Verdwaald in het literair niemandsland

De afgelopen week was ik in gesprek met een hbo-student die, nadat ik haar verteld had welke studie ik volgde, bewust of onbewust een zeer rake opmerking over de literatuurwetenschap maakte. Ze zei dat het bestuderen van literatuur niets voor haar zou zijn omdat ze door de overvloed van beschikbare teksten uiteindelijk zou “verdwalen”. Het is het idee van verdwalen dat ik in dit korte essay wil bespreken. Hoe kunnen wij verdwalen in onze discipline? En hoe proberen we dit te voorkomen? Is het wel mogelijk om niet te verdwalen als je uiteindelijke bestemming altijd onduidelijk is?

Laat ik beginnen met een visuele metafoor die bovenal mijn persoonlijke ervaring als student tot nu toe uitbeeldt Een zwerver (de literatuurwetenschapper) staat tussen twee flatgebouwen in. Op het ene flatgebouw staat een bord met het woord ‘theorie’ en op het andere een bord met het woord ‘literatuur’. Ik beeld de literatuurwetenschapper als zwerver uit omdat alhoewel hij vrije toegang heeft tot allebei de gebouwen, hij in geen van beiden woont. Voor het beoefenen van zijn discipline neemt de literatuurwetenschapper uit ieder gebouw datgene wat hij denkt nodig te hebben en keert terug naar zijn plaats op straat om aan het werk te gaan.

De eerste vraag die gesteld moet worden is: waarom zijn er überhaupt twee aparte gebouwen? In The Practice of Everyday Life geeft Michel de Certeau commentaar op de discursieve tweedeling van theorie en praktijk en identificeert kunst als ‘a kind of knowledge that operates outside the enlightened discourse which it lacks.’ (66). De Certeau geeft kritiek op het proces op discursieve uitsluiting als universalistisch “trucje”, maar lijkt er zelf ook met moeite aan te ontkomen wanneer hij literatuur beschrijft als ‘a repertory of these practices that have no technological copyright’ (70). Alles wat echt betekenisvol is neemt volgens De Certeau misschien wel plaats buiten het discursieve, maar dit maakt het discursieve toch niet meteen tot iets negatiefs? Dat wat betekenisvol is wordt uiteindelijk toch wel geproduceerd door middel van deze discursieve uitsluiting? Is de discursieve uitsluiting dan niet gewoon een proces dat gebruikt wordt bij duidelijk gebrek aan beter? Waarom zijn er twee gebouwen? Omdat één gebouw te groot zou zijn en de zwerver erin zou verdwalen.

Maar hoe weet de zwerver eigenlijk waar hij naar moet zoeken in de gebouwen? Gaat hij met een voorbedacht plan naar binnen of pakt hij willekeurig wat hij maar pakken kan? En welke van de twee methodes levert het beste resultaat op? Literaire vaardigheid wordt door De Certeau duidelijk gedefinieerd als een “kennis die niet erkend wordt als kennis” en alleen op onbewust niveau wordt ervaren als kennis ‘there is knowledge, but it is unconscious; reciprocally, it is the unconscious that knows.’ (71). Ten eerste moet aangeduid worden dat De Certeau tijdens zijn betoog een beroep doet op de Freudiaanse psychoanalyse die vandaag de dag toch bekend staat als beruchte pseudo-wetenschap. Ten tweede, als de literatuur doordrenkt is met “verborgen kennis”, is het dan niet de logische taak van de literatuurwetenschapper om deze kennis in kaart te brengen met behulp van de middelen waarmee de twee bovengenoemde gebouwen hem voorzien? Om een concreet voorbeeld te geven: voor het schrijven van dit essay gebruik ik de tekst van De Certeau die afkomstig is uit een bepaald discours en pas die toe op mijn ervaring als student literatuurwetenschappen in de afgelopen tweeënhalf jaar, oftewel: het soort non-discursieve kennis die de literatuur volgens De Certeau hoort te bezitten.

En wat kan ik hieruit concluderen? Ik heb mij buiten het traditionele discours gewaagd en alles lijkt nog vager dan voorheen. Ik sta op straat tussen de twee flatgebouwen zonder enig idee waar ik heen moet of waarom ik erheen zou moeten. Ik ben verdwaald, maar dat is volgens De Certeau juist de bedoeling. Uiteindelijk zal ik een richting moeten kiezen, niet om daar te gaan wonen, maar om te nemen wat ik nodig heb en daarna verder te gaan.