“De schrijvers over wie ik spreek zijn echte Afrikanen omdat ze geboren werden in Afrika en in Afrika leven en omdat hun bewustzijn typisch Afrikaans is…Wat hen onderscheidt heeft te maken met levenservaring, met gevoeligheden, met ritme, met stijl.”En dan vervolgt hij: “Een Franse of Engelse schrijver heeft een schrijftraditie van duizenden jaren achter zich…Wij daarentegen staan vaak in een orale traditie.” Cheikh Hamidou’s reactie heeft niets mystieks, niets metafysisch, niets racistisch. Hij legt alleen de juiste nadruk op ongrijpbare aspecten van de cultuur die, omdat ze niet zo gemakkelijk in woorden te vatten zijn, vaak maar een beetje in het vage gelaten worden. Hoe mensen thuis zijn in hun lichaam. Hoe ze hun handen bewegen. Hoe ze lopen. Hoe ze glimlachen of fronsen. De melodie in hun taal. Hoe ze zingen. Het timbre van hun stem. Het aanraken, hoe hun vingers aanvoelen. Hoe ze vrijen. Hoe ze blijven liggen na het vrijen . Hoe ze denken. Hoe ze slapen. Wij Afrikaanse romanschrijvers kunnen deze aspecten belichamen in onze manier van schrijven […] De Afrikaanse roman, de echte Afrikaanse roman, is een orale roman. Op papier is hij krachteloos, leeft hij maar half: hij wordt pas wakker wanneer de stem van diep uit het lichaam de woorden leven in blaast, ze hardop uitspreekt. De Afrikaanse roman, wil ik beweren, is dus als zodanig en nog voordat er een woord van op papier staat een kritiek op de westerse roman […]”

Elizabeth Costello / J.M. Coetzee, p. 57-58