Vooruitgang.

Neen, vrijheid verlangde ik niet. Alleen een uitweg; rechts, links, waar ook; ik vroeg niets anders; al zou de uitweg misschien een teleurstelling zijn, mijn eis was maar gering, de teleurstelling zou dus niet groter zijn. Vooruitkomen, vooruitkomen, vooruitkomen! Als ik maar niet met omhooggeheven armen, tegen een kist gedrukt, stil moest blijven staan! (Kafka 775)

De maatschappij, gevormd door de mensen zelf, bevindt  zich in een continue staat van verandering en vooruitgang. Stilstaan lijkt geen optie, dit geldt ook voor de tijd waarin wij ons bevinden. Het korte verhaal van Kafka ‘een verslag voor een academie’ gaat over een aap die de academie toespreekt over zijn poging om mens te worden en zich nu in een ondefinieerbare fase bevindt. Hij is geen mens maar het is voor hem ook niet mogelijk om terug te keren naar zijn aap-zijn. De aap richt zich tot onderwijs en de wetenschap omdat dat in zijn visie de enige mogelijke weg tot vooruitgang is. Zodra je gekozen hebt je tot het academische te richten dan kun je hier niet meer buiten treden.

De vrijheid die binnen de wetenschap gevonden kan worden beperkt zich tot ‘academische vrijheid’, wat inhoudt dat alle nieuwe impulsen binnen de gestelde conventies en het gezochte  ideaal van de universiteit moet passen om tot uiting te komen. Karl Jaspers stelt in zijn artikel ‘The idea of the university’: ‘One need not always belong to a university to live by its ideal. But the ideal is attracted to the institution[…]To live according to this idea means becoming part of a larger whole’( Jaspers 75).

Om een idee te onderzoeken en uit te dragen richt de mens zich al snel tot een instituut en daarmee ook de universiteit, voor eventuele waarde toekenning. Zo ook de student.  De universiteit biedt de mogelijkheid gelijkgestemden te raadplegen,  om van zowel de leraar als je medestudenten te leren. De kennis blijft echter in veel gevallen beperkt tot de universiteit zelf en er buiten treden wordt als zodanig niet gestimuleerd (maar ook niet afgeraden). In mijn optiek is de student van een universitaire studie  teveel  gebonden aan de theoretische leerweg. De mogelijkheden de praktijk te benaderen zijn wel degelijk aanwezig maar niet iedereen maakt er gebruik van en daardoor is het niet voor iedereen mogelijk om een alomvattende visie op het vak van de ‘literatuurwetenschapper’ als zodanig te ontwikkelen. Je neemt stof op, leert kritisch kijken maar het overzicht ontbreekt. De waarneming is in zekere zin ook geïnstitutionaliseerd. Vanuit puur theoretisch oogpunt wordt het op deze wijze lastig om een nieuw inzicht te ontwikkelen.                                                                                  De praktijk blijft kortom onderbelicht. Het verplicht stellen zou echter weer het  institutionele element van de universiteit benadrukken. Mogelijkerwijs is het een optie dat het eigen initiatief en handelingsvermogen van de student geactiveerd en  gekoppeld wordt aan het denkvermogen, om zo meer balans in beide facetten van de wetenschap brengen, terwijl het toch mogelijk blijft om op wetenschappelijk niveau te blijven werken.  En de kaders en denkwijze van deze instituties eventueel te verbreden.

To be sure, as long as- talking about “the new concept of science”- we contest the self sufficiency and lack of presuppositions of an all too up to date science, we will not experience the essence of science in its innermost necessity (Heidegger 471).

Wetenschap, zo stelt Heidegger is ongrijpbaar, de vooronderstellingen die we hebben over de wetenschap geven niet de werkelijke  essentie weer.

If we want to grasp the essence of science, we must first face up tot his decisive question: should there still be science for us in the future or should we let it drift toward a quick end? (Heidegger 471)

Heidegger schetst hier een neerwaartse lijn in de wetenschap, en een mogelijk snel einde als we geen toekomst meer zien in het wetenschappelijke. In zijn optiek borduurt de volledige wetenschap voort op het begin van de filosofie, alles wat daarna is volgt, lijkt hier een afgeleide van te zijn.                                                                                                         Uit het artikel van Jaspers komt naar voren dat de kwaliteit van een idee of dat van een afwijkende visie zijn unieke kracht verliest zodra het opgenomen en geaccepteerd wordt door de universiteit(75). Daarnaast lijkt hij te stellen dat een student door hard te werken tot creatieve inzichten zal komen (42). Maar is er nog wel ruimte voor vooruitgang, innovatie en nieuwe inzichten binnen de wetenschap, met name de geesteswetenschappen, of is alles een continue voortzetting van dat wat al bekend is? Er lijkt geen ruimte te zijn voor iets nieuws. En de grote vraag is, kun je dit veranderen of hier  tegen in gaan?

De enige vrijheid die de academische mens bezit, volgens Heidegger, is het vermogen om te accepteren dat de wetenschap een drijfzand is waar je je op bevindt, een instabiel geheel.  Met in ogenschouw genomen dat Heidegger zich afvraagt of er een toekomst is voor de wetenschap zou je ook dit als negatief kunnen beschouwen. Onderzoeken houden niet eeuwig stand, maar zijn ook niet baanbrekend in de zin dat ze uit deze negatieve spiraal lijken te kunnen ontsnappen. De vernieuwing binnen de geesteswetenschappen staat stil. Om een echte verandering teweeg te brengen zou het academisch ideaal geherdefinieerd kunnen worden. Naar mijn mening kan dit echter alleen via een omweg. Een concept dat niet academisch gevormd is zal moeilijk toegang tot de academie krijgen.  Maar binnen de universiteit is het volgens Jaspers onmogelijk om een nieuw idee aan te dragen. Hij stelt namelijk dat een student door hard te werken tot creatieve inzichten zal komen (42). Dit harde werken vind echter plaats binnen de universiteit, en daarmee een instituut met bepaalde regels en doelen, of in de woorden van Kafka: “Ze zouden mij, zodra ik mijn kop naar buiten stak, weer gevangen hebben en in een nog ellendiger kooi hebben opgesloten[…] (Kafka 776) Het alternatief is kortom erger. Misschien is de tijd aangebroken waarop studenten al vanaf het eerste jaar massaal buiten de  academische wereld treden. Doordat zij de mogelijkheden van de geesteswetenschap van een nieuwe kant belichten, bestaat de kans dat ze deze ervaring meenemen in hun verdere universitaire carrière. Zo wordt vroeg de frictie tussen praktijk en theorie zichtbaar. Mogelijk wordt de kloof kleiner omdat de theorie nu praktijkgericht onderwezen kan worden, niet alleen door een lesprogramma wat door docenten wordt bepaald maar ook door de studenten met praktijkgerichte informatie en vragen kan worden ingedeeld.

Heidegger, Martin, The self-assertion of the German university, in Review of Metaphysics, 38:3 (1985), p.467

- Jaspers, Karl. The Idea of the University. Boston: Beacon Press,1959: pag. 37-79.

Kafka, Franz. Verzameld werk, “Een verslag voor een academie”. Amsterdam: Querido’s Uitgeverij BV, 2008. 801-808.