De grens van de literatuur

Waarom kon ik toch geen genoegen nemen met een beroep als timmerman of loodgieter? Wanneer een timmerman ergens voor wordt ingehuurd weet hij precies welke dienst hij moet uitvoeren en voor wie hij deze dienst uitvoert. Binnen de literatuurwetenschappen zijn wij er nog niet eens uit of we überhaupt iemand van dienst zijn met onze dubieuze vaardigheden. Het is vooral de kwestie van invloed waar mijn aandacht naar uitgaat. In de volgende tekst zal ik aan de hand van Death of a Discipline van Gayatri Chakravorty Spivak een aantal vragen stellen met betrekking tot het bereik van de invloed van literatuurwetenschappen (als die er in de eerste plaats al is).

In haar tekst beargumenteert Spivak haar voorstel om de disciplines ‘Area Studies’ en ‘Comparative Literature’ samen te voegen met als doel het proces van vertalen te perfectioneren en zo wederzijds begrip tussen verscheidene culturen te bevorderen. Er zijn twee angsten die als logisch gevolg hiervan binnen ‘Comparative Literature’ opduiken. Ten eerste is er de ‘disciplinary fear’ (20) en ten tweede de ‘fear of the loss of quality control’(21). In een poging zich te verdedigen doet Spivak een beroep op een literaire analyse van een segment uit de roman Waiting for the Barbarians van de Zuid-Afrikaanse auteur J.M. Coetzee.

Mijn interesse hier ligt niet zozeer in de analyse zelf als het feit dat Spivak juist een literaire analyse gebruikt om haar argument over te brengen. De analyse van Spivak voldoet eigenlijk volkomen aan de normen van onderzoek binnen de literatuurwetenschap en lijkt zelfs een beetje basaal in haar gebruik van het personage ‘the Magistrate’ (22) als symbool staande voor ‘the characteristics of empire’ (22) en het barbaarse meisje als de ‘barbarian other’ (23). Is hier niet sprake van een enigszins incestueuze of op zijn minst eigenaardige logica? Spivak lijkt juist gebruik te maken van de discipline die ze aan het bekritiseren is. En nog belangrijker: ze gebruikt een enkele interpretatie van een enkele roman als argument voor het aanbrengen van een behoorlijk significante verandering in een universitaire discipline. Het verschil in schaal hier is iets dat aan me blijft knagen. Ik ben me wel bewust dat deze analyse niet Spivak’s hoofdargument uitmaakt maar ze gebruikt het toch als enige tegenargument voor twee heel logische klachten over haar voorstel.

Maar het is toch het idee van “schaal” wat hier centraal staat. Spivak’s voorstel maakt het vrijwel “ongepast” om literatuur op het niveau van een individuele ervaring te analyseren. De literatuurwetenschapper moet volgens haar immers altijd het gewicht van een culturele verantwoordelijkheid met zich meedragen. Ik vraag mij af hoe dit de vertaling van Nederlandse boeken zou beïnvloeden. Zou een cultureel verantwoorde Amerikaanse vertaling van Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans enige invloed hebben op hoe de Nederlandse cultuur door Amerikanen gezien wordt? Misschien is dit een ongepast voorbeeld omdat het over twee (relatief) welvarende landen gaat en Spivak wil immers vooral de kloof tussen arme en rijke landen verkleinen.

Laat mij een hypothetisch scenario schetsen: de gehele mensheid wordt over een half uur vernietigd. Er is ruimte voor vier mensen in de bunker. Vijf mensen staan kandidaat: een timmerman, een dokter, een kok, een schrijver en een literatuurwetenschapper. Wie blijft achter? De literatuurwetenschapper. Waarom? Omdat hij uit zichzelf niets kan creëren. Zijn rol in de maatschappij (die na onze hypothetische Apocalyps niet meer bestaat) is puur reactionair. Dit staat in ieder geval vast. Wat voor invloed wij als literatuurwetenschappers ook hebben vloeit voort uit het werk van anderen, net zoals Spivak Coetzee nodig heeft om haar punt te maken. Maakt dit ons niet volkomen parasitair? Vallen wij zelf ook ten prooi aan een incestueuze vorm van logica?

Om heel eerlijk te zijn maakt het idee dat de literatuurwetenschapper een politieke last op zijn schouders moet nemen me een beetje bang en dit komt zeker niet door mijn eigen neiging om verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Het ligt niet alleen aan de onzekerheden binnen de discipline zelf maar ook de chaotische aard van de literatuur als onderzoeksobject. Literatuur komt voort uit specifieke individuen, dus hoe verstandig is het om een roman tot meetellend onderdeel in de identiteitsvorming van een hele cultuur te maken?