De verlamming van het subject en de blootstelling aan de wereld

Mijn spreekwoordelijke ome Koos vraagt als sinds hij weet wat ik studeer op elk familiefeestje ‘Literatuurwetenschap… wat doe je dan?’, waarbij hij zijn wenkbrauwen optrekt en telkens weer zijn verbazing niet kan verbergen. Deze vraag, die niet alleen míjn ome Koos stelt, hebben we vast allemaal wel eens gehoord maar kunnen we die nu, zo tegen het einde van de bachelor, bevredigend beantwoorden? Wanneer ik voor mijzelf spreek: nee. Het antwoord is nog altijd een zweverig: ‘Boeken lezen, filosofie, dat soort dingen’ waarna ome Koos zijn wenkbrauwen nogmaals optrekt en je hem ziet denken ‘wat zit daar nu voor een toekomst in?’. Drie jaar literatuurwetenschap heeft er niet voor gezorgd dat ik anderen kan overtuigen van de toekomst van onze studie, want die toekomst, tja, wat is die nu precies? Ja, je hebt geleerd kritisch te denken, te deconstrueren, sluiers op te tillen, taboe’s niet te schuwen en vooral heel veel boeken gelezen die je ‘normaal’, wanneer je iets anders was gaan doen na 6 VWO, je buitenlandreis, je eerdere al dan niet mislukte studie, <vul in>, waarschijnlijk niet had aangeraakt. Je legt verbanden die anderen misschien niet hadden gedacht, maar is dat nu zo bijzonder? En wie heeft daar nu wat aan?

De hang naar bijzonder zijn en de hang naar nuttig zijn lijkt diep in de mens geworteld te zitten. Een studie als geneeskunde staat in de wereld van vandaag hoog aageschreven, want als je dokter bent, dán ben je bijzonder, want je kan levens redden, dán ben je nuttig, want je zorgt dat de mensen niet dood gaan, dán ben je knap, want je kunt dingen die anderen niet kunnen. Een studie als literatuurwetenschap wordt nog altijd minachtend of zelfs honend benaderd: wat kun je dan precies anders dan andere mensen? Wat kun je dan precies bijdragen aan de samenleving? Wat is precies het doel van de studie? Waarom zou je je bezig willen houden met literatuur? Waarom zou je je bezig willen houden met theorie? Wat heb je eraan?

Het standaard antwoord op dit soort vragen was misschien: ‘Niets. Er is geen nut, er is geen bijdrage, er is geen doel en waarom houd ik me er dan toch mee bezig? Omdat ik het leuk vind.’ Maar dit antwoord is tegen het eind van je bachelor niet meer toereikend. Dit antwoord legitimeert niet langer wat je dag in dag uit doet. Dit antwoord helpt je niet langer verder in je studie, in je leven, in de wereld. Studeren, is het niet een soort uitstel van executie, een uitstel van het bekleden van een rol in de samenleving, een uitstel van verantwoordelijkheid nemen en nuttig worden?

Terwijl ik dit typ, vraag ik me af of nuttig worden wel het doel is dat we aan ons leven moeten stellen. Ik vraag me af, welke rol ik moet vervullen in de samenleving en ik vraag me af, waarom literatuurwetenschap altijd zo hard veroordeeld moet worden.

Waarom is het ‘theorie na de praktijk’? Waarom is het ‘accepteer de marginale positie die je hebt’? Waarom is het ‘wat je doet is niet belangrijk, dus waarom doe je het überhaupt’? Ik ben er nog altijd van overtuigd dat literatuurwetenschap een van de beste studies aan de UvA is die je kunt doen; je vergaart veel kennis, je leert op andere manieren denken, je bent kritisch tegenover anderen maar vooral ook tegenover jezelf wat als gevolg heeft dat er altijd wel ergens de vraag opkomt ‘ja, maar hoe weet je dat nou?’ of ‘ja, maar wat wil je daarmee zeggen, wat bedoel je daarmee, wat heeft het voor zin de zaken zo voor te stellen?’. Ik merk dat dit bij andere studenten in andere studies tot irritaties leidt, omdat het veel fijner is bepaalde zaken aan te nemen, een vast wereldbeeld te vormen en binnen dat kader te werken. De ontregelende vragen die voortdurend uit jouw en mijn mond komen, werken alles behalve productief en halen het bloed onder de nagels van onze medestudenten, maar ook andere docenten vandaan. Bevrediging geeft het aan geen enkel persoon, want heb je enig idee wat je nu precies met die vragen wilt zeggen?

Een gedachte doemt op: literatuurwetenschappers zijn ook mensen, en misschien willen zij stiekem eigenlijk ook wel een vast wereldbeeld, een vast kader om binnen te werken. Bewegingen zoals je die bijvoorbeeld in het feminisme zou kunnen constateren, lijken een gedachtegang te hebben gekozen om vervolgens voor altijd vanuit daar te denken: star en stijf, weinig zelfreflectie. Is dit misschien uiteindelijk nodig om uit de verlamming (want helpt het je nu verder?) van het vragen, het betwijfelen en het kritiseren te komen? Is dit uiteindelijk nodig om de illusie te hebben productief en nuttig te zijn?

Zolang we niet accepteren dat God dood is misschien wel. Zit er niets anders op dan de dood van God toch maar te accepteren en bevrediging te vinden in de praktijk van het kritiseren, bevragen en twijfelen?

God is dood, het nut is dood, het doel is dood. Lang leve het leven?