Bij nader inzien

Léonie,

Of moet ik je 5884780 noemen? De UvA werkt nogal graag met nummers en getallen. Hoe gaat het met je? Ik schrijf je om eens te vragen hoe het met je gaat. Even een moment van stilstaan, van terugkijken. Even kijken wie jij geworden bent, in die drie jaar.

Je was een meisje van achttien dat vers de universiteit binnen kwam rollen. Wat een gebouw! Wel lelijk. Wat een bibliotheek! Alles lezen lukt me nooit. Wat een docenten! Ik weet niet wie Edward Said is, maar dat durf ik niet te zeggen.

Je vindt het gebouw nu mooi door de lelijkheid. Alles gelezen is nog niet gelukt. Wie Edward Said is heb je inmiddels wel geleerd, net als Friedrich Nietzsche, Max Weber, Martin Heidegger. Je drinkt inmiddels ook veertig-cent-koffie uit de automaat, wanneer je gestrest ben rook je, en je levert je papers één minuut voor de deadline in. Je weet waar de studieadviseur zit, je weet ook dat je daar niets aan hebt. Hoe de studiegids werkt, is inmiddels ook bekend. Welke vakken je moet volgen voor je studies en in welke volgorde: idem.

Léonie, zeg eens: heeft de UvA dit van jou gemaakt – of was je dit al?

Wat heb je gekozen en wat is voor je gekozen?

Wat heb je gewild? Wat heb je gegeven? Wat heb je gewenst en wat heb je verspild?

Op een universiteit zitten betekent kiezen, en dat elke dag. Waar zet je je fiets? Groet je de portier? Neem je de lift of ga je met de trap? Kom je op tijd of neem je je eigen academisch kwartiertje? Eet je in de kantine, of ben je daar te gierig voor? Doe je veel of weinig vakken dit semester? Ga je sporten in die rare open ruimte, die opengebroken kelder, ga je in de medezeggenschap, of ga je studeren in de bibliotheek? Schrijf je je papers op tijd? Honours of geen honours? Wil je cum laude slagen? Hoe ga je je diploma behalen, als zogenaamd excellente student of is een zes genoeg? Als iemand die zich in wil zetten voor de wetenschap? Die vergankelijke, vervloekte, heerlijke wetenschap? Kun je daar wat mee? Ga je nog meer studies doen, ook al helpt “Nederland kenniseconomie” niet bepaald mee wat betreft de tweedestudieregeling?[1] Ga je daarin mee, laat je je opslokken door de middelmatigheid, laat je uitkomen wat de profeet Weber schrijf: “The predominance of mediocrity is rather due to the laws of human co-operation, especially of the co-operation of several bodies, and, in this case, co-operation of the faculties who recommend and of the ministries of education” (Weber 3)?

De grap is: je weet het niet. Lukraak zijn dit semester weer wat vakken ingeroosterd, ze waren verplicht voor je papiertje, ja, je studie is bijna afgelopen, dat is raar, dat is vreemd, nu al? Ik zou bijna zeggen: het kan niet, en toch is het zo. Finito. Scriptie en hup. Ben je daar vrij in? Nee. Weinigen houden van hoe jij je papers in elkaar zet. “Léonie, schrijf academischer.” Het wordt niet alleen jouw scriptie, het wordt een UvA-scriptie. Het wordt een Jan-Hein-scriptie (excuus, geen excuus). Dat is niet slecht, dat is niet goed, het is zoals het is. Verzet? Geen verzet? Om iemand aan te halen die je zonder de universiteit ook niet had leren kennen: “All following, however, bears resistance within itself” (479), schrijft Heidegger, Heidegger die zich aansloot bij de NSDAP op “louter formele basis” (“only a matter of form”) (493). Jij vraagt je af: kan dat wel? Is dat mogelijk? Nu zijn de UvA en de NSDAP wel twee werelden apart – maar wat lidmaatschap beiden even onschuldig – wat betekent dat het wel degelijk uitmaakt tot welke instantie je behoort of wilt behoren. Op een universiteit in Frankrijk had je dit essay waarschijnlijk niet geschreven; op de UvA wel.

Wat betekent dat? Kiest de UvA misschien ook wie jij bent, in plaats van dat jij kiest wat en hoe de UvA is? Je kunt niet, je mag niet ontkennen dat het niet uitmaakt dat je aan deze universiteit, aan deze faculteit studeert, dat het van deze docent is dat je Isaiah Berlins vrijheidstheorie krijgt uitgelegd en niet van een andere, dat de appels hier 45 cent kosten en niet 50. Tegelijkertijd kun je niet anders – sinds je hier bent binnengekomen, moet je het doen met het aanbod dat je geboden wordt. Dat betekent dat jouw Isaiah Berlin die niet dezelfde is als die van de Universiteit Utrecht of New York. Dat betekent dat jij koffie van Douwe Egberts drinkt en niet van de Starbucks. Dat betekent dat jij een student van de UvA bent en niet van een andere plek of tijd. Neutraliteit is nergens. Je bent geen tabula rasa – misschien was je dat wel nooit.

Vooralsnog behoor je tot deze universiteit met haar drabkoffie en gevulde koeken, haar goede maar ook haar slechte docenten, haar inspirerende vakken maar ook colleges waar je je terugwaant in 3VWO en zal je hier nog een tijdje rondlopen, keuzes maken, gevormd worden, zonder dat je het merkt, als door een geheime stof, verborgen in de koffie van de automaat. Kiezend, elke dag. Goed/fout?

“Non, non, je ne regrette rien…” En zo is het. Of denk je dat maar?


[1] Het betreft hier de regel die eind 2009 door de toenmalige regering is aangenomen en bepaalt dat voor elke tweede –of meer- studie instellingsgeld in plaats van wettelijk collegegeld betaald zal moeten worden, wat op de UvA €7000 per jaar bedraagt (ter vergelijking: het wettelijk collegegeld is dit jaar €1672). Zie voor meer informatie http://www.student.uva.nl/a-z/collegegeldtweedestudie.cfm.

Bronnen:

Heidegger, Martin. The self-assertion of the German university, in Review of Metaphysics, 38:3 (1985). 467-502

Weber, Max. Science as a Vocation.

http://www.student.uva.nl/a-z/collegegeldtweedestudie.cfm