Ongelijkheid als ideaal

‘All men are intellectuals, […] but not all men have in society the function of intellectuals.’ Een prachtig citaat, dat op het eerste gezicht simpel lijkt, maar een hele diepe betekenis in zich draagt dat de essentie van maatschappij en mensheid bloot legt en tegelijkertijd het idee van de gelijke mens als een illusie verwerpt. Gramsci maakt in The Intellectuals duidelijk dat de maatschappij fundamenteel hiërarchisch is.
Deze hiërarchie komt in de maatschappij simplistisch naar voren in de oppositie bovenbouw, de elite, en de onderbouw, de massa. De bovenbouw bezit in de gemeenschap de functie als intellectueel; de onderbouw niet, zij voeren uit voor de intellectuelen. De onderbouw is letterlijk een grijze massa, een massa die als collectief zijn steen bijdraagt aan de maatschappij, maar waarin de individuen nietszeggend zijn. Het zijn stereotiepen zonder identiteit. Henk en Ingrid.

Gramsci stelt dat er individuen zijn die opspringen uit deze massa, die zich er tegen afzetten en zich daarbij een identiteit toekennen: de ‘organic intellectuals’. Deze intellectuelen ‘bestaan’ pas op het moment dat ze zich uiten en breken met de onderbouw; het intellectuele zit hem in de emancipatie: het individu breekt met de massa en plaatst zich in een traditie, waardoor het individu zijn identiteit verwerft. Er is sprake van een beweging waarbij de persoon zich van buiten naar binnen beweegt: van buiten de traditie en geschiedenis naar het er middenin staan. Deze beweging is niet alleen een noodzakelijkheid voor het individu om zijn identiteit te bereiken, maar ook een noodzakelijkheid voor de maatschappij vooruit te kunnen. ‘Organic intellectuals’ maken verandering en transformatie mogelijk. Ze maken iets onzichtbaars zichtbaar; zetten iets onbekends op de kaart, omdat ze alleen hierdoor de functie van intellectueel kunnen verkrijgen; als ze iets beweren dat allang bekend is, zullen ze tot de massa blijven behoren.
De maatschappij kent dus een hiërarchische structuur, waarin de vrije mens niet bestaat. Elk individu is onderdeel van de structuur, een element, dat, samen met alle andere elementen, de maatschappij vormt. De massa is dus niet vrij, maar de intellectuelen eigenlijk ook niet. Ze hebben niet voor niets de functie van intellectueel, het is hun bijdrage aan de maatschappij. Ze zijn een element dat niet los valt te zien van het geheel.
Dit zou je als een heel sombere kijk op de maatschappij kunnen zien, waarin elk individu eigenlijk niet veel meer dan een machineonderdeel is, maar, buiten het feit dat deze visie volgens mij waar is, is hij ook noodzakelijk geweest om op het punt te komen waar we als mens nu staan. De hiërarchische structuur, met een massa en een elite, maken dit leven mogelijk. Als de hiërarchie zou worden opgedoekt en elk individu de mogelijkheid bezat het intellectuele, dat in hem zit, te gebruiken, dan zou de wereld, en daarbij het leven, één grote chaos zijn. Om producten te maken, daden bij het woord te voegen, heb je een massa nodig die niet hun intellectueel-zijn gebruiken, maar deze uitschakelen en simpelweg uitvoeren wat de intellectuelen hebben bedacht. Het is de noodzakelijkheid om het leven te kunnen leiden, zoals de mens deze nu (in het Westen) leidt. De intellectueel is gebaat bij een massa, maar evenzogoed is de massa gebaat bij een intellectueel.

Het simpele zinnetje van Gramsci zet dus vraagtekens bij het Verlichtingsideaal van gelijkheid en de vrije, onafhankelijke mens. Is gelijkheid en/of vrijheid voor de massa wel voordelig? Zorgt gelijkheid er niet juist voor dat het fundament van de maatschappij instort en het leven daardoor wordt bemoeilijkt? Ik denk dat ieder mens in onze Westerse maatschappij erbij gebaat is dat er ongelijkheid heerst in rang en functie, ik denk dat het een goed leven mogelijk maakt.

Literatuur:
Gramsci, A. The Intellectuals.