De kracht van hiphop

Door Thomas Heerma van Voss

William Edward Burghardt Du Bois streefde naar gelijkheid tussen de zwarte en witte bevolking. Om dat te verwezenlijken moest er, zo meende de in 1867 geboren socioloog, feller worden gehandeld dan men gewoon was. Waar de vooraanstaande zwarte politieke leider Booker T. Washington – een tijdgenoot van Du Bois – meende dat assimilatie van de zwarte bevolking nodig was om op gelijke voet te komen met de blanke, daar was Du Bois overtuigd van het tegendeel: juist door zich te distantiëren van de blanken en een eigen cultuur te creëren (ook wel het Pan-Afrikanisme genoemd) kon de zwarte zich ontworstelen aan de blanke hegemonie.
In de loop van de twintigste eeuw is deze discussie – met als kernvraag of distantie of assimilatie nu het beste is voor gelijke rechten tussen zwart en wit – vaak gevoerd; geregeld kwamen er hierbij nieuwe namen en stellingen bij, en verdwenen er weer oude – en toch is er, basaal bekeken, weinig veranderd. Zo lagen vijftig jaar na het meningsverschil tussen Du Bois en Washington vrijheidsstrijders Malcolm X en Martin Luther King met elkaar overhoop in een soortgelijk conflict: terwijl King algeheel pacifisme nastreefde, liet Malcolm X het Pan-Afrikanisme een radicaal hoogtepunt bereiken met talloze opvattingen over blanke onderdrukking tegenover zwarten – opvattingen die zelfs zo ver gingen dat hij pleitte voor een eigen land voor zwarten, als tijdelijke maatregel tot ze met zijn allen konden terugkeren naar Afrika.
De vraag blijft: hoe kan de zwarte bevolking het best aangesproken worden? Door mannen zoals X, waarmee zwarten zich over het algemeen gemakkelijk kunnen identificeren omdat ze na jaren zwoegen, hustlen, gevangenschap en zonder universitaire opleiding zijn opgeklommen tot volksvertegenwoordigers? Of is het gebruiken van een zachtere benadering, zoals de intellectuele Washington doet, die een plekje veroverde binnen de zogeheten academische wereld (doorgaans toch het kanaal van hoogopgeleide blanken), uiteindelijk de beste manier om iets wezenlijks te veranderen met betrekking tot de zwarte gemeenschap?
Cornel West lijkt zichzelf deze vraag ook te hebben gesteld. Als academicus had hij een groot en ontwikkeld bereik, en tot midden jaren negentig publiceerde hij dan ook regelmatig wetenschappelijke artikelen – maar, zo bleek bij een aanvaring met Harvard-hoofd Lawrence Summers in 2000, na een tijdje schreef West amper nog iets. Wat hij tot ieders verbazing wel deed, was een hiphopalbum uitbrengen.
In zijn The Dilemma of the Black Intellectual merkt West al op dat er binnen de zwarte gemeenschap geen sprake is van intellectuele continuïteit, wat Gramsci als voorwaarde ziet om tot de intellectuele bovenlaag te behoren, maar juist van discontinuïteit: de gebieden waarop bij de zwarten een traditie is, zijn niet intellectueel van aard. Denk aan de predikantengeschiedenis, jazz, blues of natuurlijk hiphop: het moderne equivalent van dit alles, waar West zich sinds 2000 dus ook veelvuldig op heeft gestort.
Hiphop is een betrekkelijk jong muziekgenre, dat sinds begin jaren tachtig enorme delen van de zwarte gemeenschap aanspreekt – zowel in Amerika als daarbuiten. Naar de buitenwereld toe ziet het er soms uit alsof het genre gedomineerd wordt door materialisme en vrouwonvriendelijkheid, maar wie iets verder kijkt merkt dat het genre vol zit met artiesten die opkomen voor (zwarte) minderheden en zich verzetten tegen blanke hegemonie. In zijn artikel Hip-hop Turns 30: Whatcha Celebratin’ For? beschrijft Greg Tate de hiphop dan ook als een product van de Pan-Afrikaanse traditie. Hij schetst hiphop als een manier om één identiteit onder de zwarte bevolking te krijgen, om een internationaal Afrika te schetsen.
De crux is nu: juist binnen hiphop groeien blank en zwart steeds meer naar elkaar toe. De albinorapper Brother Ali staat tegenwoordig samen met Freeway – een zwarte held voor veel kinderen in getto’s – op het podium, terwijl Eminem rondtoert met praktisch alle (zwarte) zwaargewichten uit de hiphopgame zonder dat het begrip huidskleur ook maar even genoemd wordt. Er is, kortom, een zekere eenheid binnen deze zwarte subcultuur gekomen; juist binnen het gebied waarin West zich (tijdelijk) afzonderde van zijn academische wereld, om de zwarte gemeenschap direct aan te spreken, is inmiddels ook plaats gekomen voor blanken. Malcolm X zou er gezien zijn gedachtegoed waarschijnlijk niet blij mee zijn, maar het is wel het doel dat in den beginne door alle zwarte vrijheidsvechters werd nagestreefd: gelijkheid. Ik wil nu niet zo ver gaan en zeggen dat die gelijkheid er volledig is, maar via het opzetten van een geëngageerd eigen kanaal – want dat is toch wat hiphop min of meer is – is de gelijkheid nu wel dichterbij dan ooit. Uiteraard werden er eerder ook al genoeg radicale opvattingen geuit, en uiteraard waren er ook al eerder pogingen tot saamhorigheid – zie alleen al respectievelijk Du Bois en King tegenover Washington en X – maar het verschil met hiervoor is: binnen hiphop is er plaats voor blanken. Er ontstaat dus ook bij de meest kritische teksten binnen het genre niet meteen een tweedeling, omdat er niet meer volledig afzonderlijke kampen zijn. Je hier tegenin kunnen brengen dat het om laag- en hoogopgeleid gaat, maar ook dat is niet zozeer aan de orde – zie bijvoorbeeld de blanke rapper Sage Francis, die keurig zijn academische diploma’s op zak heeft maar toch liever de show steelt bij door zwarten gedomineerde freestylebattles. Zijn het uitzonderingen? Dat zou kunnen, maar meer dan dat lijkt er mee te worden aangegeven dat er niet meer sprake is van een strikte scheiding; Washingtons gehoopte assimilatie is in zekere zin ingetreden, alleen via een omgekeerde manier: binnen hiphop passen blanken zich aan aan de zwarte gemeenschap. Dat maakt de discussie die tijden lang gevoerd werd – hoe moet de zwarte gemeenschap worden aangesproken – tot op zekere hoogte overbodiger dan ooit, omdat het genre hiphop zo krachtig is. En van deze kracht lijkt de academische Cornel West als geen ander gebruik te maken.