By Africans for Africans? 

In Elizabeth Costello hebben Elizabeth en Emmanuel Egudu een discussie over wat de Afrikaanse roman bekent voor Afrika en of het wel voor Afrikaanse mensen bedoeld is. Hierbij worden er verschillende aspecten van de literatuur aangehaald en worden er vergelijkingen gemaakt met de Australische roman. Nu is er geen duidelijke uitkomst van de discussie omdat zij op een gegeven moment genoeg van hem heeft, maar er komen verschillende argumenten naar voren die je aan het denken zetten over de Afrikaanse roman. Nu is het niet mijn intentie om de geschiedenis in twijfel te trekken aangezien ik niet alles erbij kan betrekken en ook niet beweer alles van die geschiedenis af te weten, maar wanneer we kijken naar het boek Elizabeth Costello is er dan sprake van een Afrikaanse roman voor de Afrikaanse bevolking?

‘The English Novel’, she says, ‘is written in the first place by English people for English people. That is what makes it the English novel. The Russian novel is written by Russians for Russians. But the African novel is not written by Africans for Africans. African novelists may write about Africa, about African experiences, but they seem to me to be glancing over their shoulders all the time they write, at the foreigners who will read them.’ (Coetzee 2003, p. 51)

Elizabeth zegt hier dat ze misschien wel over Afrika schrijven, maar niet voor Afrika. Wanneer ze schrijven houden de schrijvers constant het buitenland, vaak de Westerse wereld, wat ik vanaf nu ga aanhouden, in hun achterhoofd. Ze schrijven dus meer voor de Westerse wereld dan voor de Afrikaanse wereld. De quote gaat verder:

‘Whether they like it or not, they have accepted the role of the interpreter, interpreting Africa to their readers. Yet how can you explore a world in all its depth if at the same time you are having to explain it to outsiders? It is like a scientist trying to give full, creative attention to his investigations while at the same time explaining what he is doing to a class of ignorant students. It is too much for one person, it can’t be done, not at the deepest level. That, it seems to me, is the root of your problem. Having to perform your Africanness at the same time as you write.’ (Coetzee 2003, p. 51)

De schrijvers lijken hier vast te zitten tussen twee discoursen. Aan de ene kant willen ze in het Afrikaanse discours blijven, maar aan de andere kant fungeren ze als interpretator van hun land aan de Westerse wereld. Ze zitten niet meer volledig in het Afrikaanse discours en samen met het feit dat ze altijd de Westerse wereld in hun achterhoofd hebben tijdens het schrijven zorgt dit ervoor dat geen romans schrijven puur voor het Afrikaanse volk.

Niet alleen Elizabeth, maar ook Emmanuel komt met argumenten waarom Afrikaanse schrijvers niet voor het Afrikaanse volk schrijven, ook al bedoelt hij dit in het boek niet zo.

‘Reading is not a typically African recreation [...] and particularly not reading fat novels. Reading has always struck us Africans as a strangely solitary business. It makes us uneasy. When we Africans visit great European cities like Paris and London, we notice how people on trains take books out of their bags or their pockets and retreat into solitary worlds. Each time the book comes out it is like a sign help up. Leave me alone, I am ready, says the sign. What I am reading is more interesting than you could possibly be.
Well, we are not like that in Africa. We do not like to cut ourselves from other people and retreat into private worlds. Nor are we used to our neighbours retreating into private worlds. Africa is a continent where people share. Reading a book by yourself is not sharing. It is like eating alone or talking alone. It is not our way. We find it a bit crazy.’ (Coetzee 2003, p. 40)

Lezen is niet de Afrikaanse manier. De Afrikaanse bevolking ziet het lezen van een boek als een rare tijdsbesteding. Je bent niet gezellig en alleen maar met jezelf bezig, het is onbeschoft. Zoals hij zegt in het voorbeeld van de trein; mensen denken dat je het boek interessanter vindt dan je medemens. Hij zegt ook dat de echte Afrikaanse roman een gesproken of vertellende roman is, het moet mondeling zijn. Wanneer je het opschrijft leeft het maar half, een roman moet juist door iemand verteld worden. Emmanuel haalt hier ook Cheikh Hamidou Kane aan, die zegt:

‘The writers I speak of are truly African because they are born in Africa, they live in Africa, their sensibility is African … What distinguishes them lies in experience, in sensitivities, in rhythm, in style.” He goes on: “A French or English writer has thousands of years of written tradition behind him … We on the other hand are heirs to an oral tradition.’ (Coetzee 2003, p. 44)

Dit zou je als argument voor kunnen zeggen, maar is dit wel zo? De echte Afrikaanse schrijvers leven in Afrika en ademen ook Afrika, maar zoals Kane al zegt, het is wel een mondelinge traditie. Het feit dat zowel Emmanuel als Kane beiden de Afrikaanse traditie als een mondelinge traditie zien geeft al weer hoe belangrijk dit is voor Afrika.

Na alle argumenten te hebben bekeken lijkt het er op dat de geschreven Afrikaanse roman meer gericht is op de Westerse samenleving en niet zozeer op de Afrikaanse. Hoewel het goed is voor het saamhorigheidsgevoel in Afrika is de geschreven roman misschien wel niet eens zo nodig. Afrika heeft een sterke traditie van samen zijn in plaats van alleen, zoals het geval is wanneer je een boek leest, en van mondeling verhalen vertellen in plaats van schriftelijk. Ook kan lang niet iedereen lezen of hebben ze een manier om banden te luisteren, zoals de vrouw in Elizabeth Costello voorstelde om de boeken mondeling op te nemen. De Afrikaanse traditie van verhalen vertellen past goed in de samenleving en ook al komt de schriftelijke roman steeds meer op, ik hoop dat ze de mondelinge traditie ook houden.

Coetzee, J.M. Elizabeth Costello. London: Vintage, 2003.