Literatuur en wetenschap
De spanning tussen de literatuurwetenschappelijke theorie en de dagelijkse praktijk
Vorige week bezocht ik een lezing over Lenz van Georg Büchner . Na afloop van de lezing kwamen er vanuit het publiek met name vragen naar de bedoeling of de boodschap van de auteur. Nu had de lezing zelf een sterk biografische inslag, maar toch verbaasde het mij enorm dat er louter met betrekking tot de auteur vragen werden gesteld. Sindsdien zoek ik naar een antwoord op de vraag; ‘waarom vindt men de auteur zo belangrijk?’.
Bij Literatuurwetenschap leren we op de spreekwoordelijke eerste dag van onze studie al dat de auteur dood is. Deze beroemde zin van Roland Barthes heeft mij altijd enorm aangesproken, omdat je door de auteur dood te verklaren veel meer ruimte krijgt in je interpretatie en de remmende kracht van de auteur genegeerd kan worden. Door de auteur dood te verklaren heeft de literatuurwetenschap de literatuur tot een autonoom veld weten te maken waarin naar hartelust onderzoek kan worden gedaan, er op los geïnterpreteerd kan worden en er een algehele vrijheid in onderwerpskeuze en associatie bestaat.
Ik vermoed dat buiten de literatuurwetenschappelijke praktijk weinig mensen op een autonome literatuur zitten te wachten. Als we alleen al kijken naar de vragen die en willekeurig publiek na een lezing stelt zien we deze tendens. Om het theoretisch te onderbouwen zou ik willen verwijzen naar Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is. Naast dit theoretische kader, kwam ook vrij snel het personage Arnon Grunberg in mij op.
Grunberg is een veelzijdig schrijver, die, zoals ook al eerder is gezegd, naast romans en toneelstukken ook reportages, columns en zogenaamde ‘voetnoten’ in de Volkskrant schrijft. Grunberg is voor veel mensen een prettige auteur: hij verstopt zich niet achter zijn boeken maar treedt in het publieke leven en heeft overal een mening over. Zijn rol in de maatschappij is de rol van leider, een cultureel leider die de massa vertelt waar ze heen moeten gaan, waar ze over na moeten denken, wat ze van bepaalde zaken moeten denken, wat ze als voorbeeld moeten nemen en wat ook niet. Grunberg is de leider die de mens nodig heeft, als we met Heidegger denken.
Zou je dan moeten stellen dat het doodverklaren van de auteur buiten ons vakgebied eigenlijk weinig voeten aan de grond heeft gekregen? De tendens om werken (auto)biografisch te lezen is niet te ontkennen, iets dat bijvoorbeeld de aanklacht tegen Maria Mosterd wegens smaad dan weer bevestigt. Mosterd heeft het boek Echte mannen eten geen kaas geschreven en na een enorme ophef omdat niet alles wat erin stond echt was gebeurd, is ze aangeklaagd wegens smaad, omdat niet alles echt gebeurd was. De man die heeft gefungeerd als hoofdpersonage blijkt geen loverboy te zijn en Mosterd heeft zijn naam bevuild door hem wel als loverboy neer te zetten.
In mijn ogen is het fascinerend dat het ‘publiek’ of de ‘massa’ geen onderscheid kan of wil maken tussen fictie en waargebeurd; wat maakt het nu uit of iets echt is gebeurd?
Blijkbaar heel erg veel. Als het waargebeurd is, dan is het blijkbaar veel erger/ontroerender/leuker/spannender dan wanneer het verzonnen is. Als het waargebeurd is, spreekt het verhaal de lezer blijkbaar veel meer aan dan wanneer de sticker ‘fictie’ op de kaft staat. Wanneer een boek gepresenteerd wordt als waargebeurd, is het geen autonoom object maar direct verbonden aan ‘het leven’ of ‘de werkelijkheid’. Als het boek zichzelf verkoopt als waargebeurd, dan is het blijkbaar niet meer ‘zomaar’ een boek.
Wat moeten wij als literatuurwetenschappers nu met dit gegeven? Heel hard roepen dat het echt niet uitmaakt wat de auteur denkt en vindt en zou bedoelen? Heel hard roepen dat het niet uitmaakt of iets verzonnen is of ‘echt’? Heel hard roepen dat het om de kwaliteit van de tekst gaat, niet om het waarheidgehalte?
Maar tegen wie roepen we dan? En wat hopen wij dan te bereiken? De auteur voorgoed zijn graf in helpen? De literatuur eindelijk autonoom te maken? Maar wat is autonomie precies? Kan autonomie wel bestaan? Autonomie van de literatuur is waarschijnlijk een ideaal dat nooit werkelijkheid zal en kan worden.
Gebruikte literatuur:
Barthes, Roland. “The Death of the Author”. Image, Music, Text. Trans. Stephen Heath. London: Fontana Press, 1977.
Heidegger, Martin. “The Self-Assertion of the German University”. Trans. Karsten Harries. Review of Metaphysics. 38:3 (1985). 467 – 480.
Schulz, Hans Joachim et al. Comperative Literature: The Early Years: An Anthology of Essays. Chapel Hill: University of North Caroline Press, 1973. 3 – 44 (Fragmenten over Goethe en Weltliteratur)
Spivak, Gayatri Chakravatory. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia University Press, 2003. 1 – 23.
nikkidekker 9:33 pm on October 12, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hallo Sinead,
ik vind het heel leuk dat je dit hebt geschreven, het is een kwestie die denk ik altijd wel relevant blijft. Ik ben zelf een van die weinige academici die zelfs na drie jaar literatuurwetenschap nog steeds niet aan de dood van de auteur wil – God is dood, zoveel is zeker, maar de auteur? Nooit! Lang leve de auteur!
De vraag: ‘waarom vindt men de auteur zo belangrijk?’ is snel beantwoord: omdat hij het werk heeft gemaakt. De literatuurwetenschapper geeft er weliswaar betekenis aan, de lezer ziet er weliswaar zichzelf in weerspiegeld, alle andere literatuur bestaat er weliswaar in relatie toe en ja, het is weliswaar opgebouwd uit een bepaalde taal die beperkingen oplegt, maar het is nog steeds gemaakt door de auteur. De auteur is misschien niet de oorsprong, maar wel de machine, degene die alle input heeft verwerkt tot een boek. En als je oog in oog komt met de machine die jouw boek heeft voortgebracht, het boek wat zoveel indruk op je heeft gemaakt, dan wil je erachter proberen te komen hoe die machine werkt. Toch?
“De tendens om werken (auto)biografisch te lezen is niet te ontkennen”. Hoe kom je precies tot deze stelling? In het voorbeeld van Maria Mosterd kan ik het niet vinden; immers, dit boek werd impliciet gepresenteerd als memoir. Enkele zinnen van haar website: “Zes jaar later schrijft Maria dit bloedstollende verslag van haar jaren met Manou.” “Wat Maria heeft meegemaakt is schokkend; hoe ze erop terugkijkt is buitengewoon ontroerend.” Het lijkt mij toch echt een uitnodiging om het boek als autobiografie te lezen: de namen verwijzen naar echte personen, Maria kijkt terug op wat ze heeft meegemaakt… Kijk, we kunnen natuurlijk discussiëren over de zin “Ze heeft er een authentiek en onthullend verhaal over geschreven”, maar zelfs als je wilt beweren dat een “verhaal” altijd fictie is, moet je nog toegeven dat het in het geval van dit boek niet gaat om een publieke tendens om autobiografisch te lezen, maar een redactionele tendens om dramatische verhalen als autobiografisch op de markt te brengen.
En daar is een reden voor, zoals je zelf al zegt: “het is direct verbonden aan de werkelijkheid”. Ik denk zelf dat het mensen vooral aanspreekt omdat het is als een gesprek voeren met de schrijver – ik zou zelf graag gesprekken voeren met Stephen Fry, daarom lees ik al zijn interviews en memoirs – omdat ik niet willen weten wat de verbeelding is van de mensen die ik bewonder, maar wat hun gedachten en emoties zijn. Omdat ik, wederom, wil weten hoe de machine werkt.
Jij lijkt hier een heel andere mening over te hebben, maar die wordt nog niet expliciet in je stuk. Misschien in de reacties wel? Kun je me vertellen waarom je autonomie van literatuur een ideaal vindt, waarom je het überhaupt zou willen bereiken?
sinead 9:09 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hé Nikki,
je snijdt veel punten aan maar ik zou nu alleen willen ingaan op de rol van de “auteur” en mijn idee van autonomie.
Dat er een persoon is die het werk heeft gemaakt, is zeker niet te ontkennen. Maar om dan direct autoriteit toe te schrijven aan deze persoon, daar trek ik aan de noodrem. Als je spreekt over het ontdekken hoe de machine werkt, ontwaakt in mij toch stiekem het idee dat de schrijver wel iets belangrijker is voor jou dan voor mij. Een boek lijkt voor jou toch vooral een product te zijn van een ‘machine’ (al zou ik die machine toch creatieve geest o.i.d. willen noemen wanneer je hier het zwaartepunt op legt) en jouw interesse ligt dan ook primair bij de creator. Voor mij is een boek een zelfstandig artefact, weliswaar gecreërd door een persoon maar bestaand op zichzelf en ik interesseer mij dan ook niet bijzonder in de processen die aan het boek vooraf gaan, maar ik wat er gebeurt wanneer het boek gelezen wordt. Dat is een andere benaderingswijze en dat zorgt ook voor een andere rol voor of belang van de schrijver.
Wanneer ik van autonomie spreek, denk ik dat ik graag de literatuur los zie van haar creators, en tegelijkertijd zie ik heel goed dat dat misschien een mooi ideaal is, echt hondert procent mogelijk is het niet. Natuurlijk kijk ook ik naar welke naam er op de kaft staat en kies mede op basis daarvan of ik een boek wel of niet ga lezen. Idealiter lees je alles en let je niet op de auteursnaam, de realiteit is echter dat we nauwelijks tijd hebben om te lezen en dus een keuze moeten maken en in die keuze word je begeleid door de bekenheid van de auteur en de plaats in de canon (of juist allemaal niet, maar ook dan word je hierdoor beïnvloed).
Het echte probleem hier is dus, dat je een mooie theorie hebt (gestoven auteur) en een dagelijkse praktijk, en dat de praktijk de theorie niet helemaal kan waarmaken. Moeten we dan de theorie opgeven? Moeten we de praktijk veranderen? Moeten we hier vrede mee hebben en fluitend onze weg vervolgen?
nikkidekker 11:29 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply
Ik snap wat je bedoelt, maar zoals je al vreesde; ik vind de rol van de auteur inderdaad een stuk belangrijker. Agree to disagree, lijkt me.
En ja, de verhouding tussen theorie en praktijk…dat is moeilijk. Het hangt er natuurlijk wel vanaf wat je van de theorie verwacht. Zoals ik in mijn nieuwe blog post schrijf, geloof ik dat de praktijk de theorie helemaal niet nodig heeft – maar de theorie de praktijk wel. Ik denk dat het zeker geen kwaad kan als literatuurwetenschappers reflecteren op hun theorie van de gestorven auteur vanuit het perspectief dat geen enkele leek het me ze eens is – al was het maar om een beetje uit die ivoren toren te klimmen.
Anderzijds is het belachelijk om een literaire theorie aan te passen op wat het grote publiek, dat toch vooral voor entertainment leest, vindt.
Maar jij werpt de leukste optie op: de praktijk veranderen! Hoe zie je dat voor je?
sinead 10:10 am on October 15, 2010 Permalink | Log in to Reply
Wanneer je praat over praktijk, bedoel je dan de praktijk van het schrijven of de praktijk van het lezen? Wanneer je hiervan beweert dat ze de theorie niet nodig heeft, beweer je daarmee dan niet tegelijkertijd dat ze autonoom is?
Bovendien heb ik mijn twijfels of ze wel echt zo los staat, het gros van de mensen leest waarschijnlijk niet met de invalshoeken die wij bij lw leren, maar bij het schrijven zie je toch wel geregeld het incorpereren van theorie? De kwestie die zich dan opwerpt is wie was er eerder, de kip of het ei, maar ik denk dat theorie en praktijk met elkaar in dialoog gaan en niet dat de theorie na de praktijk komt. Theorie heeft zeker de praktijk nodig, maar is ze daarom altijd secundair?
Waar ik erg benieuwd naar ben: waarom vind je het belachelijk het grote publiek in aanraking te brengen met een literatuurwetenschappelijke theorie?
En het veranderen van de praktijk: ik weet niet of dat een oplossing is. Ik zweef zelf tussen de drie opties die ik opperde: theorie opgeven, praktijk veranderen of accepteren dat het zo is en onveranderd doorgaan. Optie één zullen velen niet willen overwegen, optie drie is een soort van je kop in het zand steken en optie twee lijkt dus voor de meeste vooruitgang te zorgen. Is die vooruitgang echter gewenst? Is ze mogelijk? Hoe moeten we de praktijk veranderen? Moeten we niet gewoon blij zijn dat mensen überhaupt nog lezen? Of zouden de schrijvers hier dan weer een rol kunnen spelen, als leiders van het volk?
nikkidekker 5:01 pm on October 26, 2010 Permalink
Hallo Sinead,
ik bedoel met praktijk de literatuur, en met theorie de literatuurwetenschap. Ik stel dus dat literatuur de theorie niet nodig heeft, maar literatuurwetenschap wel de praktijk om uit de putten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de praktijk (de lees-, schrijf-, recenseer- en bespreekpraktijk) niet wordt nagedacht over de aard en mogelijkheden van literatuur, maar dat dergelijke overdenkingen niet systematisch, als discipline, worden bedreven.
Dat ik de praktijk onafhankelijk van theorie noem, wil natuurlijk niet zeggen dat ze autonoom is. Dat is een wel erg extreem standpunt.
Ik denk zeker dat theorie en praktijk met elkaar in dialoog gaan, maar dat de parktijk hierin primair is: simpelweg omdat er anders niets te theoriseren valt. Dit is een erg persoonlijk (en veelal ongeliefd) standpunt van mij: leven gaat voor de filosofie, lezen voor de literatuurwetenschap. Omdat we mensen zijn, en geen theoriemachines.
Je hebt me verkeerd gelezen. Ik zei: “Anderzijds is het belachelijk om een literaire theorie aan te passen op wat het grote publiek, dat toch vooral voor entertainment leest, vindt.”
Ik denk dat optie 3 de enige mogelijkheid is. Het is niet noodzakelijk je kop in het zand steken, maar accepteren dat literatuurwetenschap theoretisch is en als zodanig niet op gelijke voet staat met de realiteit, maar eerder met de filosofie en cultuurkritiek.
Léonie 3:42 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply
Ha Nikki en Sinead,
Ondanks het feit dat ik óók Barthes heb gelezen en de dood van de auteur voor mij zo normaal is geworden als die van God, betwijfel ook ik of de auteur nu werkelijk ‘dood’ is. Buiten de literatuurwetenschappelijke praktijk is dit nog lang niet zo: er worden genoeg debatten, lezingen en interviews georganiseerd waarin een bepaalde schrijver of auteur wordt gevraagd naar zijn/haar ‘inspiratiebronnen’, ervaringen die hebben geleid tot het schrijven van een boek of verhaal, de rol van de naaste omgeving etc…
Nu moeten we ons afvragen of dit ook enige ‘zin’ heeft. De hermeneutiek, waarbij de interpreet het werk ‘beter moest begrijpen dan de auteur zelf” (ook een interessante benadering, want wat zegt dit over de auteur? Dat die misschien ‘een machine’ (Nikki) is die zichzelf ook niet begrijpt?) wordt bij ons duidelijk onderwezen als een verouderde benadering. Nadat God sneuvelde, ging in de jaren zestig en zeventig ook ‘de waarheid’ eraan (mede mogelijk gemaakt door de postmodernisten!).
Het sneuvelen van ‘de waarheid’ leidt er echter toe, dat een boek geen juiste betekenis meer toegekend kan krijgen, ook niet, of misschien wel juist niet, door de auteur. Dit heeft weer tot gevolg dat er zoiets ontstaat als ‘polyinterpretabiliteit’ en dat dat zelfs de norm wordt (immers, wie gelooft in ‘de ware betekenis’ is nu ouderwets geworden). Deze polyinterpretabiliteit creëert een grote vrijheid (want minder gebondenheid) – maar bevordert zij ook de autonomie van het werk? En is dit wenselijk?
We zouden kunnen stellen dat dit zo is, omdat de literatuur zo op meerdere manieren benaderbaar wordt. Aan de andere kant is het maar de vraag of je zo niet verzandt in een groot ‘interpretatiemoeras’ waarin niets meer prevaleert boven het andere. Tegelijkertijd blijkt dit in de praktijk nog niet zo te zijn – anders zouden schrijvers niet gevraagd worden naar hun ‘drijfveren’ om te schrijven (ik bedoel te zeggen, dat er toch nog meer autoriteit aan een schrijver wordt toegedicht dan iemand die iets over een werk zegt of stelt, dat hij niet zelf geschreven heeft).
Met andere woorden: de autonomie van literatuur is iets dat blijkbaar alleen speelt in wetenschappelijke kringen. Zelf denk ik, dat het een houding is die meer openheid in zich heeft – die dus meerdere opties open laten om te laten zien hoe ‘de machine werkt’, en misschien ook wel betere opties kan aandragen dan wanneer we ons alleen richten op de auteur. Autonomie zou dus een grotere vrijheid tot gevolg kunnen hebben. Aan de andere kant kunnen we ons – ook weer lekker postmodern – afvragen of deze autonomie überhaupt bestaat, aangezien tussen het ontstaan, dus het schrijven, van een boek en het daadwerkelijk op de markt komen van een boek nog oneindig veel tussenstappen vergt.
Een nieuwe vraag dus, om af te sluiten: is de autonomie van literatuur in den beginne mogelijk, of is het iets dat wij graag willen, als wetenschappers?
nikkidekker 10:57 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply
Ik ben ervan overtuigd dat literatuur niet autonoom kan zijn. Heeft het zichzelf geschreven? Zichzelf gepubliceerd? Zichzelf gelezen? Voilá, dat is alles wat ik erover kan zeggen.
En ik denk dat je je eigen vraag ‘is het iets dat wij graag willen, als wetenschappers’ al hebt beantwoord wanneer je zegt dat de autonomie van literatuur alleen in wetenschappelijke kringen speelt, dat ze kan leiden tot een grotere vrijheid: waarschijnlijk speelt de autonomie van literatuur alleen in wetenschappelijke kringen omdat ze kan leiden tot een grotere vrijheid.
Ik wil hier nog wel uitwijden: ik geloof niet dat we ons ‘alleen [moeten] richten op de auteur’; allesbehalve. Van mij mag literatuurwetenschap alles aangrijpen om een interessante interpretatie/wending/theorie van een werk te maken – het enige wat ze niet moet doen, is die interpretatie/wending/theorie voorstellen als wetenschappelijk, en dus van grotere waarde dan de intentie van de auteur en de receptie van het publiek.
sinead 9:17 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hee Léonie,
ik denk dat je beschrijft wat ik heb geprobeerd te zeggen in andere woorden, en we eindigen op hetzelfde punt: wij hebben een theorie, maar die theorie is in de praktijk (nog) niet mogelijk of toepasbaar.
Wat autonomie is, ik ben benieuwd wat het voor jou, maar tegelijkertijd voor alle anderen op dit forum betekent.
Of autonomie wenselijk is, dat is een tweede punt waar ik graag over na wil denken. Voor “ons wetenschappers” is autonomie een prettig uitgangspunt want vrijheid blijheid we mogen alles onderzoeken wat we willen want het werk is een losstaand object (terwijl het tegelijkertijd daardoor misschien wel weer volledig ingebed is in alles wat je kunt bedenkent) maar blijkbaar is dat voor “andere lezers” (de hiërarchie die ik hier onbewust schep vind ik alles behalve prettig, maar ik zou niet weten hoe ik het ander moet zeggen) geen prettig idee. Blijkbaar willen mensen leiding, willen ze weten wat iets betekent en het antwoord “alles wat je kunt bedenken en begronden” is niet bevredigend. Moeten we dan maar op zoek naar de psychologische processen die daarmee te maken hebben?
FlorisPieterse 9:07 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hé Sinead,
Goed essay (alhoewel de rol die Goethe en Spivak erin spelen me niet helemaal duidelijk is). Je stelt heel wat vragen die bij mij ( en alle literatuurwetenschappers waarschijnlijk) de afgelopen twee jaar behoorlijk in het achterhoofd hebben rondgespookt.
Het meest intrigerende voor mij is eigenlijk de rol van ‘homo universalis’ die Arnon Grunberg die Arnon Grunberg in onze maatschappij heeft opgenomen. Het slaat eigenlijk helemaal nergens op (voor mij in ieder geval niet). Het hele idee dat omdat deze man een mooie roman kan schrijven hij vast en zeker over alles wel iets interessants te melden heeft vind ik gewoon een beetje belachelijk en ik ben ervan overtuigd dat het onvermogen van het algemene publiek om fictie en werkelijkheid uit elkaar te halen een belangrijke rol daarin speelt.
Ik denk dat met de opkomst van de nieuwe media in de afgelopen eeuw de schrijver (onterecht) een veel enigmatischer en daarmee ook indrukwekkender figuur is geworden. Waar het eigenlijk allemaal op neerkomt is dat mensen veel minder lezen en daardoor is het lezen van een enkele roman opeens een veel gewichtiger iets geworden.
Een voorbeeld: Iemand die nog nooit een roman heeft gelezen leest een roman en hij vindt het prachtig. Een kennis vertelt diegene dat hij hetzelfde boek gelezen heeft en er niets aan vond, waarop de eerste figuur in stomme verbazing antwoordt: ‘Hoe kan je zeggen dat dit een slecht boek is? Ik lees nooit boeken en ik vond het prachtig!’
Ik denk niet dat ik de foute logica in het bovenstaande voorbeeld hoef uit te leggen en toch is het me één keer te veel gebeurd dat iemand dit (of iets soortgelijks) in alle ernst tegen me gezegd heeft. Misschien is de rol van de literatuurwetenschapper wel het bewaken van kwaliteit.
Maar misschien is als literatuurwetenschapper mijn beeld van de leesgewoonten van het algemene publiek vreselijk vertroebeld. In zekere zin hoor ik eigenlijk niet meer tot het algemene publiek wat lezen betreft.
jetvangroningen 5:39 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply
Ik loop stage bij de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, en daar worden regelmatig middagen/avonden georganiseerd waarbij de auteur centraal staat. Afgelopen zondag was er ‘In het hoofd van de dichter’, met ditmaal als gast K. Schippers. Voor de bijeenkomst had hij een gedicht moeten schrijven, wat hij dan zou voorlezen en samen met de presentatoren (Wim Brands en Erik Lindner) zou analyseren.
In de programmaomschrijving staat: “Zin voor zin, woord voor woord ontrafelen zij de onderkant van het tapijt: Waar komen ideeën vandaan? Welke voorwerpen inspireren de dichters? Wat gebeurt er in het hoofd tijdens het dichten ?” Ik verwacht dat vele literatuurwetenschappers (zoals blijkt uit een deel van bovenstaande betoogjes) een dergelijke omschrijving tegen de borst zal stuiten. Want wat heeft het voor zin om een vergrootglas te houden boven de visies van de auteur?
Aan het begin van de middag las K. Schippers een passage voor uit een gedicht dat verhaalt over ‘het voor de laatste maal slapen in dat bed’. Uit reacties bleek dat het publiek grotendeels dacht aan overlijden, laatste levensfases en leven na de dood. Schippers’ gedachtes bij het schrijven van het gedicht lagen echter bij de koele schoonheid en de opgeruimdheid die komen kijken bij het verhuizen naar een andere woonplek. Of de visie van het gedicht het gedicht meer schoonheid mee kan geven, weet ik niet. Maar ik ben wel van mening dat de auteur en zijn visie op zijn creatie niet iets is wat zomaar terzijde geschoven kan worden. En ik durf zelfs te beweren dat de visie/achtergrond van de auteur soms een diepere betekenis kan geven aan een werk. Tijdens het lezen van Cahier d’un retour au pays natal van Aime Cesaire of A Room of one’s own van Virginia Woolf heb ik mezelf telkens bezig gehouden met de vraag: wat moet ik weten van de geschiedenis (van de auteur) om dit werk te begrijpen?
Ik vroeg mij af hoe jullie denken over dergelijke werken, die een sterke boodschap uit trachten te dragen? Is ook hier het literaire werk het beste te benaderen als autonoom zijnde?
Léonie 5:21 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply
Veel stof tot nadenken hier!
Jet: waarom denk je dat de visie en/of de achtergrond van de auteur een diepere betekenis kan geven aan het werk zelf? Het geeft zeker een betekenis, maar een zuivere closereading geeft toch óók een betekenis? Met andere woorden: hoe bepalen we welke betekenis die ergens aan gegeven wordt, “dieper” of “beter” is dan een andere? En als tweede: hoe maken we uit welk werk een sterke boodschap probeert uit te dragen? Zelf denk ik dat elk “goed” (maar wat is goed? O nee) boek een boodschap uitdraagt, of die nou duidelijk politiek voelbaar is (zoals bij Woolf en Césaire dus) of niet. Als je dit anders zou moeten bepalen, kom je toch gevaarlijk dichtbij een soort pamflet-achtige beoordeling van de “boodschap” van een boek?
Floris: Het zou inderdaad kunnen dat schrijvers teveel autoriteit hebben gekregen. Dat iemand als Grunberg ook over politiek e.d. kan schrijven, betekent niet dat hij hier net zo goed (of slecht) in is als in het schrijven van een roman. Aan de andere kant staat het hem net zo vrij als ieder ander, en ik ben niet geneigd Grunbergs stellingen voor meer “waar” aan te nemen omdat hij Tirza of enig ander boek heeft geschreven (tenminste, dat denk ik zelf. Onbewust spele er vast heel andere dingen mee).
Maar: wat vind je da algemener van de rol die “intellectuelen” moeten spelen in zoiets als het publieke debat? (Dit ook omdat daar bij vlagen enorme ophef over wordt gemaakt.) We zouden ook kunnen stellen, dat íemand dat toch moet doe (of, dat het fijn is als iemand dat doet) en zou een intellectueel/schrijver/etc daar misschien goed voor te lenen zijn? Of werken we dan teveel toe naar de bewuste creatie van een elite (we moeten immers Gramsci lezen voor aanstaande maandag).
Sinead: Ik denk zeker dat “de zoektocht naar autoriteit” te maken heeft met het belangrijk of onbelangrijk maken van de auteur. Wij dichten autoriteit toe aan het werk, als wetenschappers: “andere lezers” (idem, (?)) doen dit bij de auteur. Ik denk dat dit inderdaad een makkelijker weg is en ook een logische stap – de auteur heeft het werk immers geschreven, dus “hij zal het beste weten”. Hiermee kom ik meteen bij Nikki’s punt: ja, het is wel de auteur die een boek geschreven heeft, maar waarom zou hij dan het meest of het beste uit zijn eigen boek kunnen halen? Ten tweede is het boek met al zoveel andere hulpmiddelen tot stand gekomen, dat we misschien wel kunnen betwijfelen of de auteur nog wel zo belangrijk is (en of niet de media, de uitgever of de boekwinkel het boek maken).
Benieuwd naar het verdere verloop!
Léonie