minder voorstelt? Wanneer er geen basiseis aan het vak wordt gesteld, wanneer de inhoud telkens aangepast wordt op de studenten, is het einde in zicht en zal de universiteit de middelmaat meer en meer bevorderen. De lat wordt hierdoor telkens lager gelegd, om uiteindelijk helemaal te verdwijnen en de kwalificering ‘universitair onderwijs’ niet meer dan een holle frase is. Het einde van de universiteit? Het is dichterbij dan wij denken.
Bronnen:
Karl Jaspers. “The Idea of the University”. Boston: Beacon Press, 1959: p. 37-79
Max Weber. “Science as a Vocation”. 1919.
myrthe 8:19 pm on October 1, 2010 Permalink | Log in to Reply
Het is een pijnlijk probleem. Iedereen beseft dat hij of zij de mogelijkheid heeft om te studeren mede dankzij de overheid. De overheid werkt echter ook de middelmatigheid in de hand. Maar bij de overheid ligt ook de kracht tot verandering. Het is misschien een krom voorbeeld maar ik las in de krant dat de overheid miljoenen pompt in stoppen-met-roken programma. Waar blijft al dat geld, vraag ik me af? Rokende mensen kiezen bewust voor een ongezonde gewoonte. Als student kies je ook bewust, maar dan juist voor een studie om er van te groeien, maar op het onderwijs wordt bezuinigd. Nu ben ik van mening dat wij bij de studie Literatuurwetenschap, persoonlijke en toegewijde docenten hebben. Maar hoe zit dat bij andere studies? Kunnen massale studies zoals rechten hun onderwijs garanderen wanneer er zwaar bezuinigd wordt? Ik denk het niet.
sinead 5:34 pm on October 2, 2010 Permalink | Log in to Reply
Een extra vraag die we hierbij moeten stellen: in hoeverre zijn de leerstoelgroepen onafhankelijk en kunnen zij zelf de inhoud van hun programma bepalen? Door de insitutionalisering van het onderwijs is er natuurlijk maar een beperkt budget en worden er ook eisen gesteld aan de leerstoelgroep. In hoeverre moet een opleiding buigen voor de wensen van het CvB en wanneer moeten docenten (en studenten) in opstand komen om de kwaliteit van het onderwijs te bewaken? Wat is het belang dat een leerstoelgroep wil behartigen: kwalitatief goed onderwijs verzorgen, ook als dit betekent dat je een zeker vorm van selectie hanteert, of buigen voor de wetten van de maatschappij en zorgen dat je studenten binnenhoudt om als opleiding vooral te mogen blijven bestaan?
Léonie 2:09 pm on October 2, 2010 Permalink | Log in to Reply
Ha Myrthe en Sinead,
Het is inderdaad droef dat op het onderwijs wordt bezuinigd en er kennelijk wel geld is voor een stoppen-met-roken programma (al is dat ook een vorm van betutteling). Bij Literatuurwetenschap hebben we wat de docenten betreft zeker geluk, maar bij massale studies, maar ook andere kleine studies aan onze faculteit, is dat een ander verhaal (ik vind het verschil tussen LW en de talenstudies bijvoorbeeld enorm groot). De vraag is echter: hoe lossen we dit op? Als we ons actief willen verzetten tegen de middelmatigheid, moeten de universiteit dan meer gaan “selecteren” (kan wegens de politiek incorrecte bijsmaak nauwelijks gezegd worden) of moeten we wachten op een “cultuuromslag” van binnenuit (wat Sinead omschreef als “de studenten inprenten harder te werken”)? Het eerste gaat waarschijnlijk niet gebeuren, maar is het tweede wel te realiseren? En hoe?