De onaanraakbaarheid van het ideaal

Als kind kon ik urenlang zitten puzzelen. Ik had tientallen verschillende puzzels die ik echter nooit afmaakte. Een keer gooide ik de inhoud van twee verschillende puzzeldozen door elkaar heen. En toen zat ik met een berg van puzzeldeeltjes die maar niet in elkaar wilden passen. Met die puzzels is het nooit meer goed gekomen.

Wetenschappers willen de werkelijkheid bevatten. Voor het gemak gaan ze ervan uit dat de wereld één coherent geheel is. Stukje bij beetjes valt alles wel op zijn plek, schuiven we twee delen dichter bij elkaar of juist verder uit elkaar. Dit is het wereldbeeld waarop het idee stoelt van wetenschap die steeds vooruitgang boekt.

Wat zowel in de tekst van Weber als ook bij Jaspers naar voren komt is het besef van voortdurende spanning tussen het ideaal van universele wetenschap en de realiteit ervan. Deze realiteit wordt tevens door Heidegger onderkend, die alsnog streeft naar een unificatie van de onverenigbare idealen in het wezen van de universiteit. Het is alsof Heidegger probeert uit verschillende puzzels één coherent plaatje in elkaar te zetten.

Volgens Weber is wetenschap de combinatie van inspiratie en hard werk. Ik zie hierin niet alleen een argument voor het belang van communicatie dat ook door Jaspers wordt onderstreept maar tevens de voortdurende spanning tussen ideaal en realiteit bij de beoefening van wetenschap.

Inspiratie beslaat meestal het grote geheel en is universalistisch. Inspiratie daalt op je neer maar is zelden concreet. De precisie, de specialisatie zit in de uitwerking van het idee. Een wetenschapper moet dus zowel oog hebben voor de dwarsverbanden tussen het universele idee en de specifieke uitwerking als ook in staat zijn dit in praktijk te brengen door zowel abstract als ook concreet te werk te kunnen gaan. Een abstract idee is weinig waard wanneer deze zich niet ook in de concrete uitwerking manifesteert. Dit heeft echter niets te maken met de toepassing van wetenschappelijke inzichten in de buitenwetenschappelijke praktijk, maar alles met ‘vooruitgang’ in de wetenschap zelf. Een geïnspireerd mens kan in het moment van inspiratie alle kanten op. Door daarna wetenschappelijk aan het werk te gaan dient hij de inspiratie in vorm te gieten.

Vorm is een begrip dat we sterk met grenzen associëren. Iets heeft pas een vorm wanneer het zich duidelijk van zijn omgeving onderscheidt. In het concrete geval moeten we dus grenzen trekken om het ideaal vorm te geven, waarmee we tegelijkertijd het universalistisch ideaal inperken. Het woord zelf geeft daarbij al aan dat een materiële manifestatie niet tot de mogelijkheden behoort. Een ideaal kun je immers nooit aanraken.

Weber stelt impliciet dat de steeds verdergaande specialisatie, zowel binnen de universiteit als ook binnen de maatschappij, de dood van de homo universalis betekent. We beschikken hooguit over kennis van een aantal puzzeldeeltjes en moeten alsnog proberen om vanuit onze beperkte (in)zicht kennis over het geheel bij elkaar te redeneren. Hierbij bepaalt onze positie binnen het plaatje welke kant we opkijken en onder welke invalshoek we iets bestuderen. Ook Weber worstelt met de vraag naar wat het waard is om geweten te worden. Deze passieve constructie veronderstelt dat het subject van ondergeschikt belang is en dat kennis los van het subject kan bestaan. Maar wie bepaalt welke kennis van belang is? Wie bepaalt wat ‘kennis’ is? Wat houdt kennis van de wereld in wanneer de betekenis van de wereld in het geding is? Kan iemand die een vrij specialistische opleiding heeft genoten wel keuzes in de naam van het universalistische idee van de universiteit maken?

Elke institutie berust uiteindelijk op mensen. Omdat we het overzicht kwijt dreigen te raken lijken instituties soms bureaucratisch en wordt je van het kastje naar de muur gestuurd, worden er schouders opgehaald omdat het gehele systeem voor de enkeling tot een ondoordringbare jungle is geworden.

Niet alleen de institutionele, administratieve kant van de universiteit is versplinterd en gefragmenteerd- de wetenschap zelf is dat ook. De natuurwetenschappen zijn er niet slechts ruimtelijk van de geesteswetenschappen gescheiden, maar ook in haar invulling van wat kennis van de wereld inhoudt. Universaliteit lijkt me op dit punt echter ook niet noodzakelijk. Het is menselijk dat elk mens andere vragen met zich mee draagt waarop hij antwoorden zoek. De mens is namelijk een probleemscheppend en probleemoplossend wezen. Geaardheid en urgentie van de verschillende vraagstukken en problemen die mensen bezighouden zijn echter in hoogste mate individueel bepaald. Zelfs wanneer verschillende mensen met hetzelfde vraagstuk zitten zullen ze er verschillende antwoorden op verzinnen. In deze diversiteit schuilt de uiteindelijke arbitrairiteit van de wetenschap, en, vooruit, het leven.

Het bestaan van andere puzzeldozen, van andere plaatjes, gemaakt uit deeltjes met precies dezelfde vorm is niet alleen denkbaar, het is de enige mogelijke vorm van universaliteit.

Het plaatje dat we zelf zien mag en moet imperfect zijn, met witte plekken, gaatjes, scheuren, rafelranden, plekken om te dromen.