“Dasein” en “man” als metafoor voor de wetenschappelijke kloof

De zogenaamde “science wars”, het conflict en de steeds groter wordende kloof tussen de manier van wetenschapsbeoefening door de exacte wetenschappen en de geesteswetenschappen, is een steeds groter debat van belang aan het te worden binnen de wetenschapsfilosofie. De rechtse golf die op het moment over het Europese continent waait lijkt niet alleen een grote mokerslag te worden voor de kunstsubsidiëring, maar ook voor het behoud van de minder economische of technologische gerichte opleidingen. Exacte(re) wetenschappen zijn logischerwijs aantrekkelijker in tijden van economische crisis, omdat de resultaten van de exacte onderzoekers over het algemeen genomen praktisch bruikbaarder zijn dan die van de geesteswetenschappen en functioneel gemaakt kunnen worden binnen de maatschappij om de economische welvaart te vergrootten. Het debat tussen de wetenschappen lijkt daarom niet beslecht te zullen gaan worden door een overwinning van gedachtegoed, maar door een inmenging van globale politiek. Om zijn machtspositie binnen het discours van de wetenschap niet te verliezen is het daarom van steeds groter belang dat de geesteswetenschappen zijn eigen bestaansrecht en zowel zijn verschillen als overeenkomsten met de exacte wetenschappen weet te formuleren. De grootste tegenstelling tussen de twee wetenschappen kan, mijn inziens, misschien nog het beste uitgelegd worden aan de hand van Martin Heidegger zijn twee tegenstellingen: “Dasein” en “man”.

De exacte wetenschappen in zijn hedendaagse vorm heeft als gevolg een grotere nadruk op de externe realiteit, de materie en de bedwingbaarheid hiervan, in plaats van een terugkeer naar de verinnerlijking en “besinnung” die nodig is voor het stellen van de essentiële zijnsvragen . Empirische wetenschap nodigt niet uit tot het abstracte denken dat nodig is voor deze vragen omdat zij door haar specialisatiedrang niet langer de vragen stelt naar het geheel, maar in plaats daar van kiest voor een alsmaar grotere afrastering door empirische gegevens. Door deze denkwijze wordt de kloof tussen de geesteswetenschappen en de exacte wetenschappen alsmaar groter, omdat de één zijn perspectief richt op een materialistische benadering terwijl de ander nog steeds worstelt met de gevolgen van het nietzscheaans en post-nietzscheaans gedachtegoed. Volgens Heidegger, misschien wel de invloedrijkste post-nietzscheaanse denker van de afgelopen eeuw, is de modus van het “Dasein” nodig om de wetenschap en daarmee de maatschappij te beletten van zijn ondergang. Aan de grondslag van dit cultuurpessimistische denken ligt het zogenaamde antagonistische model. Zonder de omarming van de voor de postmoderne filosofie zo kenmerkende begrippen zoals “twijfel”, “het absurde”, of in Heidegger zijn geval “Angst” zal het individu nooit de openheid en complexiteit van het geheel kunnen overzien en de nodige keuzes kunnen nemen om zijn ondergang te verhinderen of uit te stellen.

Deze beweging, die in de geesteswetenschappen duidelijk een plek heeft gevonden in het wetenschappelijk discours, lijkt weinig invloed te hebben op de manier van wetenschapsbeoefening in de exacte wetenschappen. De exacte wetenschappen zijn daarom vergelijkbaar met Heidegger zijn begrip van “man” zoals deze bestaat in zijn tegenstelling tot het begrip “Dasein”. De geesteswetenschappen pogen namelijk de empirische werkelijkheid te transcenderen, terwijl de exacte wetenschappen dit niet noodzakelijk vinden, omdat zij geloven dat wetenschappelijke waarheid te vinden is in de materie. Een gegronde vraag lijkt te zijn: “Zal de invloed van het discours van de zogenaamde ‘twijfel’ en “Angst” de komende jaren nog een prominente plek vinden in het discours van de exacte wetenschappen?”.

Deze vraag zal ik onbeantwoord laten, omdat een antwoord op deze vraag enkel kan berustten op ongegronde speculatie in zo een kort essay. Het blijft echter wel een belangrijke vraag om stil bij te staan, omdat dit verschil in het wetenschappelijk discours tussen de twee vormen van wetenschap strekkende gevolgen heeft voor hun onderlinge geschillen. Gevolgen die enkel te overzien zijn door de geesteswetenschappen omdat zij het zichzelf wel toelaat om in zowel toekomst als verleden te kijken en de empirische waarneembare realiteit te ontstijgen. Dit geeft ons als wetenschap een groot deel van ons bestaansrecht. Onze manier van redeneren is niet een manier die theorieën oplevert die direct toetsbaar zijn of direct bruikbaar en winstgevend zijn, maar ze zijn wel belangrijk omdat zij grotere mogelijkheden geven tot transcenderende reflectie en kritiek dan de exacte wetenschappen. Deze controlerende en materie overstijgende functie is hard nodig om het verloop van de samenwerking tussen wetenschap en maatschappij in goede banen te kunnen leidden, zonder dat de transcendentale vorm van waarheid waarnaar de wetenschap idealiter streeft in gevaar komt.