Ni Hao ms. Spivak!

Essay 2

Ni Hao ms. Spivak!

Er ligt iets op mijn maag sinds het college Literatuur en Wetenschap van afgelopen maandag. Ik noem het vooralsnog ‘Spivak volgt Chinese les’ en het geeft me een soortgelijk gevoel als wanneer ik Nicole ‘Ein bisschen Frieden’ in verschillende talen hoor zingen. Ik probeer erachter te komen wat het is dat zich niet met mij verzoent. Is het de notie van de vertaler die als bruggenbouwer zou functioneren door een andere taal perfect te beheersen? De idee dat een literatuurwetenschapper de wereldvrede (alhoewel nooit helemaal bereikbaar) dichterbij brengt? Is het misschien te vatten in het woord ‘arrogantie’ of misschien ‘naïviteit’? Hoe dan ook; ik heb er een nare smaak van in mijn mond gekregen.

Die smaak heb ik geprobeerd weg te spoelen door te gaan lezen over het verband tussen literatuur en ethiek. Ik kwam bij Richard Rorty’s ‘Contingentie, Ironie en Solidariteit uit’. In de inleiding van het boek vat filosoof Ger Groot de rode draad ervan samen. Rorty onderscheidt twee sferen waarin wij leven. De eerste bestaat uit de persoonlijke levenssfeer, waarin een mens zich door zijn privé-interesses kan richten op de vorming van zichzelf. De tweede wordt gevormd door de publieke sfeer, waarin diezelfde mens zich kan richten op zijn verantwoordelijkheid voor het samenleven met anderen. Beide sferen beantwoorden aan andere waarden en wetten, die door Rorty ‘vocabulaire’ worden genoemd. Deze vocabulaire is noodzakelijkerwijs contingent: historisch gevormd, veranderd door de tijd heen en zij zal ook weer veranderen. We zitten altijd in een vocabulaire. Er is geen vaststaande werkelijkheid; deze wordt bepaalt door het vocabulaire waarin we ons bevinden. Beide sferen zijn niet anders dan een verschillende wijze waarmee een werkelijkheid beschreven wordt (die met die beschrijving pas haar logica en samenhang krijgt). Er is geen noodzaak de twee sferen tot een gemeenschappelijke grond te herleiden (19). Er zijn boeken die ons helpen autonoom te worden (privésfeer) en er zijn boeken die ons helpen minder wreed te worden (solidariteit in de publieke sfeer). Deze laatste kunnen rapporten over misstanden zijn, maar ook romans (217).

Verandering in het morele bewustzijn komt volgens Rorty op een andere manier dan argumentatie tot stand, namelijk doordat een zelfde situatie op een andere manier beschreven wordt (21). Rorty voert zelf als voorbeeld De negerhut van oom Tom aan. De lezers van het boek breidden door middel van het mechanisme van gelijkenis en herkenning de kring van wie tot ‘de onzen’ behoort uit en daarmee hun gevoel van solidariteit.

Als er iets is wat het college Literatuur en Wetenschap bij mij heeft veroorzaakt, is het een nadrukkelijker reflecteren over de vraag waarom ik aan deze studie begonnen ben, wat het betekent om deel uit te maken van een universitair systeem en wat ik eigenlijk aan het doen ben. Met de ultra-korte uiteenzetting van Rorty in de hand, kan ik zeggen dat ik niet aan Literatuurwetenschap ben begonnen om meer begrip te krijgen voor anderen of in de hoop de wereld te verbeteren. Voor mijn studie heb ik me jarenlang als jurist ingezet om juridische geschillen te beslechten. Ik voelde me daar meer bruggenbouwer dan dat ik me nu kan voorstellen ooit door deze studie te worden. Al met al had ik met de start van deze studie kennelijk niet zozeer de publieke sfeer op het oog, maar de verdere vorming van mijzelf in de privésfeer. Ik kom niet naar de UvA voor de wereldvrede, ik herken mij vooralsnog niet in het geschetste beeld.
Daarnaast heb ik moeite met de idee, dat wanneer we allemaal de ander als één van onszelf beschouwen c.q. meer begrip hebben voor de ander, de wereldvrede een stuk dichterbij is. Aristoteles boog zich al over de vraag hoe het toch kon dat wanneer je weet wat het goede is, het toch zo kan zijn dat je er niet naar handelt. Arnon Grunberg zegt in zijn meest recente interview met de Volkskrant: ‘Er zit gewoon een gewelddadige kant in mensen. Dat kan me wel boos maken: irreële verwachtingen van een betere wereld. Die kun je alleen hebben als je nooit serieus naar jezelf hebt gekeken.’
Een laatste – maar niet minder – punt is het volgende: daar waar Spivak doelt op de verantwoordelijkheid van vertalers om tot een zo goed mogelijke vertaling te komen zodat er meer begrip en openheid ontstaat, bestaat een discrepantie met de ondoordringbaarheid van haar eigen teksten. Tijdens het college werd gesteld dat ze daar prat op gaat, dat er in vertalingen nu ook eenmaal onvertaalbaarheden bestaan, en dat het de bedoeling is om over haar zinnen te struikelen. In de frictie kom je naar begrip toe. Prachtig allemaal, maar opzettelijk ‘Chinees spreken’ , dat kunstje van Spivak heb ik nu wel gezien. Is haar vocabulaire nu ‘friendship to come’?

Tot hier mijn poging onder woorden te brengen wat er op mijn maag ligt. Iedere andere vertaling van Spivak is welkom.

Bronnen:

- Rorty, Richard. Contingentie, Ironie en Solidariteit. Kampen: Uitgeverij Ten Have, 2007.

- Spivak, Gayatri Chakravorty. ‘Crossing Borders’. Death of a Discipline, America:
Columbia University Press, 2003.

- Volkskrant magazine, jaargang 11, nummer 524. Interview Arnon Grunberg. Amsterdam: de Volkskrant, 2010.