De Macht van Taal

Wanneer je in het van Dale woordenboek het woord discipline opzoekt, worden er twee betekenissen gegeven. De eerste betekenis van ‘discipline’ is ‘een regime van strenge gedragsregels; tucht’, de tweede betekenis is ‘ studierichting, wetenschap’. Nu zal je op het eerste gezicht wellicht zeggen dat dit twee geheel verschillende betekenissen zijn en verbaasd zijn over de zo verschillende connotaties met het woord discipline. Maar als we de beide betekenissen nader bekijken, lijken we in de kern op dezelfde praktijk uit te komen; de disciplinerende praktijk. Een praktijk die in handen is van en gebaseerd is op de taal.

De eerste betekenis van discipline is een regime van strenge gedragsregels; tucht, oftewel een tuchtschool. Het woord jeugdgevangenis is in 1901 vervangen door het woord tuchtschool met de volgende definitie: “Eene inrichting waar een gedurende betrekkelijk korten tijd van zijn vrijheid beroofd kind onder voortdurend toezicht en leiding door gestrenge tucht, als onderdeel eener menschkundige, aan den persoon en de omstandigheden zich aanpassende opvoeding, tot het besef der noodzakelijkheid van onderwerping aan de zedelijke en maatschappelijke orde moet worden gebracht”. De school in Dead Poets Society lijkt, mijns inziens, geheel aan deze definitie te voldoen Vooral ‘het besef der noodzakelijk van onderwerping aan de maatschappelijke orde’ lijkt bij de overgebleven studenten aan het einde van de film te zijn doordrongen. Hoewel er nog een kleine revolte (staan op de bureaus) ontstaat om de ontslagen Keating te salueren, zijn de studenten doordrongen van het feit dat ze zich moeten onderwerpen. Deze onderwerping komt het meest duidelijk naar voren in het feit dat ze allen hun handtekening onder het contract zetten, waarin ze Keating beschuldigen. Interessant vind ik hieraan dat de onderwerping uiteindelijk door middel van taal gebeurd. De taal van het contract creëert de gewenste werkelijkheid. Keating wordt uitgesloten, de studenten weer ingesloten.

De tweede betekenis van ‘discipline’ is studierichting, wetenschap. Zoals het woord studierichting al aangeeft is dit ook in zekere zin een inrichting, een gebied dat is ingericht om specifieke dingen te leren. Ook in dit gebied bestaan gedragscodes, is er toezicht en leiding en worden de volgelingen (in dit geval studenten en geen kinderen) opgeleid om op een succesvolle manier mee te doen aan de maatschappelijke orde. Dit gebeurt weliswaar niet door middel van ‘gestrenge tucht’ maar door middel van taal. Specifieke taal die bij de discipline hoort; vaktaal. Ook de taal van een discipline (studierichting) creëert uitsluiting en insluiting. Foucault betoogt dat uitspraken de kaders bepalen van wetenschappelijke discoursen, ze bepalen zogezegd wat er buiten en binnen valt. Binnen een discipline moet je in ‘the true’ zijn, zoals Foucault schrijft. Taal is het middel om in ‘the true’ te komen. Nu betoogt Keating eigenlijk hetzelfde in Dead Poets Society, wanneer hij de literatuur als discipline aandraagt om te leren leven, te zijn. Andermans taal (Whitman, Faulkner) zou de jongens moeten omvormen tot kritische (?) mensen. In werkelijkheid lijken ze slechts te herhalen wat Keating heeft ingezet. Een orde van dode dichters, die insluit en uitsluit.

Taal is de bestaanvoorwaarde van discipline en disciplinering, in beide betekenissen. Zonder taal geen fundament waarop men kan baseren wie naar de tuchtschool moet; zonder taal geen mogelijkheid tot uitsluiten en insluiten; zonder taal geen afgebakende discipline, geen studierichting. Taal is macht. In dit licht lijkt Spivak een krachtig ideaal na te streven, waarbij er meerdere talen toegankelijk moeten worden, meer talen geleerd moeten worden om zo meer begrip en gelijkheid te creëren tussen culturen. Maar, evenals het kennisideaal van globalisering en in het bijzonder van internet (voor iedereen toegang tot kennis) bestaat er juist een groot gevaar van sterke ongelijkheid. Want wie leren deze talen? De universitair geschoolde mensen, zij hebben toegang tot andere culturen, zij kunnen ‘vertalen’, zij hebben de taal in handen, zij kunnen de regels bepalen. Hoe humanistisch het idee van wederzijds begrip door middel van taal van Spivak ook is, in praktijk is deze wederkerigheid onmogelijk. Ik heb meer mogelijkheid Shona (een dialect in Zimbabwe) te leren aan de universiteit, dan dat een Zimbabwaan mogelijkheid heeft Fries te leren. Ik krijg wellicht een ingang in de Zimbabwaanse cultuur door mijn kennis van Shona, maar dit creëert nog geen reciprociteit. Een Zimbabwaan zonder kennis van mijn taal heeft weinig ingang in mijn cultuur. Ik krijg meer mogelijkheid de kaders te bepalen, om in te sluiten en uit te sluiten. Ik kan disciplinerend optreden. Ik heb immers meerdere talen in handen.

In plaats van het ideaal van Spivak na te streven met dien verstande dat het nooit werkelijkheid zou kunnen worden en in praktijk nog meer ongelijkheid creëert, zou Spivak haar ideaal wellicht moeten herformuleren tot een meer realistisch humanistische visie.