De utopie van Goethe en Spivak

Translatie, communicatie, begrip. Met deze volgorde zou de wereld een stuk beter kunnen worden volgens Johann Goethe en Gayatri Spivak. De eerste denkt door middel van Weltliteratur: de beschikbaarheid en het lezen van (vertalingen van) teksten uit andere landen met andere culturen. Spivak door middel van het vertalen zelf en de beheersing van verschillende talen en culturen – comparative literature.

Waar ik graag mee wil openen is het volgende probleem dat Spivak terecht stelt:
I have remarked above that borders are easily crossed from metropolitan countries, whereas attempts to enter from the so-called peripheral countries encounter bureaucratic and policed frontiers, altogether more difficult to penetrate. (Spivak 2003: p. 16)

Kortom: het ideaal is mooi om iedereen in literaire zin gelijkwaardig te maken, maar bepaalde mensen en groepen zullen hier geen toegang toe hebben. Dit heeft alles te maken met klasse en afkomst. Spivak noemt een oorzaak: ‘an important infrastructural problem of the restricted permeability of global culture is the lack of communication within and among the immens heterogeneity of the subaltern cultures of the world.’ (16)

Dit probleem is geprobeerd op te lossen door Lejzer Zamenhof (aka dr. Esperanto) met het ontwerp van de nieuwe, makkelijk te leren kunsttaal Esperanto (‘iemand die hoopt’). Het idee voor een nieuwe universele taal kreeg hij als kind, toen hij woonde in het noordoosten van Polen. Daar woonden verscheidene volken en de verschillende talen leidden tot onbegrip en geweld. Naar schattig wordt het Esperanto inmiddels door 2 miljoen mensen gesproken.
Zamenhofs idee toont duidelijk van een zelfde ideaal als die van Goethe en Spivak: translatie, communicatie, begrip. Maar zijn taal heeft niet de oplossing geboden die hij voor ogen had. Het zou fantastisch zijn als iedereen Esperanto leerde en dat we daardoor konden praten met mensen van over de hele wereld. Maar hier rijst weer hetzelfde probleem als Spivak als eerste opmerkte: niet iedereen heeft toegang tot de oplossing. In armere landen hebben ze bijvoorbeeld belangrijkere lessen nodig dan het leren van het Esperanto, laat staan of ze de middelen hebben.

Spivak erkende het al in haar boek: het ideaal van universele communicatie is een idee dat altijd als richtpunt aan de horizon moet blijven, maar nooit gerealiseerd kan worden. In dit opzicht is het een utopie. Maar ook om een andere reden is het een utopie: zou die universele communicatie/literatuur, waar Goethe en Spivak naar streven, echt het effect hebben dat zij beogen? Kortom: als we er in slagen om met iedereen ter wereld te communiceren, door middel van een wereldtaal of het vertalen van elkanders teksten, is de wereld dan echt veel beter? Kan het, zoals Zamenhof hoopte, zelfs oorlogen voorkomen? Food for thought! Ik denk dat het inderdaad verstrekkende positieve gevolgen zou kunnen hebben. Goethe zegt: this too (begrip van elkaar) will contribute to the expanding economic relations for the recognition of common convictions will further a prompter and deeper confidence. On the other hand, when we are dealing with people who think very differently, we will be more cautious as well as more tolerant and forgiving. (Schulz 1973: p. 11)
In Foucaultiaanse woorden: als we elkaars discourses weten en de punten waarop we verschillen van mening, kunnen we daar rekening mee houden en ons zelfs, volgens Goethe, toleranter opstellen. Het klinkt prachtig, en kan tot op zekere hoogte waar zijn. Maar ook als we elkaars motieven kennen, zal er onenigheid blijven bestaan. Wie heeft er immers nog nooit ruzie gehad juist omdat je andermans motieven kende en het er niet mee eens was? Waarschijnlijk spraken jullie zelfs dezelfde taal, maar was het simpelweg onacceptabel om de ander met zijn eigen, in jouw ogen verkeerde, mening weg te laten gaan. Meningsverschillen bestaan nou eenmaal en die kunnen blijven leiden tot geweld.

Tot slot: kunnen we dit alles ook koppelen aan de universiteit? Jaspers merkte op dat hier communicatie tussen de mensen en de verschillende disciplines belangrijk en onmisbaar is en wijdde er een heel hoofdstuk aan in zijn boek Die Idee der Universität. Als eerste valt natuurlijk op dat niet iedereen toegang heeft tot de universiteit zelf. Maar wordt er binnen de universiteit wel één universele (of universale) taal gesproken? Op het eerste gezicht lijkt van wel. Ik denk echter dat elke discipline binnen de universiteit zijn eigen jargon heeft. Hierdoor verschillen de verschillende ‘talen’ natuurlijk veel minder met elkaar dan Goethe en Spivak in gedachten hebben. We maken natuurlijk niet eens onderscheid tussen deze verschillende talen kan bemoeilijken. En dit brengt ons terug bij Foucault en een wetenschapsfilosofische insteek. Disciplines verschillen soms te veel van elkaar in taal en discours, dat het lastig is te communiceren. Vanuit een wiskundig discours lijken literatuurwetenschappen en mediastudies immers wellicht onbelangrijk. Dit reikt natuurlijk verder dan de ‘taal’, oftewel het jargon dat er gesproken wordt. Maar als we Goethe, Spivak en Jaspers moeten geloven, zouden we eigenlijk binnen de universiteit elkaars vaktalen moeten vertalen (translatie) en gebruiken (communicatie) om tot groter begrip van elkaar te kunnen komen.

Foucault, Michel. Young, Robert, red. Untying the text. A post-structuralist reader. Boston, Londen en Heney: Routledge & Keganpaul, p. 48-78.

Jaspers, Karl. The idea of the university. Boston: Beacon Press, 1959: p. 37-79.

Schulz, Hans-Joachim. Comparative literature. The early years. An anthology of essays. Chapel Hill: North Carolina University, 1973: p. 3-11.

Spivak, Gayatri Chakravorty. Death of a discipline. New York: Columbia University Press, 2003: p. 1-23.