Een lesje Keating over Spivak en Kant

In Dead Poets Society (Peter Weir, 1989) probeert Mr. Keating zijn leerlingen op een zeer onconventionele wijze een begrip van vrijheid mee te geven. Dit in de context van een zeer traditionele school, waar de leerlingen streng gedisciplineerd worden en waar geen plek is voor ‘het andere’. Keating’s opvattingen komen meerdere malen overeen met de theorieen van Gayatri Chakravorty Spivak en Immanuel Kant. In dit essay wil ik dan ook een vergelijking maken tussen Kant en Spivak en de opvattingen van Keating over vrijheid en literatuur.

Spivak heeft in haar boek Death of a Discipline kritiek op de huidige Vergelijkende Literatuurwetenschappen. Zij ziet een vergelijking van twee teksten vervangen worden door vertaling, waardoor de geest van het originele werk verloren gaat. Of in elk geval nooit in pure vorm het vertaalde werk zal bereiken. Zo bestaan er bijvoorbeeld woorden of begrippen in de ene taal, die niet in een andere taal kunnen worden uitgedrukt. Hoe kunnen we dan wel meer over een andere taal en cultuur te weten komen? Hoe kunnen we dan wel tot wederzijds begrip en dus uiteindelijk tot wereldvrede komen? Spivak zegt dat dit mogelijk is door een lossere, vrijere of andere vertaling te geven en deze vertaling vervolgens toe te lichten.

In Dead Poets Society maakt Mr. Keating een zelfde punt. Hij zegt namelijk tegen zijn leerlingen: “I stand upon my desk to remind myself that we must constantly look at things in a different way. (…) Just when you think you know something, you have to look at it in another way.” Deze andere manier van bekijken kan vergeleken worden met de vrije vertaling die Spivak voorstelt. Door twee varianten, namelijk de originele tekst en de vrije vertaling, ofwel twee verschillende manieren om vorm te geven aan een verbeelding, met elkaar te vergelijken kunnen we dichter bij de essentie van die verbeelding komen. Die wereldvrede kunnen we bij Keating vervolgens terugvinden in de overtuiging dat woorden en denkbeelden de wereld volgens hem wel degelijk kunnen veranderen.

Deze verschuiving van de rede naar de romantiek, die ook bij Spivak een rol speelt, wordt door Keating in nog een aantal formuleringen geherproduceerd. Hij heeft het namelijk over het niet meer meten van poezie, maar het proeven van woorden en taal. Poezie is niet iets dat je langs een meetlat kan leggen om te bepalen wat de kwaliteit ervan is. De betekenis ontstaat door de verbeelding. Dit zegt Spivak in feite ook. Zij ergert zich aan het slechts vertalen van een tekst. Zo wordt namelijk de geest, of de verbeelding ervan, ontkend.

Wanneer we alle kanten hebben bekeken en dus tot de ware essentie van de tekst zijn gekomen hebben we de status bereikt van de Homo Universalis. In theorie is dit een mooi ideaal, maar is het praktisch ook mogelijk om dit ideaal te verwezenlijken? Nee, natuurlijk niet. We kunnen niet al de verschillende disciplines ons eigen maken. We kunnen ook niet alle talen met bijhorende dialecten leren die op de wereld bestaan. Er blijft altijd een manier over om de dingen anders te bekijken en er blijven altijd dingen die niet worden gezegd. Foucault zegt immers dat met alles wat we zeggen, we al het andere automatisch uitsluiten. Dit wil echter niet zeggen dat we dit ideaal niet hoeven na te streven. Immers, ook al zijn we nooit helemaal vrij van beperkingen, elke losse vertaling en elk nieuw perspectief zorgt ervoor dat we dichter bij de ware betekenis zitten dan daarvoor.

Het antwoord dat Keating geeft op de vraag hoe dit ideaal nagestreefd dient te worden door de institutie legt hij uit aan de hand van het belang dat hij toekent aan literatuur en poezie. Zo legt hij bijna letterlijk Kants hiërarchie van faculteiten uit. Daarin stelt hij de praktische wetenschappen, zoals geneeskunde, rechten, handel en techniek, in dienst van de filosofie. Dat is namelijk waar we voor leven, zegt Keating. Voor poëzie, schoonheid, romantiek en liefde. Die dingen die ons dichter bij het antwoord op onze zingevingsvraag brengen. “Waarom besta ik?” Op deze manier wordt het originele Franse universiteitsmodel net als bij Kant omgedraaid. Niet meer de rede en de staat staan bovenaan, maar de filosofie die de vurige zinsgevingsvraag van de mens tracht te beantwoorden. Hierbij stelt Keating net als Spivak de mens centraal en breekt hij net als Kant met het Verlichtingsideaal. Namelijk, de rede wordt vervangen door de filosofie. De Verlichting maakt plaats voor de Romantiek.

Dead Poets Society volgt met Keating dus dezelfde lijn als Spivak en Kant. Vooral als het gaat om het vervangen van de rede door de verbeelding. Waar Keating het echter heeft over het individu en de eigen mening, gaat Spivak een stap verder door een wederzijds begrip als doel te stellen. Dit begrip brengt volgens haar eenheid en dus universaliteit, terwijl Keating’s opvatting over wereldvrede ontstaat door de creatieve mening van het individu.

Dead Poets Society. Reg. Peter Weir. Touchstone, 1989.

Spivak, G. C. Death of a Discipline. New York: Columbia UP, 2003. P. 1-23.

Young, Robert, red. The Order of Discourse. London: Routledge, 1981. P. 48-78.