Emerson

Ralph Waldo Emerson schreef in 1837 zijn essay ‘The American Scholar’, waarin ik onder ‘scholar’ student versta. “Only so much do I know, as I have lived. Instantly we know whose words are loaded with life, and whose not.” (Emerson, 89). Emerson geloofde niet alleen in kennen, maar ook in kunnen. En dat we onszelf leren kennen door te kunnen. Door ook af en toe bakker te zijn, zelfs al zou het bij één brood per keer blijven, voor eigen consumptie. “Man is not a farmer, or a professor, or an engineer, but he is all” (83). Onze wereld is complexer dan die van 250 jaar geleden, maar dat betekent niet dat we ons niet dezelfde dagelijkse vragen kunnen stellen die Emerson zich afvroeg. Waar komen mijn eten en kleding vandaan? Hoe wordt mijn eten verbouwd? Hoe is dit kledingstuk in elkaar gezet? Hij klaagt over gespecialiseerde arbeid. “In this distribution of functions the scholar is the delegated intellect. In the right state he is Man Thinking. In the degenerate state, when the victim of society, he tends to become a mere thinker, or still worse, the parrot of other men’s thinking.” (83).

{delegate: a person sent or authorized to represent others, in particular an elected representative sent to a conference.}

De denker die namens ons allen denkt. Denken is in de ogen van Emerson tot zijn ongenoegen een specialisatie geworden. De academici denken, de rest hoeft niet meer. In zijn volgende zin beschrijft hij ons als leden van de samenleving die geamputeerd zijn van de stam en als losse onderdeeltjes ronddolen.
Als we over universiteiten spreken zou Emerson vast liever het Amerikaanse model zien dan het Duitse. Daar bestaan de praktische (kunst)vakken naast de theoretische. Aspirant filmmakers volgen bij wijze van spreken keuzevakken met aspirant artsen. Maar hij zal het feit dat onze universiteiten veelal midden in de stad gesituationeerd zijn wel weer kunnen waarderen. Om bij de universiteit te geraken moet de stad worden doorkruist, wat ons besef geeft van de wereld buiten het academische denken om. We zitten niet op campus in een afgesloten academische wereld.
Emerson’s ideaal is de eeuwige student die actief denkt, en dat niet louter voor de universiteit reserveert maar er zijn dagelijks leven mee invult. Zodra het toepasbaar is draagt het bij aan de ‘active soul’ van de persoon. Als kennis simpelweg herkauwd wordt zonder dat de denker daar iets mee doet, wordt hij de eerdergenoemde papegaai die zich de kennis niet kan toe-eigenen. Het idee van deze alternatieve eeuwige student baseer ik op zijn quote: “(…) is not the true scholar the only true master?” (84).

Karl Jaspers schrijft: “The idea of the university derives its educational force from the primary human will to know. It gives the educated man both sureness of purpose and at the same time great humility. Insight alone cannot decide the purpose or ultimate goal of existence. One clear and ultimate purpose is this at any rate: the world wants to be understood.” (Jaspers, 53).
Ik denk dat Emerson zou zeggen: ‘the world needs to be lived, for it to be understood’. Want wat is die sureness of purpose dan? Na hoeveel kennis is die zekerheid er, na hoeveel boeken? En wat zijn dan de juiste boeken om jouw existentie mee te verklaren? Wat als je die maar niet tegenkomt? Bij eeuwig zoeken word je volgens Emerson een boekenwurm: “Hence, instead of Man Thinking, we have the bookworm. Hence the book-learned class, who value books, as such; not as related to nature and the human constitution, but as making a sort of Third Estate with the world and the soul.” (Emerson, 86).
Boeken om je bestaan aan te ontlenen. En dan komen we terug bij het ontroerende openingscitaat: “Only so much do I know, as I have lived.”
Oftewel: je leest om te leven, niet om geleefd te worden door wat je leest.

Ralph Waldo Emerson: Selected Essays, Lectures and Poems.
Karl Jaspers: The Idea of a University.