Scheidslijn tussen narratief en theorie
In het laatste college is de karakterisering van Coetzee’s roman Elizabeth Costello aan de orde gekomen; is het een roman of iets anders? Uitgeverij Vintage Books rekent het in ieder geval tot de categorie ‘fiction’. Daarnaast is de ondertitel van het boek Eight Lessons en tevens zijn verscheidene speeches van Elizabeth lezingen die Coetzee zelf gehouden heeft. Hierbij rees onmiddellijk de vraag of Elizabeth wellicht Coetzee’s alterego is. Maar wat mij betreft speelt dat geen rol bij het beantwoorden van de vraag of het boek een roman is of niet. Het boek is om één simpele reden een roman: er is een verteller. En deze verteller is niet Elizabeth Costello zelf maar staat buiten de wereld die wordt beschreven.
In het college kwam naar voren dat de interventies van de verteller in Elizabeth Costello ervoor zorgen dat je op de literaire status van het boek wordt gewezen; de compositie wordt zichtbaar. Het boek is dan immers niet langer een optelsom van theorieën maar wordt een narratief omdat de nadruk komt te liggen op zijn eigen temporaliteit. Dat neemt niet weg dat de interventies een ontspannen leeservaring in de weg staan.
De verteller in Elizabeth Costello zegt hierover zelf op een gegeven moment het volgende:
It is not a good idea to interrupt the narrative too often, since storytelling works by lulling the reader or listener into a dreamlike state in which the time and space of the real world fade away, superseded by the time and space of the fiction. Breaking into the dream draws attention to the constructedness of the story, and plays havoc with the realist illusion. However, unless certain scenes are skipped over we will be here all afternoon. The skips are not part of the text, they are part of the performance. (16)
De laatste zin is wat mij betreft interessant; de verteller maakt hier een onderscheid tussen de tekst en de leeservaring. Maar wat houdt dit onderscheid eigenlijk in? Is de tekst objectief en de leeservaring subjectief? Als literatuurwetenschapper dien je je op de tekst te richten dus zouden we volgens deze verteller de onderbrekingen eigenlijk buiten beschouwing moeten laten. Dit doet mij denken aan de spanning tussen discours en praktijk; de verteller zegt ons wel dat de onderbrekingen geen onderdeel uitmaken van de tekst, maar zijn woorden staan wel op het papier. Daarnaast heeft hij het over de tijd en ruimte van de fictie die de plaats inneemt van de tijd en ruimte van ‘the real world’. Hier wordt aangenomen dat de fictie een andere tijdsconstructie kent dan de werkelijkheid en de lezer in de constructie van de fictie wordt opgenomen. Maar zijn de interventies van de auteur dan niet juist onderdeel van deze constructie? Eigenlijk zou de verteller de lezer dus juist in ‘slaap’ kunnen sussen door de constructie van de fictie naar voren te laten komen.
In zekere zin denk ik dat Elizabeth Costello exemplarisch is voor de roman in het algemeen; in iedere roman zit wel een ‘theorie’ verscholen, wat vervolgens de scheidslijn tussen narratief en theorie flinterdun maakt. Het feit dat we in deze collegereeks zowel de primaire als secundaire teksten hebben benaderd met de vraag ‘wat wordt er gezegd en wat wordt er gedaan?’, geeft al wel aan dat ook theoretische teksten interessante objecten zijn voor de literatuurwetenschapper. Deze teksten dienen dus niet meer alleen als gereedschap om narratieve teksten mee te lijf te gaan, maar zijn zelf ook onderwerp van bestudering. Een belangrijk aspect van theoretische en narratieve teksten zorgt er echter toch voor dat de scheidslijn tussen beide weliswaar flinterdun is, maar toch nog bestaat: de rol van de auteur. Bij narratieve teksten maken we een onderscheid tussen de auteur en de verteller maar bij theoretische teksten is dit niet aan de orde omdat er geen personages zijn. En zoals ik in het begin al zei: dat criterium is voldoende om Elizabeth Costello te typeren als roman…
Bibliografie:
Coetzee, J.M. Elizabeth Costello. London: Vintage Books, 2004.
lanabroekaert 12:41 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply
He Ellen,
na het lezen van jouw post moest ik denken aan het essay van Kafka, ‘A report for an academy’.
Dit verhaal wordt verteld door de aap, hij schrijft vanuit zijn eigen ervaring. Is deze aap een personage, of is deze aap Kafka? In de tekst speelt theorie ook een rol (wij hebben deze tekst ook behandeld als theoretische tekst in de lessen). Nu vraag ik me af: omdat je jouw conclusie trekt naar aanleiding van de vraag of er een verteller is, hoe zou jij deze tekst dan definiëren, als theorie of narratief?
ellenswart 6:51 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hoi Lana,
Ja grappig, die tekst is inderdaad discutabel en als ik aan mezelf trouw wil blijven, moet ik natuurlijk wel zeggen dat ik dat verhaal als een theoretische tekst zie. Het is immers een monoloog; er is geen verteller aanwezig die over personages vertelt. Maar toch……….. we zouden de door ons zo aanbeden Kafka toch ook niet graag als een aap op willen vatten! Hier deel ik wel de mening van Elizabeth Costello; zij zegt dat we niet kunnen weten of het Kafka is die spreekt, en of het überhaupt een aap is die spreekt – misschien is het wel een mens die over zichzelf als aap spreekt… En zo gaat ze nog even door. In ieder geval zou je de tekst daardoor dus ook op verschillende manieren op kunnen vatten; als het een mens is die voor een menselijke publiek spreekt, hebben we de tekst in het college op de juiste manier behandeld. Al zou het dan zo kunnen zijn dat het een theoretische speech is, door Kafka gebracht als een fictie! De opties zijn eindeloos……. :)
(Je kunt de passage uit Elizabeth Costello nog eens nalezen als je dat leuk vindt, op pagina 18-19 van de Vintage Books uitgave)
FlorisPieterse 5:27 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hé Ellen,
Goed essay, maar ik heb wel wat opmerkingen. Alhoewel ik kan begrijpen dat in iedere roman een zekere theorie aanwezig is, denk ik toch dat die theorie in het geval van een narratief een secondaire functie opneemt in vergelijking met een primair theoretische tekst als een essay of artikel.
Je zegt ook dat theoretische teksten op zichzelf ook objecten van studie zijn en niet alleen dienen als gereedschap om narratieve teksten mee te ontleden, maar is het hele punt van theoretische teksten bestuderen niet om ze beter te begrijpen zodat we ze effectiever kunnen gebruiken in een literaire analyse? Ik denk gewoon dat de scheidslijn tussen narratief en theorie niet zo dun is als je hem uitmaakt.
margareth 11:36 am on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply
Essays werden lang gezien als secundaire teksten;in de functie van hulpmiddel om literatuur te begrijpen. Het had geen literaire status, wortels liggen in de wetenschap. Ze beïnvloeden elkaar echter wel. Maar leven we nu niet in een andere tijd? Maatschappij verandert, literatuur verandert en ook de wetenschap waardoor het essay wellicht anders bekeken kan worden. Vindt er geen vermenging plaats van vertelling en beschouwing? Probeert Coetzee niet te bewijzen dat essays wel literaire waarde hebben door ze niet echt in te bedden in het verhaal maar juist er naast waardoor hij zijn ongezouten mening kan spuwen?
winonah 11:51 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply
Margareth, je schrijft “Probeert Coetzee niet te bewijzen dat essays wel literaire waarde hebben door ze niet echt in te bedden in het verhaal maar juist er naast waardoor hij zijn ongezouten mening kan spuwen?” Ik weet niet of dit is wat Coetzee probeert te bewijzen maar ik denk zeker dat je gelijk hebt dat Essays, in ieder geval tegenwoordig, als primaire literatuur gezien worden. Er zijn er ook genoeg die volgens mij literaire status hebben, maar misschien ligt het aan de persoon die ze geschreven heeft. Hebben de essays van iemand als Virginia Woolf niet sneller een literaire status als die van iemand die geen romas op zijn of haar naam heeft staan?
nadja 2:17 pm on November 8, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hoi Ellen,
jouw essay en vooral de vraag: “Is de tekst objectief en de leeservaring subjectief?” Deze vraag deed mij denken aan de tekst van Iser die wij nu voor wetenschapsfilosofie aan het lezen zijn (volgens ij hebben wij hem ook vorig jaar gelezen). Heel kort samengevat: de interactie tussen lezer en tekst is van belang. De lezer vult de gaten in en daardoor ontstaat de leeservaring. Hoe de tekst ervaren wordt heeft dus ook heel veel met de lezer zelf te maken en kan natuurlijk niet zonder de tekst.
Zou je dan niet kunnen zeggen dat jij, of de lezer. de roman als roman ervaart? Een theoretische tekst kan toch ook een verteller hebben of heel literair zijn geschreven? Is het label roman niet eigenlijk heel subjectief?
Aan de andere kant denk ik wel weer dat er bepaalde richtlijnen moeten zijn om het overzicht te houden. Anders kan je elk stukje geschreven tekst als roman zien…maar wie en vooral waar trek je die lijn?
Groetjes, Nadja
ellenswart 4:07 pm on November 10, 2010 Permalink | Log in to Reply
Hoi Nadja,
Iser! Ik had bij dat citaat uit Coetzee al een vaag gevoel van herkenning maar nu weet ik het weer :) Die tekst hebben wij inderdaad ook gelezen, ik heb er zelfs nog een presentatie over gehouden! Ik heb het net weer even opgezocht en hij maakt inderdaad een onderscheid tussen de tekst die door de auteur is gecreëerd en de realisatie van de tekst door de lezer. En het literaire werk is vervolgens geen van beide, maar ligt er tussenin.
Maar Iser zegt dus wel indirect dat de roman als roman kan worden ervaren omdat het die kenmerken al in zich draagt. De lezer zal dus niet snel een theoretische tekst als een roman opvatten, dat is misschien wat te radicaal.. (ik wilde in mijn essay vooral een duidelijke stelling nemen, zodat daar goed op gereageerd kon worden, misschien had ik het toch wat meer moeten nuanceren)
Maar ik denk wel dat er een grote mate van overlapping tussen de twee ‘genres’ is. En doordat deze genres wel enkele elementen met elkaar delen, zie ik de theoretische tekst dus ook als goed object voor bestudering.