Het mes van Wilders

Het mes van Wilders
Hoe het snijdt en snijdt tot het de kunst bevrijd

Het belang dat Heidegger in The self-assertion of the German University toeschrijft aan de universiteit en de vooruitstrevende geest, zou eveneens voor kunst kunnen opgaan. De eigenschappen die Heidegger belangrijk acht binnen de wetenschap en de universiteit, zijn eigenschappen die ook in de beoefening en de ervaring van kunst een rol spelen. Waar de wetenschapper gevaarlijke en risicovolle stappen moet zetten in zijn toch al vergeefse zoektocht naar waarheid en kennis, moet de kunstenaar gelijke stappen zetten om niet vast te groeien aan bekende principes en ideeën. Zoals de geest zich bij Heidegger niet vanzelf ontwikkelt, zo vereist ook de kunst actieve participatie, wil ze het hoofd boven water houden.

Wie is de onmisbare leider die de kunsten uit het drijfzand trekt? Dat is Geert Wilders. De bezuinigingen die Wilders wil doorvoeren nu hij gedoogsteun krijgt binnen het kabinet zullen hard toeslaan op de kunst en cultuursubsidies. Hij zal een genadeloos scherp mes in deze subsidies zetten, tot er van de toch al absurde 0,5% van de rijksbegroting*, nog maar weinig over is. De kunst zal bloeden. Maar, wie bedeeld is met wat virtus, laat niet zien dat hij bloedt. En zo zal het met de kunsten zijn. Sterker nog, het is precies dit leiderschap van Wilders dat de kunst haar weggezakte positie in het moeras helpt ontstijgen.

Door middel van beperkingen, verwerft de kunst een nieuwe vrijheid die zij al tijden niet meer kent.“Self-governance must be grounded in self-examination” (471) stelt Heidegger in zijn betoog. De kunst is genoodzaakt eenzelfde zelfbehoud aan te leren, door middel van kritische bezinning en zelfreflectie. Hoewel kunstinstellingen en kunstenaars hier in eerste instantie toe worden aangezet door de komst van een rechts kabinet, is deze bezinning en reflectie evengoed inherent aan de kunst zelf, zoals dit ook in de wetenschap het geval is. Zonder deze actieve en participerende zelfkritiek, verliest ze haar identiteit en bestaansrecht.

We mogen er immers van uitgaan dat de kunst, net als de wetenschap, zichzelf niet ten onder zal laten gaan. De traditie en filosofie uit de Oudheid hebben de categorieën van ons denken geschapen, aldus Heidegger. Ondanks het tegensputteren van Plato, valt de kunst al eeuwen niet meer weg te denken uit het maatschappelijk leven.

Deze bevoorrechte positie betekent echter niet dat de kunst een comfortabele positie toegewezen moet krijgen. Zoals de universiteit niet mag vervallen in elitair gemak, maar altijd een ‘intellectual battle’ (74 Jaspers) moet aangaan, zo kan de kunst zich pas ten volle ontwikkelen in een gevecht. Aan dit gevecht – binnen de eigen discipline, met maatschappelijke ontwikkelingen, publiek en subsidieverstrekkers – moet een gevoel van noodzakelijkheid vooraf gaan.

In The Idea of the University verwerpt Jaspers een universitair beleid aan de hand van ‘innovation for the sake of innovation’ (79). De kunst lijkt wel degelijk in deze vernieuwingsdrang te zijn vervallen. De voortdurende zoektocht naar iets origineels of choquerends wordt gestimuleerd door een samenleving waarin niets onmogelijk is. Kunst, en de beleving ervan, valt hierdoor in herhaling; zelfs de representatie van het tegenwoordige hedonisme van generatie 2.0 is al een uitgekauwd fenomeen. Met Wilders als nieuwe leider, wordt de trend van ‘innovation for the sake of innovation’ doorbroken. De desalniettemin stupide beperkingen die Wilders de kunst zal opleggen, zullen een bevrijding zijn: kunst wordt weer belemmerd en ingekaderd. Sommige vormen van kunst zullen hun subsidie verliezen én toch blijven bestaan. Want het bloed dat vloeien zal past slechts bij de masochistische rol die kunst zichzelf toeschrijft, namelijk de verkondigers van het kritische tegengeluid. Kunstinstituties en hun kunstenaars zullen hun beschouwingen onmiddellijk omzetten in handelen; nu ze dreigen te verdrinken ontstaat de noodzaak om keihard te zwemmen. Kunst zal het nieuwe beleid aan haar wortels voelen zuigen, maar ze zal spartelen en een kritisch, reflexief en innovatief pad creëren. Ook al weten we al lang dat het allemaal geen zin heeft.

En zo is het dat ‘die Führer selbst Geführte sind’ (‘at all times all the leaders are themselves led’ Heidegger 470). De ware leider die hier opstaat is de kunst. Dat deze leider op haar beurt weer wordt geleid door het antagonistische beleid van Wilders, dat zij dan zo. Het mes zal snijden, maar het bloed zal kruipen waar het niet gaan kan.

Bronnen:

* Diverse bronnen. Waaronder Nova, aflevering van 19 april 2010. Kunstsubsidie geen teken van zwakte. Ad ’s-Gravesande. De volkskrant, dinsdag 28 september 2010, opinie en debat.

Heidegger, The Self-Assertion of the German University
Jaspers, The Idea of the University
o Chapter 6: The University as an Institution