“Ik vind het wel jammer dat we zo weinig boeken lezen” – de staat van de literatuurwetenschap.

Een boek beschrijft een ervaring, een gebeurtenis, een persoon, een leven dat als zodanig niet eens daadwerkelijk bestaat. Maar als het verhaal goed geschreven is en aansluit bij de ervaring van mensen en ze de kans biedt de wereld in een ander perspectief te zien, zal dat ene boek meer mensen bereiken dan de grootste filosofische gedachten. De literatuurwetenschapper kan roepen: Harry Potter is geen echte literatuur, het is een overgesimplificeerde bildungsroman waarin de symboliek weinig interpretatieruimte overlaat – dat is niet relevant voor de ruim 400 miljoen lezers die het boek in van de 67 vertalingen hebben aangeschaft. Een boek kan alle soorten mensen over de hele wereld bereiken.

Literatuurwetenschap streeft ernaar om grenzen te overschrijden, maar zal nooit universeel worden, simpelweg omdat het een discipline is; een vakgebied met normen en waarden, spelregels en straffen – een discipline waarin je tenminste drie jaar opgeleid moet worden voor je er iets te zeggen krijgt. In deze basisjaren moet je leren dat betekenis van een tekst wordt gemaakt door degene die hem leest, of door de teksten waarmee het in verband staat, of door elementen in de tekst zelf – maar nooit door degene die het heeft geschreven. Je moet leren dat grammatica bepaalt hoe en wat je denkt – niet andersom, en dat een analyse van de symbolische rol van koffie in Friends gelegitimeerd onderzoek is – het soort onderzoek waarover je toch altijd blijft denken: ‘Het is maar een televisieserie?’

Literatuurwetenschap is een discipline die bij uitstek voortkomt uit het humanistische gedachtegoed van de Verlichting, met als ultiem eindpunt de homo universalis: degene die overal iets van weet en zich kritisch kan verhouden tot deze kennis. Het ideaal gaat met zijn tijd mee. Was het vroeger, toen Kant stelde dat literatuurcritici in toegang tot het publieke discours zouden moeten krijgen, toen Goethe het verschijnsel ‘Weltliteratur’ beschreef dat ons wereldvrede zou brengen, alleen een kwestie van Europees gedachtegoed – nu beargumenteert Spivak dat we ook de taal, zelfs het dialect, waarin een werk is geschreven moeten kennen. Dit alles om andere culturen beter te leren begrijpen – maar kan dat überhaupt? Foucault heeft overtuigend beschreven hoe twee verschillende discursieve praktijken nooit werkelijk met elkaar kunnen praten: ze geven andere betekenis aan dezelfde woorden en denken op een andere manier. Dit is één van de grootste kwesties binnen de literatuurwetenschap: hoe kunnen wij de ander begrijpen?

De eerstejaars literatuurwetenschappers klagen elk jaar weer in koor: ‘Dit is toch literatuurwetenschap? Waarom lezen we zo weinig boeken?’ De (deconstructieve) literatuurwetenschapper glimlacht verveeld en zegt: ‘Het gaat er niet om wat je leest, maar hoe je leest. How to notice things in a text that a speed-reading culture is trained to disregard, overcome, edit out, or explain away; how to read what the language is doing, not guess what the author was thinking; how to take evidence from a page, not seek a reality to substitute for it.’ (Barbara Johnson)
Literatuurwetenschap is leeswetenschap: de vaardigheid om een tekst te bestuderen.

Goed, we hebben nu die vaardigheid. Wat doen we ermee? De kennis die we opdoen in een nauwkeurige analyse brengt ons niet verder dan die ene tekst en de paar teksten die ermee in verband staan. We leven in een letterenwereld. Sommige van de bewoners willen het alleen niet inzien. Spivak en Goethe staan niet alleen in hun lust naar politieke invloed; de literatuurwetenschap heeft van begin af aan een politiek doel gediend. Het zou de ideale mens moeten vormen, die klaar was om een belangrijke rol in de maatschappij te spelen. Het zou de ideale maatschappij moeten construeren door met een kritische blik naar haar culturele uitingen te kijken. Het zou de ideale wereld kunnen schapen – omdat de verbeelding weet hoe die eruit ziet.

Literatuurwetenschap wil een universele, autonome bron van kennis zijn – maar probeert zichzelf voor te doen als autonome wetenschap die niet een stel boeken, maar de gehele cultuur, de taal, de condition humaine bestudeert. Geen van die idealen zal het ooit waar kunnen maken, juist doordat het een wetenschap is, gebonden aan paradigma’s, interpretaties en instituten. Aan het einde van de dag is het wat het is: een discipline die overal betrekking toe heeft en nooit antwoorden geeft, maar eeuwig vragen blijft stellen

We don’t read and write poetry because it’s cute. We read and write poetry because we are members of the human race. And the human race is filled with passion. (Keating)

Literatuurwetenschappers zijn de mensen die passie zien, niet weten wat ze ermee aan moeten en er daarom maar op in gaan hakken: de arrogante professor staat symbool voor de Verlichting, de vrouw die dreigt een penis af te bijten voor degene die tegen de overheersende structuur vecht – maar de essentie, het wonder van het boek, kunnen we na eeuwenlange analyse nog steeds niet verklaren. Kunnen we ooit de ware betekenis van een tekst achterhalen? Bestaat er zoiets als waarheid?

Truth like a blanket that always leaves your feet cold. You push it, stretch it, it’ll never be enough. You kick at it, beat it, it’ll never cover any of us. From the moment we enter crying to the moment we leave dying, it’ll just cover your face as you wail and cry and scream. (Todd)

De wetenschapper maakt zich druk om de waarheid, maar de waarheid zal nooit genoeg zijn, altijd je gezicht verbergen en je voeten koud laten. De lezer weet dit, hij leest niet om te leren of om te begrijpen, maar om te ervaren, de eenzaamheid te bestrijden, het leven te ontvluchten, om te voelen, om te leven. Literatuur heeft de literatuurwetenschap niet nodig. Literatuurwetenschappers wel.