Academische vrijheid

In The idea of university beschrijft Karl Jaspers het ideaal dat een universiteit volgens hem zou moeten nastreven. De rol van de universiteit is volgens Jaspers het waarborgen van academische vrijheid. Daarnaast moet de universiteit streven naar eenheid van kennis en eenheid van onderzoek. Deze punten dragen bij aan het ideaal dat de universiteit in dienst moet zijn van, zoals Jaspers dat noemt, the whole. Het ideaal is dus universaliteit, het ideaal is het geheel. De echte wetenschapper vergeet nooit te kijken naar het grotere geheel, naar the big picture. Jaspers ziet de universiteit als een universe waar deze punten na het universaliteitsideaal toe leven. In dit universum gaat academische vrijheid samen met de communicatie tussen studenten en docenten. Als we deze theorie loslaten op de huidige universiteit, lijkt een aantal begrippen die Jaspers gebruikt te botsten. Het begrip ‘academische vrijheid’ en het idee van eenheid van kennis zijn paradoxaal te noemen ten opzichte van elkaar als er wordt gekeken naar de huidige universiteit. Daar is sprake van verschillende vrijheden en verschillende (beperkte) vormen van communicatie. De huidige gang van zaken doet mijns inziens juist afbreuk aan ‘het idee van de universiteit’ van Jaspers.

De vrijheid die een student op een universiteit heeft, komt vooral terug in het brede scala aan vakken waaruit studenten kunnen kiezen. Dit enorme aanbod, waarvan de wetenschappelijke relevantie niet in twijfel wordt getrokken, zorgt voor een uitgesmeerd schilderij van disciplines. Niettemin een schilderij van grote waarde. Bovendien lijkt er een soort van nostalgie te zweven rond het fenomeen ‘de eeuwige student’. Door de vrijheid die de student krijgt, verschuiven de prioriteiten van studeren naar sociale activiteiten. Dit leidt tot een langere studietijd en minder geconcentreerde kennis.

Als we kijken naar een ander punt dat Jaspers the communication of thinking men, dat idealiter van een socratische aard zou moeten zijn, lijkt ook hier de huidige universiteit tekort te schieten. De communicatie tussen studenten uit verschillende disciplines lijkt juist niet, zoals Jaspers beweert, te zorgen voor eenheid van kennis. Zo heeft elke studie zijn eigen vereniging en als er dan toevallig contact is tussen verschillende verenigingen is dat eerder op sociaal gebied dan op intellectueel gebied. De communicatie tussen docenten en studenten is zeer beperkt. Dit komt voornamelijk doordat in de loop der jaren de student niet meer dan een nummer is geworden voor de universiteit. De docent wordt meestal overladen met werk van zowel zijn eigen onderzoek als het lesgeven. Er is uiteraard wel sprake van communicatie tussen docent en student. Toch blijft dit contact meestal beperkt tot het noodzakelijke. Deze beperkte communicatie kan worden gezien als een vrijheid in de keuze van onderwerpen en meer vrijheid in het indelen van tijd.

Er kan dus worden gezegd dat de huidige academische vrijheid niet bijdraagt aan het idee van eenheid van kennis. Universaliteit kan geen ideaal zijn voor een universiteit als het ook streeft naar academische vrijheid. De universiteit laat de studenten los in hun keuzes welke kennis ze willen vergaren. De student wordt hierdoor onafhankelijker en verantwoordelijker voor de eigen studieloopbaan. Er kan niet worden gesproken van eenheid van kennis of van universaliteit. De grote hoeveelheid vakken die wordt aangeboden, de zeer beperkte communicatie tussen docent en student en de lange studietijd zorgen eerder voor een gemêleerde kennis. Toch moet er niet worden gedacht dat academische vrijheid een nadeel is, het is juist een goede ontwikkeling en dat zal het ook altijd blijven maar het zou nooit zorgen voor eenheid van kennis. Het zou juist zorgen, als het werkt zoals vrijheid hoort te werken, voor een verbreding van kennis. Deze verbreding van kennis is uitgesmeerd en zorgt voor variatie in het denken van wetenschappers over de maatschappij.

-Karl Jaspers, ‘The Idea of the University’ (Boston 1959) 37-79.