Het Eurocenrische van ‘Wereldliteratuur’

De vergelijkende Literatuurwetenschap is een kwetsbare en gecompliceerde subdiscipline. Kwetsbaar omdat het altijd moet vechten voor haar bestaansrecht.Gecompliceerd omdat het raakt aan politiek gevoelige, maatschappelijke vraagstukken. Bijvoorbeeld de rol van literatuur en cultuur bij ontwikkeling en internationale samenwerking enerzijds, en de spanning tussen nationale identiteit,soevereiniteit en ‘wereldburgerschap’ anderzijds.Afgelopen maandag in college, kwam het gesprek,naar aanleiding van de uitreiking van de Nobelprijs voor de Literatuur aan de Peruaanse auteur Mario Vargas Llosa,op de suggestie van gelijkwaardigheid tussen twee, feitelijk vaak, ongelijkwaardige Literaturen. Deze discussie komt natuurlijk niet uit de lucht vallen binnen de Vergelijkende Literatuurwetenschap,sinds Goethe en de late Romantici. Wie ongelijkheid wil aankaarten doet er goed aan het eerst te benoemen in plaats van te verbloemen.In het hierop volgende wil ik dus de aanname problematiseren dat niet-westerse (tweede en derde wereld) kunst en literatuur begrepen kan worden door het klakkeloos,en op normatieve wijze, toepassen van in de Westerse (de eerste wereld) Literatuurwetenschap ontwikkelde concepten,modellen en theorieen. Deze gedachte vinden we namelijk expliciet terug bij Goethe:

“We should not think that the truth is in Chinese or Serbian literature, in Calderon or the Nibelungen. In our pursuit of models,we ought always to return to the Greeks of antiquity in whose works beautiful man is represented.The rest we contemplate historically and assimilate from it the best as far as we can”(Goethe,6)

Het zal niemand verbazen dat wie teksten of inscripties wil bestuderen of vertalen, die ouder zijn dan de klassieke oudheid,zoals bijvoorbeeld uit het Oude Egypte of pre-Islamitische Perzische gebied,er verstandig aan doet om deze niet langs de meetlat van poeticale opvattingen uit de Griekse, klassieke oudheid te leggen. Toch komen dergelijke benaderingen weleens voor in publicaties over Wereldliteratuur,vanuit de hoop dat deze teksten opgemerkt zullen worden door de,mysterieuze, krachten die de stand van de canon van de wereldliteratuur bepalen.De inzet is daarmee een auteur, land, taal of cultuurgebied of Literair genre hiermee op de wereldkaart te zetten. Maar ook in Zuid-Oost Azie,het Midden- Oosten,Afrika en elders wordt er ,soms al eeuwenlang, nagedacht over wat mooie, goede en verantwoorde kunst en literatuur is. Jazeker,men vindt ook elders modellen en methoden voor de analyse van poezie en rethorica,meningen over de wenselijkheid of verwerpelijkheid van een school of genre.Sterker nog,met de beleving van kunst, muziek en orale literatuur is, buiten de Westerse wereld, ook het denken daarover nog springlevend.Het is dus zeker mogelijk om niet-westerse kunst en cultuur (geschiedenissen) op hun eigen meritis te bestuderen. Na deze overwegingen is het verantwoordelijk om overeenkomstige patronen, in een evenwichtige vergelijking met Westerse Literatuur, te identificeren en analyseren.Uiteraard is dit tijdrovend en intensief.Men moet zich verdiepen in de taal, geschiedenis, topografie ende filosofie achter het te bestuderen object. Het geeft vaak betere resultaten wanneer de onderzoeker,zo mogelijk, de fysieke context van het studieobject verkent, maar dit is niet altijd mogelijk.En zoals het de Literatuurwetenschappelijke praktijk betaamt is succes niet gegarandeerd. De ‘bruggenbouwer’ loopt heel vaak tegen gesloten deuren aan. Maar de sprong naar Gayatri Spivak is nu wel gemaakt.Diens focus op talen heeft,volgens mij,het nadeel dat de andere bovengenoemde verkenningen op de achtergrond raken.Het lijkt dan ook reeler dat een onderzoeker zich tot een of enkele taal en cultuurgebieden of regio’s beperkt.

Tot afsluiting van het bovengestelde verwijs ik,kort naar de kritische onderzoekspraktijk van Mineke Schipper, een authoriteit op het gebied van Vergelijkende Literatuurwetenschap en Afrikaanse Studies in Nederland. Schipper benadrukt in Beyond the Boundries het belang van aandacht, voor de communicatiesituatie, waarin een Afrikaanse tekst of tekst over Africa bijvoorbeeld,al dan niet als literair, wordt ontvangen. Literair critici met verschillende culturele achtergronden verschillen vaak radicaal van mening over het literaire gehalte van een tekst.Denk aan het voorbeeld van Joseph Conrad’s Heart of Darkness dat Schipper in haar inleiding ook aanhaalt als beroemd voorbeeld van een polemisch debat tussen Britse Critici en de Nigeriaanse literatuurwetenschapper Chinua Achebe. Achebe vond Conrad’s canonische werk de titel meesterwerk onwaardig vanwege het rascistische beeld van Congo en Afrikanen dat daarin geschetst word, in zijn ogen. De methodologische omgang met dit spanningsveld, die Mineke Schipper voorschrijft vanuit haar onderzoekservaringen, is dat Vergelijkende Literatuurwetenschappers de door hen toegepaste theorieen en methoden (zoals narratologie) zoveel mogelijk zouden moeten toetsen aan de expertise en mening van (lokale) specialisten op het gebied van de betreffende taal en cultuur:

“Those who study African literature are becoming increasingly aware of the profit that can be gained from the harvest reaped by the scholars of literary theorie and by specialists of other-Asian ,Carribean,latin American,Arab or Western – literatures. In my opinion one should test the tools at hand and feel free to discard the ones thatprove useless or have become obsolete.In turn, our own tools, findings and experience may be enriching for scholars ofother literatures” (Schipper Beyond the Boundaries,10).

Op deze manier zou samenwerking tussen ‘Area Studies’ en vergelijkende Literatuurwetenschap volgens mij mogelijk zijn op een manier die ook recht doet aan de verschillen tussen deze disciplines.

Bronnen:

Goethe,J.W von.;“Worldliterature” Shultz, H.J. ed. Comparative Literature, the Early years: an anthology of essays.;Chape Hill. University of North Carolina Press,1973;(3-11).

Schipper,M. Beyond Boundaries, African Literature and Literary Theory;.London,1989. Allison & Bubsby;(10).