Vroeger moest een caissière rekenen, nu hoeft ze alleen te scannen

Afgelopen donderdag ontving Arnon Grunberg de Frans Kellendonk-prijs. De 39-jarige schrijver werd geprezen als kritisch waarnemer,,die zijn standpunten op even scherpe als creatieve wijze uitdraagt en daarbij de confrontatie en controverse niet schuwt”. Het is de zoveelste prijs in het leven van deze Joodse Amsterdammer, die de afgelopen vijftien jaar niet alleen tien romans schreef, maar ook duizenden columns, interviews, reportages, artikelen, brieven, essays – en ga zo maar door: op elk gebied wordt Grunberg inmiddels als een kartrekker gezien, iemand met een verbluffende intellectuele bagage. En dat terwijl de man nooit ook maar heeft overwogen te gaan studeren. Wat heet, hij heeft zijn middelbare school niet eens afgemaakt.

In Nederland heerst de consensus dat studeren een vereiste is voor een succesvolle carrière. Dit levert vanzelf een hoog verwachtingspatroon op van het fenomeen studeren: als het immers noodzakelijk is voor verder succes, zal het wel veel om het lijf hebben. In de praktijk blijkt het vaak anders te gaan: meer en meer komt de nadruk binnen de universiteit te liggen op regels. Docenten bepalen tot in het detail welke opgaven gemaakt moeten worden, wat de deadline daarvoor is en welke stof men precies moet lezen; ze zeggen wat van die stof onthouden dient te worden, en wat niet. Uiteindelijk zou je kunnen zeggen dat de universiteit zodoende niet alleen bepaalt wat je moet doen, maar ook hoe je moet denken. Dit is natuurlijk geen vorm van creativiteit meer, maar van gedweeë volgzaamheid.

Veel filosofen, waaronder de Duitse Karl Jaspers, hebben hier aanstoot aan genomen. Juist buiten de universiteit komt creativiteit tot stand, betoogt Jaspers, niet op de universiteit zelf. Het voorbeeld van Grunberg onderstreept dit beeld: zonder studie is hij creatiever dan vrijwel alle mensen die door jarenlang de regels te hebben gevolgd hun universitaire diploma hebben behaald.

Een logische gedachte is dus dat er ingegrepen moet worden. Want als er één plek is waar niet zomaar regels moeten worden geleerd, dan is dat toch de universiteit? Daar moeten toch bij uitstek onafhankelijke, kritisch denkende geesten worden opgeleid? ‘Zelfontplooiing’ is het Nederlandse woord hiervoor, maar bekender is de door Wilhelm von Humbold geïntroduceerde term bildung. Voor deze bildung valt absoluut wat te zeggen, het begrip klinkt mooi en veelomvattend, maar als je er goed bij stilstaat: waarom wil men dit eigenlijk zo graag? Waarom moeten er zo nodig kritische denkers worden opgeleid? Wat is er zo vervelend aan gedweeë volgzaamheid?

Het antwoord op de laatste twee vragen luidt: niets, helemaal niets.

In dit verband hanteert de Britse filosoof Grahame Lock regelmatig de term ”de-skilling’-dekwalificatie’. Kort gezegd betekent dit het volgende: vanwege de technologische revolutie die de laatste pakweg tien jaar heeft plaatsgevonden, kunnen mensen steeds gemakkelijker en sneller met apparatuur omgaan, en heeft die apparatuur bovendien een steeds grotere kracht. Dit leidt logischerwijs tot ten minste gedeeltelijke vervanging van vrijwel alle beroepen: de boel wordt geautomatiseerd. Om deze reden krijgen mensen vanzelf een aangepaste, simpelere opleiding – er wordt immers minder van ze gevraagd, dus waarom zou je ze voor hetzelfde blijven opleiden? Lock vat het tegenover NRC/Handelsblad kernachtig samen: “Vroeger moest een caissière kunnen rekenen. Nu hoeft ze alleen te scannen.”

Ministeries maken ieder jaar weer een lijst met onderwijsdoelen. Universiteiten en scholen moeten hier vervolgens aan voldoen, ze moeten bepaalde targets halen – en die worden bereikt doordat leerlingen uiteindelijk bepaalde prestaties leveren. Het logische gevolg van zo’n indeling is dat zowel de leerlingen als leraren zich helemaal richten op de hun opgelegde doelstellingen, en daardoor niet meer uitvoeren dan dat. Sommigen spreken hierbij van een zesjescultuur, anderen van efficiëntie – welke term je ook verkiest, het gevolg is een dalend niveau van het algehele onderwijs. Of, zoals Lock het treffend zegt: “In Nederland doen we het tweede garnituur en het derde. Harvard leidt daarentegen op voor de top. Perfecte arbeidsdeling. Heel efficiënte mix. Alles in orde.”

Deze indeling is simpel, overzichtelijk en efficiënt, maar toch blijft de klacht klinken dan de universiteit op het schop moet, dat er meer aandacht moet worden besteed aan het onafhankelijke, creatieve denken – een merkwaardige idee, zeker als je kijkt naar de universitaire toegangseisen. Steeds meer mensen kunnen namelijk toegang krijgen tot de universiteit, ook HAVO- en HBO-leerlingen. Het is dus absoluut geen exclusief terrein meer voor de elite. Volstrekt logisch dat er dan in het onderwijs nauwelijks aandacht uitgaat naar kritisch en origineel denken, maar naar de praktijk. Er zijn mensen nodig die in het systeem passen, die hun taken uitvoeren zonder continu vragen te stellen. En voor die taken is de laatste jaren steeds minder kundigheid nodig, aangezien er in de loop der jaren almaar meer is geautomatiseerd. Het kan dan wel zo zijn dat een universiteit bepaalt hoe je denkt, maar wat is daarvan het bezwaar? Wat hebben we aan dwarse denkers als daar nauwelijks meer behoefte aan is?

De realiteit in 2010 is niet alleen dat een universiteit geen onafhankelijke, kritische geesten klaarstoomt, maar ook dat dat geen probleem is. Er zijn geen voordelen van het klaarstomen van kritische denkers – het brengt de economie niet in gevaar, het levert geen betere kantoorwerknemers op.

Er is tegenwoordig geen reden meer een extra boek te lezen, omdat er steeds minder boeken nodig zijn. Vroeger namen mensen overvolle tassen mee naar hun werk, kenden ze data uit hun hoofd – nu hebben ze een handzame laptop. Dit heet niet verloedering, dit heet vooruitgang. Natuurlijk zijn er mensen die zich daar nu aan storen, maar eeuwen geleden waren er ook schrijvers die er niet aan moesten denken pen en papier te gebruiken. Nu vertelt niemand nog verhalen uit zijn hoofd, iedereen kiest er voor ze niet meer uit zijn hoofd te leren – zonder dat de inhoud van de verhalen verslechtert. Op een soortgelijke wijze kan de huidige klacht tegen de universiteiten gezien worden: als een instinctief tegensputteren tegen oude gewoontes, een laatste restant van vroeger – een restant dat over een paar generaties grotendeels heel verdwenen zal zijn. Een restant waarbij waarschijnlijk lachend de schouder opgehaald zal worden en mensen zullen denken: ach, tja, vroeger, toen dachten we nog dat universiteiten er waren om kritische geesten op te leiden.