Allochtone studenten in de Geesteswetenschappen – praktijk versus ideaal.

‘Allochtone studenten kiezen traditioneel voor nuttige studies. Het nut van de geesteswetenschappen is vaak minder vanzelfsprekend dan dat van pakweg economie.’ luidt het verklarende antwoord van Job Cohen op de kwestie waarom er toch zo weinig ‘allochtone’ studenten inschrijven voor een studie in de Geesteswetenschappen.

Maar de boodschap, die valt op te maken uit het rapport ‘Duurzame Geesteswetenschappen’ (2008) luidt dat de geesteswetenschappen als ‘bonding en bridging’ worden gezien. Ook over de verschillende culturen heen. Dit ideaal van het ‘bonding en bridging’ klinkt ook al door in het idee van Goethe van ‘Weltliteratur’ (1973) maar ook Gayatri Spivak (2003) schrijft hierover wanneer ze spreekt over de wijze waarop de opleiding literatuurwetenschap ingericht zou moeten worden. Hoe speelt dit zich af in de praktijk? Het blijkt dat [allochtone] studenten in werkelijkheid slechts ‘mondjesmaat’ de weg naar de humanistische wetenschappen weten te vinden.

Als reactie op de verklaring van Cohen, vroeg ik mij af; wat zijn ‘allochtone studenten’; wat is ‘traditioneel’, wat zijn ‘nuttige studies’; en wat heeft dit te maken met de studiekeuze van studenten?

Jij allochtoon!
Volgens het Centraal bureau van statistiek (CBS) ben je een ‘allochtoon’ als één van je ouders in het buitenland is geboren. En dan wordt er ook nog vaak het onderscheid gemaakt tussen de ‘westerse allochtoon’ (Duitsers, Spanjaarden, Amerikanen) en de ‘niet westerse allochtoon’ (Surinamers, Chinezen, Marokkanen en Turken). Tegen deze praktijk van ‘labelling’ valt in te brengen dat dit een essentialistische houding met zich meebrengt. Wie is (slechts) een Allochtoon? Zorgt dit niet voor een wij/ zij gevoel? Het idee van het subject van Cornel West biedt hier een mooi perspectief: je bent namelijk niet slechts ‘allochtoon’, of ‘autochtoon’, of slechts Nederlander, Surinamer Marokkaan of Turkse. Het subject wordt juist gevormd door de verschillende discoursen die samenkomen. Toch circuleert dit idee van ‘de allochtoon’ in het maatschappelijk debat, vooral wanneer we spreken over het integratie vraagstuk .

Bah, traditie.
Grofweg gezegd kwamen de eerste gastarbeiders in Nederland aan in de jaren zestig en de ex- gekoloniseerden zijn pas sinds begin jaren vijftig gaan migreren naar Nederland. Veel van deze generatie ‘allochtonen’ (of toen nog -de juridische status van- ‘vreemdelingen’) kwamen niet om te studeren, maar om te werken. De generatie van ‘allochtone’ studenten waar we op dit moment over spreken is de tweede generatie. De kinderen van deze gastarbeiders of ex- gekoloniseerden. De tweede generatie, en wellicht nu ook een groep van derde generatie (ben je dan nog allochtoon?) is de groep die mondjesmaat kiest voor een opleiding binnen de geesteswetenschappen. Het is lastig om hier te spreken van een ‘traditionele’ keuze, als je hieruit moet opmaken dat ‘allochtonen’ zich slechts iets langer dan een halve eeuw in Nederland bevinden.

Economie is zo veel nuttiger.
Met nut, ‘utile’ zou je kunnen denken aan het utilitarisme van Jeremy Bentham, waaruit het nut bestaat uit hetgeen dat genot opbrengt en hetgeen dat de pijn verminderd. Voor de psycholoog Maslow wordt het nut van bepaalde activiteiten verklaard aan een principe van een hiërarchie van behoeftes. De figuur die hij hierin gebruikt is de piramide: Om hoger te komen in de piramide moeten eerst de meest basale behoeftes worden bevredigd voordat het individu zal verlangen/ gemotiveerd/ gefocust zijn op de secundaire of hogere niveaus van behoeftes.

Voor de reden waarom nieuwkomers kiezen voor een bepaalde studie zou zowel de piramide als het utiliteits denken een raamwerk van verklaring -kunnen- zijn. De niet- westerse groep ‘allochtonen’ zijn geen kennis migranten, vaak, maar niet altijd, maken zij juist deel uit van een lagere sociale klasse. Waar de ‘lagere klassen’ eerder gefocust zijn op het ‘overleven’, dan de hogere klassen. Je zult niet concertkaartjes kopen als je de huur van deze maand niet kan betalen, is het idee. Je zult als mens wellicht eerst gefocust zijn op lichamelijke behoeften, zoals voeding en drinken, daarna pas gefocust zijn op de behoefte van zelfactualisatie. Maar maakt studeren niet ook al deel uit van zelfactualisatie?

Om nu terug te komen op ‘allochtone studenten’: kiezen zij niet voor een studie waarvan de praktische waarde duidelijker is? Waar zij zichzelf eerst trachten te bevredigen in de basale, wellicht, economische behoeften? Om nu terug te komen op het utiliteitsdenken: zou het kiezen van een studie in de geesteswetenschappen voor ‘allochtone’ studenten minder geluk brengen? Zijn er andere waarden die onder deze (ahum- o zo niet gemêleerde) groep mensen circuleren waardoor het belang van een professie in de geesteswetenschappen als secundair worden gezien? Worden de studies als rechten en bedrijfskunde dan wel als nuttige studies ervaren en dienen zij een bepaalde behoefte die op dit moment van groter belang wordt geacht?

Ik kies ik kies wat jij niet kiest.
Door welke discoursen zouden de allochtone studenten dan beïnvloed worden in het kiezen? Hoe verschilt de allochtone student die er wel voor kiest om een studie in de geesteswetenschappen te volgen van een allochtone student die hier niet voor kiest? Ligt de verklaring in de sociaal economische status van de allochtone student, of wordt er dan niet te reductionistisch gedacht? Ligt het aan de culturen van de allochtone studenten, maar wordt er hier niet te essentialistisch gedacht? Ligt de verklaring in het karakter van de studie literatuurwetenschap? Of is het wel groepsspecifiek verbonden, maar niet etnisch/ cultureel verbonden? Of is het eigenlijk een beetje van allemaal?

Waarom..
Het directe nut van literatuurwetenschappers en filosofen zou zijn dat deze niet slechts de wereld trachten te verklaren en te interpreteren, maar deze ook zouden moeten veranderen. Belangrijk is dat er vaak wordt gesproken over de relatie die tussen twee culturen kunnen ontstaan in de literatuur, in de literatuurwetenschap en de geesteswetenschappen in het algemeen. Maar een vriendschap opbouwen tussen het [één] en het [ander], moet daar daarbij de [ander] én het [één], beiden, niet aanwezig zijn?

Misschien heeft de term cultuur wel iets essentialistisch, maar als je deze ‘cultuur’ nou sociologisch duidt? De aanwezigheid van een Turkse moskee; de aanwezigheid van Surinaamse winkeltjes met Surinaamse eetwaren; de aanwezigheid van een Nederlandse discotheek aan de Costa Brava; of de afwezigheid van ‘allochtone’ studenten in de geesteswetenschappen…