De rol van de literatuurwetenschap(per) in de samenleving 

In de collegereeks Literatuur & Wetenschap 2010-2011 van docent Jan Hein Hoogstad aan de Universiteit van Amsterdam hebben we als studenten aan de hand van een aantal theoretische teksten, culturele objecten en de colleges met elkaar gediscussieerd en gereflecteerd op het vak Literatuurwetenschap in de les en op dit blog http://litwet.medialoperations.com. Opvallend vaak stak in de posts en reacties twijfel de kop op over de idealen en vermogens van literatuur en literatuurwetenschappers. In dit essay wil ik daarom ingaan op de vragen die daarmee voor mij als aankomend literatuurwetenschapper centraal zijn komen te staan; Is literatuur, verbeelding, in staat de wereld te veranderen? Wat is het belang of nut daarvan? En welke rol kan de literatuurwetenschapper innemen? Mijn inzet in deze bijdrage aan de discussie is dat literatuur in staat is nieuwe denkwijzen of een nieuw mens- of wereldbeeld te introduceren. Ik veronderstel weldegelijk de kracht van literatuur en literatuurwetenschap tot verandering. De rol van de literatuurwetenschapper, of geesteswetenschaper, is de verbeelding met onderzoek en praktijk te signaleren, te ontsluiten of in het debat in te brengen, culturele objecten kritisch tegen het licht houden, emancipatoire bewegingen te verankeren in een traditie van denken en daarmee de ontwikkeling van het denken gaande te houden. Via een praktijk van denken, onderzoeken, schrijven, publiceren, programmeren werpen de geesteswetenschappen evenzeer licht op ‘feitelijke vraagstukken’ uit onze dagelijkse leefomgeving als de natuurwetenschappen. De onderscheiden wetenschappen zijn ook niet tegenover elkaar te zetten zoals de online discussies doen vermoeden of in raakvlakken terug te brengen tot het kritisch tegen het licht houden van de premissen van de ene soort wetenschap door de andere. De dagelijkse realiteit vraagt interdisciplinaire benaderingen die de grenzen tussen geestes- en natuurwetenschappen overschrijden.

Vanaf de oorsprong van het vak tot op heden lijkt het, Goethe en Spivak lezend, in de literatuurwetenschap niet zozeer om de literaire objecten zelf te gaan, alswel om een ideaal van begrip en wereldvrede. Sinead verwoordt het in haar essay “Literatuur en Wetenschap” als volgt: ‘Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is’. De discussie die vervolgens ontstaat tussen Sinead, nikkidekker, Léonie, FlorisPieterse en jetvangroningen concentreert zich echter op de autonomie van het literaire object en de mogelijkheid en wenselijkheid daarvan binnen het literatuurwetenschappelijke veld. Met de geciteerde Roland Barthes’ dood van de auteur en eerder die van god is echter zoals Léonie ook opmerkt niet zozeer de autonomie gemoeid, alswel de autoriteit van beide figuren die met de afgekondigde dood tot de proportie van een actor is teruggebracht. Het maakt niet de literaire objecten autonoom, deze zijn immers ingebed in een meerduidige context, het maakt slechts dat het laatste woord over een tekst niet langer gesproken kan worden. Léonie noemt het ‘sneuvelen van de waarheid’ die op de dood van god en auteur is gevolgd problematisch omdat met de polyinterpretabiliteit de autonomie van de literatuur wel in gevaar komt. Ik denk dat niet zozeer de pluriformiteit het probleem is, alswel dat daarmee het geloof onder druk is komen te staan dat kunst, uitspraken of interpretaties zinvol kunnen zijn of een ‘geldig’ ander licht op zaken kunnen werpen. Dat dat weldegelijk mogelijk is zou ik willen onderschrijven aan de hand van het literair werk dat jetvangroningen in deze discussie naar voren brengt, Aimé Césaire’s Notebook of a Return to the Native Land (1939). In het gedicht geeft Césaire de notie van Négritude gestalte, een politieke en literaire beweging om een gemeenschappelijke zwarte identiteit te creëren onder de bevolking van de Afrikaanse diaspora en de zwarte bevolking van Martinique in het bijzonder. Ondanks erkenning voor zijn culturele bijdrage aan het emanciperen van een raciale en sociale klasse, is in de afgelopen decennia ook kritiek gekomen op Césaire’s Négritude. Er is aangedragen hoe éénzijdig, patriarchaal en phallocentrisch zijn zwarte identiteit is en het idee van négritude is door critici vervangen door modellen die creolisering of hybriditeit voorop stellen. Zowel Césaire’s gedicht als de kritieken erop hebben, samen met een groter corpus aan primaire en secudaire teksten, de discussie en ontwikkeling van het denken over ras, postkolonialiteit en identiteit in zowel de wetenschap als in de samenleving gaande gehouden. Sommige passages uit het gedicht kunnen zelfs nog steeds met kracht de deplorabele omstandigheden van onderbetaalde werkende onderklassen en de noodzaak van emancipatie anno 2010 benadrukken. Zo benadrukken de hierop volgende versregels de realiteit van de foto’s geplaatst bij recente nieuwsberichten over China’s exportverbod op zeldzame aardmetalen. Foto’s van mannen die bijna bezwijken onder het gewicht van de zakken met grondstoffen. De mannen staan niet alleen in een diepe poel van modder, maar zijn er van top tot teen mee bedekt. Er wordt echter nergens in de berichten of de fotobijschriften aan de mannen gerefereerd. De foto’s dienen slechts als verwijzing naar de grondstoffen, die volgens de berichten nu schaars en duur zullen worden. Dan zijn de volgende versregels nog steeds urgent: ‘Grovel in the mud. Brace yourself in the thick of the mud. / Carry. / Earth of mud. Horizon of mud. Dead of the mud’ (Césaire 41).

Om terug te komen op Jet’s vraag of dit literaire werk het beste autonoom te benaderen is, zou mijn antwoord nee zijn. Literatuur is ingebed in een complexe context en de geschiedenis of biografie is daar onderdeel van. Ik doel daarmee niet op de auteur als persoon, maar als representant van een deelgeschiedenis van een dagelijkse realiteit van velen. Of de geschiedenis van de auteur relevant is bij de interpretatie van een werk, zal van keer tot keer verschillen, evenals andere facetten van de context. De vragen en opmerkingen in deze post en reacties rondom de al dan niet mogelijke en wenselijk autonomie van de literatuur en literatuurwetenschap en rondom de verloren gegane autoriteit van auteur, woord of waarheid representeren en voeden wellicht voor een deel de twijfels die over vermogens, belang, nut van de literatuur en de literatuurwetenschap bestaan. De discussie daarover barst ten volle los in het essay “Wat studeer je? Oh, euh, leuk! Wat kan je ermee?” van Llika Polderman en de daarop volgende reacties van FlorisPieterse, roza, khnilka, Thomashvv, jorisbrakkee, mickeypotthoff, rebeccadrees, Anne van der Klift, ellenswart en nadja. Zelf benadrukt Llika vooral haar ervaring haar studie theaterwetenschap vaak te moeten rechtvaardigen of uitleggen en verdedigt ze in de slotfase van de discussie het nut van studies binnen de geesteswetenschappen: ‘De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover’. In de daarvoor geposte reacties alsook in andere posts op het blog wordt echter hevig getwijfeld over het nut, belang en toekomstperspectief. Een studie binnen de Geesteswetenschappen wordt leuk genoemd, een luxe, abstract, niet praktisch en de deelnemers vragen zich af wat je met de studie kunt doen en betwijfelen of het veel perspectief op carriere of geld biedt. De natuurwetenschappen worden daar tegenover gezet als studies met resultaten, nut, finale antwoorden en noodzaak. Thomashvv raakt weer aan het idee van autonomie wanneer hij in een reactie zegt dat ‘steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen’. Maar betekent je bezig houden met nieuwe interpreaties ‘afzondering’? Wanneer Vaessens spreekt van engagement ‘veronderstelt dat verbinding’, licht hij zelf in een interview met Arnoud van Adrichem in literair tijdschrift Parmentier toe. Niet volgens het postmodern discours vrij zijn van verbindingen, maar ‘vrij zijn voor verbindingen […] een vorm van trouw zijn aan je eigen affecties’. Hij vervolgt: ‘Het postmodernisme heeft een heel duidelijk historisch nut gehad, […] maar je kunt je wel de vraag stellen of dat postmodernisme daarmee ook antwoord bood op alle vragen’. Geenszins een pleidooi om interpretaties af te doen lijkt mij, maar een pleidooi om interpretaties met meer overtuiging in te zetten en te onderzoeken hoe dat gaat, ‘vrij zijn voor verbindingen’. Hoe doen hedendaagse schrijvers dat? Welke wegen zoeken auteurs, kunstenaars, opiniemakers en politici om zich weer oprecht te verbinden. Wat gebeurt er in hun teksten. En zijn er technieken die ook literatuurwetenschappers in kunnen zetten?

De vermogens en het belang van kunst en cultuur worden in de discussie onderschat. Het vermogen en belang van vakmensen die culturele objecten leren “lezen”, verbinden, becommentarieren zoals beta-wetenschappers hun verschijnselen “lezen”, verbinden wordt onderschat. Het verruimen van de blik, het schetsen van een alternatief wereld- of mensbeeld, het in een kritisch of absurd daglicht stellen van zaken, het spiegelen, en zo nog vele ander denkbare effecten, zowel middels de kunsten als in onderzoek en reflectie hierop worden onderschat. Het gaat daarbij niet alleen om begrip te verkrijgen voor andere culturen, zoals Goethe en Spivak het ideaal van de literatuurwetenschap kort gezegd verwoord hebben. Hoe leren we kinderen over samenzijn, samenleven, de waarde van het een of ander, de driften, de conventies, de ruimte om er wel/niet van af te wijken, kortom hoe brengen we hen onze cultuur bij? Door verhalen, gedichten, tekeningen, liedjes, films, games, toneelspel, etc. Wat draagt bij aan het ontwikkelen van empathie, van analytisch vermogen, van sociale vermogens, creatieve vermogens. Opnieuw de kunsten. Het tot je nemen/je inleven in verhalen – ongeacht het medium –, het maken van of luisteren naar muziek. Het belang, nut of de rol van een literatuurwetenschapper daarin? Inzichtelijk maken welke effecten van verhalen uitgaan, welke waarden bijvoorbeeld in de gangbare sprookjes en disneyverhalen worden onderschreven, daar wellicht kritische kanttekeningen bij plaatsen, mogelijk een pleidooi houden voor het herschrijven van sprookjes. Of wat dacht je van het kritisch lezen van een film als Brokeback Mountain? Is de film werkelijk vooruitstrevend of worden tegelijkertijd zeer conservatieve waarden uitgedragen? Of welke effecten heeft bepaald politiek taalgebruik? Victor Klemperer en Judith Butler hebben daar met respectievelijk Lingua Tertii Imperii en Excitable speech relevante onderzoeken en uitspraken over gedaan. Allemaal toepassingen van het vak, concreet, nuttig, kritisch, nuancerend daar waar nodig, een debat breder trekkend, dat is geen luxe, het maakt deel uit van de motor waarop een samenleving draait en zich ontwikkeld. Of, als het geen verschil maakt in publieke sfeer, een alternatief idee biedt voor diegenen die zich niet gerepresenteerd voelen in de samenleving. En kunst en cultuur is ook geen luxe in de zin dat het zich zou beperken tot welvarende samenlevingen. Ook in ontwikkelingslanden is de behoefte aan ‘verbeelding’, hoog. Werkend voor een cultuurfonds van een ontwikkelingshulporganisatie, een fonds dat kunstenaars in ontwikkelingslanden ondersteunt en de culturele infrastructuur probeert te versterken (productie, distributie), viel het altijd weer op hoeveel belang mensen hechten aan verhalen, theater, muziek, dans. Gevraagd naar basisbehoeften benadrukten mensen naast water, voedsel en onderdak, kunst als vitaal onderdeel van het leven.

Rebeccadrees noemt in een reactie nog steeds op het essay van Llike Polderman, de geneeskunde, natuurwetenschap en recht als ‘wetenschappen die zich over feitelijke vraagstukken ontfermen’, maar de geesteswetenschappen ontfermen zich dus evenzeer over vraagstukken of objecten die deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit en die realiteit mede bepalen. In die zin is een strikte scheiding tussen de vraagstukken van beide ‘soorten’ wetenschappen ook niet langer vol te houden. In het deel “En nu verder: culturele studies voor de eenentwintigste eeuw?” in Culturele studies. Theorie in de praktijk wordt onderschreven hoezeer de technologie een steeds sterkere greep op het dagelijks leven heeft en tegelijkertijd de geesteswetenschappen hier relevante dingen over kunnen zeggen omdat deze technische fenomen directe en ingrijpende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld definities als identiteit en subject. Hoe sommige kunstuitingen soms meer vertellen over depressie of emoties dan biologiehandboeken of hoe wetenschappelijke ontdekkingen als nanotechnologie onderdeel worden van het dagelijks leven en daarom niet alleen betekenis hebben in het laboratorium. Er wordt in het boek dan ook gepleit voor verregaande grensverkenning (172-173). Een voorbeeld van een kunstenaar die met zijn werk, http://www.studioroosegaarde.net/, de invloed van technologie op ons leven wil tonen is Daan Roosegaarde. Onze verhouding tot technologie wordt tezeer voorgesteld in apps en gadgets licht hij toe in een interview in NRC Next van 30 november 2010. Roosegaarde wil het idee van interactie losmaken van een product, het persoonlijker maken en voor hem is de cruciale vraag of de technologie ons helpt om meer mens te worden. Het idee van grensverkenning en interdisciplinariteit uit Culturele Studies. Theorie in de praktijk op een andere manier loslatend op onze praktijk, stel ik me voor hoe een literatuurwetenschapper als volgt bij kan dragen aan ontsluiting van een alternatief wereldbeeld of een bijdrage kan leveren aan vraagstukken waar bijvoorbeeld de geneeskunde zich mee bezig houdt. Neem een ‘gedragsstoornis’ als ADHD, een aandachts-tekort-stoornis met hyperactiviteit dat momenteel vaak bij kinderen wordt vastgesteld. Het is voorstelbaar dat de verschijnselen samenhangen met een afnemende aanwezigheid in de natuur, een voor mensen van oudsher natuurlijke omgeving. Amerikaans dichter Mary Oliver reikt met haar poëzie en essays evenzeer een mogelijke oplossingsrichting aan als dat de geneeskunde dat doet. Daar waar de geneeskunde het in geneesmiddelen zoekt, deze ontwikkelt en voorschrijft om de symptomen te bestrijden, pleit Oliver ervoor, niet in relatie tot ADHD overigens, kinderen de natuur voor te schrijven. ‘Give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lords of profit. Stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent beautiful blossoms’ (56). Oliver is niet heel bekend in Nederland en waarschijnlijk is literatuur in de geneeskunde als handreiking voor het zoeken naar een oplossingsrichting ook niet gangbaar. Maar wie weet wat de literatuurwetenschapper kan bereiken door deze literatuur in Nederland te ontsluiten en het in te brengen in het debat over ADHD als nader te onderzoeken oplossingsrichting. Wie weet blijkt een dagelijks portie natuur even effectief als een medicijn als retalin. Zomaar een voorbeeld van een toepassing, misschien niet direct voor de handliggend, maar evengoed concreet, nuttig en gericht op een feitelijk vraagstuk, namelijk hoe het komt dat zoveel kinderen kampen met hyperactiviteit of hun aandacht niet lang kunnen vasthouden. De literatuur verbeeldt in dezen een alternatieve leefstijl waarin de natuur een prominente rol speelt.

Het belang van de geesteswetenschappen wil ik tot slot nogmaals benadrukken met navolgend citaat uit Culturele studies. Theorie in de praktijk:

‘Juist vandaag de dag lijkt de maatschappelijke en politieke discussie beheerst te worden door een begrip van “cultuur” dat heen en weer slingert tussen nationaal en religieus groepsdenken en wereldwijde commercie. In deze context pretendeert culturele studies niet het laatste woord te hebben of het superego van de humanities te zijn, maar wil ze steeds weer de kritische inzet van cultuur tonen. Want cultuur is tenslotte datgene wat onze directe dagelijkse leefomgeving en niet in de laatste plaats onszelf bepaalt’ (10).

Bibliografie
Baetens, Jan, et al. Culturele studies. Theorie in de praktijk. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2009.

Butler, Judith. Excitable speech: a politics of the performative. New York: Routlegde, 1997.

Césaire, Aimé. Notebook of a Return to the Native Land. Trans. and eds. Clayton Eshleman
and Annette Smith. Middletown: Wesleyan University Press, 2001.

Goethe, Johann W. Von. “World Literature”. Comparative Literature: The Early Years: An
Anthology of Essays. Ed. Schulz, Hans Joachim. Chapil Hill: University of North Carolina
Press, 1973. 3-11.

Klemperer, Viktor. LTI. Notizbuch eines Philologen. Stuttgart: Reclam Tasschenbuch, 2007.

Literatuur & Wetenschap, http://litwet.medialoperations.com/

Oliver, Mary. Blue Iris. Poems and Essays. Boston: Beacon Press, 2004.

Roosegaarde, Daan. http://www.studioroosegaarde.net/

Spivak, Gayatri Chakravorty. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia
University Press, 2003. 1-25.

Van Adrichem, Arnoud. “‘Het postmodernisme voorbij? In gesprek met Thomas Vaessens”,

http://www.literairtijdschriftparmentier.nl.