Universiteit en universaliteit

“Elk aan beperkende regels gebonden vechten is reeds daardoor een vorm van spel, en wel de meest intensieve, energische, en tegelijk meest voor de hand liggende vorm van spelen.”
Johan Huizinga, Homo Ludens

Friedrich Nietzsche meende ooit dat de mens als een mug is, die al rondvliegend zich het belangwekkende middelpunt van het universum waant, in een betoog waarin hij onder meer stelde dat elke vorm van kennisordening een manier is om de waarheid te onderwerpen aan ons kenvermogen, en daarmee de waarheid manipuleert . Dat betoog is op z’n zachtst gezegd snedig, hij haalt er vernietigend en in alle ernst mee uit naar de pretenties van de zich wetend wanende mens, en dat op overtuigende wijze. Toch, als het om de rigiditeit van die failliet verklaarde rede gaat, dient datzelfde betoog zich als uitstekend voorbeeld aan. Het is opvallend: de rede laat zich, zelfs wanneer zij zichzelf ondermijnd, gewichtig gelden, neemt zichzelf hoog op, lijkt besmet met ongeneeslijke hoogmoed en gebrek aan zelfrelativering. Want zelfs daar waar consensus bestaat over de (metafysische) zinloosheid en absurditeit van ons onttoverde bestaan heeft de wetenschap haar geringschatte pijler, de rede, niet van haar meerbaar kunnen ontdoen. Daarom: een klein pleidooi voor het spelelement.

In Homo Ludens smeedde Johan Huizinga de term puerilisme, een die naar aanleiding van de virulente, binnenvetterige partijvorming die begin jaren 30 plaatsvond. In feite is het een benaming die het in zwang zijnde haantjesgedrag (puer is zoiets als kwajongen in latijn) schertste, en af wilde rekenen met de formele, laatdunkende hoogvliegerij die de politiek destijds domineerde. Maar over het geheel wilde hij met het werk duiden dat alles in ons leven doortrokken is met een spelelement, sterker nog dat het spelelement iets is dat onze menselijke oorsprong voorafgaat, iets is dat we met dieren delen – en tevens voorafgaat aan het moment waarop men het weten uitvond, wat Nietzsche in het aangehaalde betoog als de leugenachtigste seconde in de geschiedenis bestempeld. Wellicht speelden die factoren hand in hand een rol: het spelen en het weten. Hoe het ook zij, bij Nietzsche, maar ook bij Heidegger en Kafka proef je de nostalgie naar een oorspronkelijkheid, alsof er ooit een verkeerde weg in is geslagen. Bij Heidegger is het de scheiding tussen praktijk en theorie, de illusie dat wij onszelf met theorie buiten de werkelijkheid kunnen plaatsen, bij Kafka het conformisme van de moderne, ‘beschaafde’ mens die blind is van bildungsideaal. In het spel vallen praktijk en theorie samen, en een ieder valt er op zijn eigen plek; in spel kun je zodanig opgaan dat je samenvalt met wat je doet, het hele authenticiteitsvraagstuk speelt dan geen rol meer, de identiteit, de rol wordt verschaft door het contrast dat ontstaat. Dat contrast bestaat in de competitiviteit – die van student en docent bijvoorbeeld, tussen wie Heidegger zo’n fundamentele strijdvaardigheid ontwaart. Spel is zodoende een verzoening van het Socratisch model dat Jaspers voorstaat en Heideggers strijd als wezenskenmerk. De dynamiek die er bovendien eigen aan is maakt dat grenzen vervagen; in speelsheid is veel geoorloofd, het verlicht mogelijke agressie en tegenstellingen, botsingen en de daaraan inherente opwinding zijn een pré, en dat alles laat men zich wedervaren met een gezonde mate van relativeringsvermogen. Die dynamiek en dat relativeringsvermogen hebben mogelijk hun uitwerking op de grenzen van de universiteit: de dynamiek is gunstig voor de interactie, zowel tussen vakgebieden als voor hoe de universiteit zich tot de maatschappij verhoudt, dat relativeringsvermogen dat kan op zijn beurt weer positieve uitwerking hebben de ontworsteling aan intellectualisme.
Het is slechts een formalistische mentaliteitsverandering, die weliswaar inhoudelijk ook door zou kunnen werken, maar die vooral de omstandigheden in een toch (waarschijnlijk) onverschillig universum zouden kunnen veraangenamen.

Bronnen
Friedrich Nietzsche , Uber das Pathos der Wahrheit (1872)
Kafka, A Report to an Academy
Jaspers, The Idea of a University,“The University as an institution”
Heidegger,The Self-Assertion of the German University