Tagged: Goethe RSS

  • Avatar of annemarie

    annemarie 12:02 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: belang, , Goethe, literatuur & wetenschap, , , rol,   

    De rol van de literatuurwetenschap(per) in de samenleving 

    In de collegereeks Literatuur & Wetenschap 2010-2011 van docent Jan Hein Hoogstad aan de Universiteit van Amsterdam hebben we als studenten aan de hand van een aantal theoretische teksten, culturele objecten en de colleges met elkaar gediscussieerd en gereflecteerd op het vak Literatuurwetenschap in de les en op dit blog http://litwet.medialoperations.com. Opvallend vaak stak in de posts en reacties twijfel de kop op over de idealen en vermogens van literatuur en literatuurwetenschappers. In dit essay wil ik daarom ingaan op de vragen die daarmee voor mij als aankomend literatuurwetenschapper centraal zijn komen te staan; Is literatuur, verbeelding, in staat de wereld te veranderen? Wat is het belang of nut daarvan? En welke rol kan de literatuurwetenschapper innemen? Mijn inzet in deze bijdrage aan de discussie is dat literatuur in staat is nieuwe denkwijzen of een nieuw mens- of wereldbeeld te introduceren. Ik veronderstel weldegelijk de kracht van literatuur en literatuurwetenschap tot verandering. De rol van de literatuurwetenschapper, of geesteswetenschaper, is de verbeelding met onderzoek en praktijk te signaleren, te ontsluiten of in het debat in te brengen, culturele objecten kritisch tegen het licht houden, emancipatoire bewegingen te verankeren in een traditie van denken en daarmee de ontwikkeling van het denken gaande te houden. Via een praktijk van denken, onderzoeken, schrijven, publiceren, programmeren werpen de geesteswetenschappen evenzeer licht op ‘feitelijke vraagstukken’ uit onze dagelijkse leefomgeving als de natuurwetenschappen. De onderscheiden wetenschappen zijn ook niet tegenover elkaar te zetten zoals de online discussies doen vermoeden of in raakvlakken terug te brengen tot het kritisch tegen het licht houden van de premissen van de ene soort wetenschap door de andere. De dagelijkse realiteit vraagt interdisciplinaire benaderingen die de grenzen tussen geestes- en natuurwetenschappen overschrijden.

    Vanaf de oorsprong van het vak tot op heden lijkt het, Goethe en Spivak lezend, in de literatuurwetenschap niet zozeer om de literaire objecten zelf te gaan, alswel om een ideaal van begrip en wereldvrede. Sinead verwoordt het in haar essay “Literatuur en Wetenschap” als volgt: ‘Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is’. De discussie die vervolgens ontstaat tussen Sinead, nikkidekker, Léonie, FlorisPieterse en jetvangroningen concentreert zich echter op de autonomie van het literaire object en de mogelijkheid en wenselijkheid daarvan binnen het literatuurwetenschappelijke veld. Met de geciteerde Roland Barthes’ dood van de auteur en eerder die van god is echter zoals Léonie ook opmerkt niet zozeer de autonomie gemoeid, alswel de autoriteit van beide figuren die met de afgekondigde dood tot de proportie van een actor is teruggebracht. Het maakt niet de literaire objecten autonoom, deze zijn immers ingebed in een meerduidige context, het maakt slechts dat het laatste woord over een tekst niet langer gesproken kan worden. Léonie noemt het ‘sneuvelen van de waarheid’ die op de dood van god en auteur is gevolgd problematisch omdat met de polyinterpretabiliteit de autonomie van de literatuur wel in gevaar komt. Ik denk dat niet zozeer de pluriformiteit het probleem is, alswel dat daarmee het geloof onder druk is komen te staan dat kunst, uitspraken of interpretaties zinvol kunnen zijn of een ‘geldig’ ander licht op zaken kunnen werpen. Dat dat weldegelijk mogelijk is zou ik willen onderschrijven aan de hand van het literair werk dat jetvangroningen in deze discussie naar voren brengt, Aimé Césaire’s Notebook of a Return to the Native Land (1939). In het gedicht geeft Césaire de notie van Négritude gestalte, een politieke en literaire beweging om een gemeenschappelijke zwarte identiteit te creëren onder de bevolking van de Afrikaanse diaspora en de zwarte bevolking van Martinique in het bijzonder. Ondanks erkenning voor zijn culturele bijdrage aan het emanciperen van een raciale en sociale klasse, is in de afgelopen decennia ook kritiek gekomen op Césaire’s Négritude. Er is aangedragen hoe éénzijdig, patriarchaal en phallocentrisch zijn zwarte identiteit is en het idee van négritude is door critici vervangen door modellen die creolisering of hybriditeit voorop stellen. Zowel Césaire’s gedicht als de kritieken erop hebben, samen met een groter corpus aan primaire en secudaire teksten, de discussie en ontwikkeling van het denken over ras, postkolonialiteit en identiteit in zowel de wetenschap als in de samenleving gaande gehouden. Sommige passages uit het gedicht kunnen zelfs nog steeds met kracht de deplorabele omstandigheden van onderbetaalde werkende onderklassen en de noodzaak van emancipatie anno 2010 benadrukken. Zo benadrukken de hierop volgende versregels de realiteit van de foto’s geplaatst bij recente nieuwsberichten over China’s exportverbod op zeldzame aardmetalen. Foto’s van mannen die bijna bezwijken onder het gewicht van de zakken met grondstoffen. De mannen staan niet alleen in een diepe poel van modder, maar zijn er van top tot teen mee bedekt. Er wordt echter nergens in de berichten of de fotobijschriften aan de mannen gerefereerd. De foto’s dienen slechts als verwijzing naar de grondstoffen, die volgens de berichten nu schaars en duur zullen worden. Dan zijn de volgende versregels nog steeds urgent: ‘Grovel in the mud. Brace yourself in the thick of the mud. / Carry. / Earth of mud. Horizon of mud. Dead of the mud’ (Césaire 41).

    Om terug te komen op Jet’s vraag of dit literaire werk het beste autonoom te benaderen is, zou mijn antwoord nee zijn. Literatuur is ingebed in een complexe context en de geschiedenis of biografie is daar onderdeel van. Ik doel daarmee niet op de auteur als persoon, maar als representant van een deelgeschiedenis van een dagelijkse realiteit van velen. Of de geschiedenis van de auteur relevant is bij de interpretatie van een werk, zal van keer tot keer verschillen, evenals andere facetten van de context. De vragen en opmerkingen in deze post en reacties rondom de al dan niet mogelijke en wenselijk autonomie van de literatuur en literatuurwetenschap en rondom de verloren gegane autoriteit van auteur, woord of waarheid representeren en voeden wellicht voor een deel de twijfels die over vermogens, belang, nut van de literatuur en de literatuurwetenschap bestaan. De discussie daarover barst ten volle los in het essay “Wat studeer je? Oh, euh, leuk! Wat kan je ermee?” van Llika Polderman en de daarop volgende reacties van FlorisPieterse, roza, khnilka, Thomashvv, jorisbrakkee, mickeypotthoff, rebeccadrees, Anne van der Klift, ellenswart en nadja. Zelf benadrukt Llika vooral haar ervaring haar studie theaterwetenschap vaak te moeten rechtvaardigen of uitleggen en verdedigt ze in de slotfase van de discussie het nut van studies binnen de geesteswetenschappen: ‘De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover’. In de daarvoor geposte reacties alsook in andere posts op het blog wordt echter hevig getwijfeld over het nut, belang en toekomstperspectief. Een studie binnen de Geesteswetenschappen wordt leuk genoemd, een luxe, abstract, niet praktisch en de deelnemers vragen zich af wat je met de studie kunt doen en betwijfelen of het veel perspectief op carriere of geld biedt. De natuurwetenschappen worden daar tegenover gezet als studies met resultaten, nut, finale antwoorden en noodzaak. Thomashvv raakt weer aan het idee van autonomie wanneer hij in een reactie zegt dat ‘steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen’. Maar betekent je bezig houden met nieuwe interpreaties ‘afzondering’? Wanneer Vaessens spreekt van engagement ‘veronderstelt dat verbinding’, licht hij zelf in een interview met Arnoud van Adrichem in literair tijdschrift Parmentier toe. Niet volgens het postmodern discours vrij zijn van verbindingen, maar ‘vrij zijn voor verbindingen […] een vorm van trouw zijn aan je eigen affecties’. Hij vervolgt: ‘Het postmodernisme heeft een heel duidelijk historisch nut gehad, […] maar je kunt je wel de vraag stellen of dat postmodernisme daarmee ook antwoord bood op alle vragen’. Geenszins een pleidooi om interpretaties af te doen lijkt mij, maar een pleidooi om interpretaties met meer overtuiging in te zetten en te onderzoeken hoe dat gaat, ‘vrij zijn voor verbindingen’. Hoe doen hedendaagse schrijvers dat? Welke wegen zoeken auteurs, kunstenaars, opiniemakers en politici om zich weer oprecht te verbinden. Wat gebeurt er in hun teksten. En zijn er technieken die ook literatuurwetenschappers in kunnen zetten?

    De vermogens en het belang van kunst en cultuur worden in de discussie onderschat. Het vermogen en belang van vakmensen die culturele objecten leren “lezen”, verbinden, becommentarieren zoals beta-wetenschappers hun verschijnselen “lezen”, verbinden wordt onderschat. Het verruimen van de blik, het schetsen van een alternatief wereld- of mensbeeld, het in een kritisch of absurd daglicht stellen van zaken, het spiegelen, en zo nog vele ander denkbare effecten, zowel middels de kunsten als in onderzoek en reflectie hierop worden onderschat. Het gaat daarbij niet alleen om begrip te verkrijgen voor andere culturen, zoals Goethe en Spivak het ideaal van de literatuurwetenschap kort gezegd verwoord hebben. Hoe leren we kinderen over samenzijn, samenleven, de waarde van het een of ander, de driften, de conventies, de ruimte om er wel/niet van af te wijken, kortom hoe brengen we hen onze cultuur bij? Door verhalen, gedichten, tekeningen, liedjes, films, games, toneelspel, etc. Wat draagt bij aan het ontwikkelen van empathie, van analytisch vermogen, van sociale vermogens, creatieve vermogens. Opnieuw de kunsten. Het tot je nemen/je inleven in verhalen – ongeacht het medium –, het maken van of luisteren naar muziek. Het belang, nut of de rol van een literatuurwetenschapper daarin? Inzichtelijk maken welke effecten van verhalen uitgaan, welke waarden bijvoorbeeld in de gangbare sprookjes en disneyverhalen worden onderschreven, daar wellicht kritische kanttekeningen bij plaatsen, mogelijk een pleidooi houden voor het herschrijven van sprookjes. Of wat dacht je van het kritisch lezen van een film als Brokeback Mountain? Is de film werkelijk vooruitstrevend of worden tegelijkertijd zeer conservatieve waarden uitgedragen? Of welke effecten heeft bepaald politiek taalgebruik? Victor Klemperer en Judith Butler hebben daar met respectievelijk Lingua Tertii Imperii en Excitable speech relevante onderzoeken en uitspraken over gedaan. Allemaal toepassingen van het vak, concreet, nuttig, kritisch, nuancerend daar waar nodig, een debat breder trekkend, dat is geen luxe, het maakt deel uit van de motor waarop een samenleving draait en zich ontwikkeld. Of, als het geen verschil maakt in publieke sfeer, een alternatief idee biedt voor diegenen die zich niet gerepresenteerd voelen in de samenleving. En kunst en cultuur is ook geen luxe in de zin dat het zich zou beperken tot welvarende samenlevingen. Ook in ontwikkelingslanden is de behoefte aan ‘verbeelding’, hoog. Werkend voor een cultuurfonds van een ontwikkelingshulporganisatie, een fonds dat kunstenaars in ontwikkelingslanden ondersteunt en de culturele infrastructuur probeert te versterken (productie, distributie), viel het altijd weer op hoeveel belang mensen hechten aan verhalen, theater, muziek, dans. Gevraagd naar basisbehoeften benadrukten mensen naast water, voedsel en onderdak, kunst als vitaal onderdeel van het leven.

    Rebeccadrees noemt in een reactie nog steeds op het essay van Llike Polderman, de geneeskunde, natuurwetenschap en recht als ‘wetenschappen die zich over feitelijke vraagstukken ontfermen’, maar de geesteswetenschappen ontfermen zich dus evenzeer over vraagstukken of objecten die deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit en die realiteit mede bepalen. In die zin is een strikte scheiding tussen de vraagstukken van beide ‘soorten’ wetenschappen ook niet langer vol te houden. In het deel “En nu verder: culturele studies voor de eenentwintigste eeuw?” in Culturele studies. Theorie in de praktijk wordt onderschreven hoezeer de technologie een steeds sterkere greep op het dagelijks leven heeft en tegelijkertijd de geesteswetenschappen hier relevante dingen over kunnen zeggen omdat deze technische fenomen directe en ingrijpende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld definities als identiteit en subject. Hoe sommige kunstuitingen soms meer vertellen over depressie of emoties dan biologiehandboeken of hoe wetenschappelijke ontdekkingen als nanotechnologie onderdeel worden van het dagelijks leven en daarom niet alleen betekenis hebben in het laboratorium. Er wordt in het boek dan ook gepleit voor verregaande grensverkenning (172-173). Een voorbeeld van een kunstenaar die met zijn werk, http://www.studioroosegaarde.net/, de invloed van technologie op ons leven wil tonen is Daan Roosegaarde. Onze verhouding tot technologie wordt tezeer voorgesteld in apps en gadgets licht hij toe in een interview in NRC Next van 30 november 2010. Roosegaarde wil het idee van interactie losmaken van een product, het persoonlijker maken en voor hem is de cruciale vraag of de technologie ons helpt om meer mens te worden. Het idee van grensverkenning en interdisciplinariteit uit Culturele Studies. Theorie in de praktijk op een andere manier loslatend op onze praktijk, stel ik me voor hoe een literatuurwetenschapper als volgt bij kan dragen aan ontsluiting van een alternatief wereldbeeld of een bijdrage kan leveren aan vraagstukken waar bijvoorbeeld de geneeskunde zich mee bezig houdt. Neem een ‘gedragsstoornis’ als ADHD, een aandachts-tekort-stoornis met hyperactiviteit dat momenteel vaak bij kinderen wordt vastgesteld. Het is voorstelbaar dat de verschijnselen samenhangen met een afnemende aanwezigheid in de natuur, een voor mensen van oudsher natuurlijke omgeving. Amerikaans dichter Mary Oliver reikt met haar poëzie en essays evenzeer een mogelijke oplossingsrichting aan als dat de geneeskunde dat doet. Daar waar de geneeskunde het in geneesmiddelen zoekt, deze ontwikkelt en voorschrijft om de symptomen te bestrijden, pleit Oliver ervoor, niet in relatie tot ADHD overigens, kinderen de natuur voor te schrijven. ‘Give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lords of profit. Stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent beautiful blossoms’ (56). Oliver is niet heel bekend in Nederland en waarschijnlijk is literatuur in de geneeskunde als handreiking voor het zoeken naar een oplossingsrichting ook niet gangbaar. Maar wie weet wat de literatuurwetenschapper kan bereiken door deze literatuur in Nederland te ontsluiten en het in te brengen in het debat over ADHD als nader te onderzoeken oplossingsrichting. Wie weet blijkt een dagelijks portie natuur even effectief als een medicijn als retalin. Zomaar een voorbeeld van een toepassing, misschien niet direct voor de handliggend, maar evengoed concreet, nuttig en gericht op een feitelijk vraagstuk, namelijk hoe het komt dat zoveel kinderen kampen met hyperactiviteit of hun aandacht niet lang kunnen vasthouden. De literatuur verbeeldt in dezen een alternatieve leefstijl waarin de natuur een prominente rol speelt.

    Het belang van de geesteswetenschappen wil ik tot slot nogmaals benadrukken met navolgend citaat uit Culturele studies. Theorie in de praktijk:

    ‘Juist vandaag de dag lijkt de maatschappelijke en politieke discussie beheerst te worden door een begrip van “cultuur” dat heen en weer slingert tussen nationaal en religieus groepsdenken en wereldwijde commercie. In deze context pretendeert culturele studies niet het laatste woord te hebben of het superego van de humanities te zijn, maar wil ze steeds weer de kritische inzet van cultuur tonen. Want cultuur is tenslotte datgene wat onze directe dagelijkse leefomgeving en niet in de laatste plaats onszelf bepaalt’ (10).

    Bibliografie
    Baetens, Jan, et al. Culturele studies. Theorie in de praktijk. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2009.

    Butler, Judith. Excitable speech: a politics of the performative. New York: Routlegde, 1997.

    Césaire, Aimé. Notebook of a Return to the Native Land. Trans. and eds. Clayton Eshleman
    and Annette Smith. Middletown: Wesleyan University Press, 2001.

    Goethe, Johann W. Von. “World Literature”. Comparative Literature: The Early Years: An
    Anthology of Essays. Ed. Schulz, Hans Joachim. Chapil Hill: University of North Carolina
    Press, 1973. 3-11.

    Klemperer, Viktor. LTI. Notizbuch eines Philologen. Stuttgart: Reclam Tasschenbuch, 2007.

    Literatuur & Wetenschap, http://litwet.medialoperations.com/

    Oliver, Mary. Blue Iris. Poems and Essays. Boston: Beacon Press, 2004.

    Roosegaarde, Daan. http://www.studioroosegaarde.net/

    Spivak, Gayatri Chakravorty. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia
    University Press, 2003. 1-25.

    Van Adrichem, Arnoud. “‘Het postmodernisme voorbij? In gesprek met Thomas Vaessens”,

    http://www.literairtijdschriftparmentier.nl.

     
    • Avatar of yvonne

      yvonne 4:58 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Annemarie,

      Het is fijn te zien dat er ook na afronding van het vak deelnemers zijn die hier terugkomen, en al helemaal om een nieuw essay te lezen. Je roert ontzettend veel punten aan waarbij ik de behoefte voel om te reageren. Momenteel loop ik o.a. als hulpsint tegen een bekend fenomeen ‘gebrek aan tijd’ aan, maar ik zal me later in de maand in de door jou aangevoerde teksten/links verdiepen en reageren. Mocht het januari worden, dan hoop ik dat de website er nog is en anders vinden we wel een andere manier.

      hartelijks, Yvonne

      • Avatar of annemarie

        annemarie 2:09 pm on December 10, 2010 Permalink | Log in to Reply

        hi Yvonne, dank, misschien kunnen we eea eerder al combineren: volgende week (17/12) heb ik een programma in Perdu dat raakt aan essay hierboven – hoe schrijvers, kunstenaars zich weer vrij maken voor verbindingen en of er een nieuw ervaringsparadigma in de maak is… http://www.perdu.nl/agenda.cfm . misschien heb je zin en tijd om te komen – kunnen we het er ‘live’ over hebben aan de bar. En ja, poezie Cesaire en Oliver kan ik van harte aanbevelen. Leuk, zie uit naar jouw reacties! anders mailen we wel mocht site niet meer online staan. ciao Anne-Marie

    • Avatar of yvonne

      yvonne 5:16 pm on December 11, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey hoi, Anne-Marie,
      Had het interessante programma voor de 17e gezien, maar zit die avond in het Concertgebouw (Haitink). Ik ben vorig semester bij de avond in Perdu over Vaessens ‘Revanche van de roman’ geweest. Daar sprak Nicoline ook, o.a. over DFW/’Do you feel it too’ (niet zonder emotie!). Césaire was me bekend, Oliver nog niet, gaat op de ‘to read list’.
      Ik wens je alvast een mooie/goede Perdu-avond en we bereiken elkaar wel.
      Grtz, Yvonne

  • Avatar of ellenswart

    ellenswart 12:11 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Goethe, ,   

    Brug tussen verbeelding en cultuur 

    “Kan de verbeelding de wereld veranderen? En heeft literatuur de literatuurwetenschap hiervoor nodig?” Dit waren de vragen waar ons afgelopen college mee eindigde. Als ik een antwoord op de eerste vraag zou moeten geven, zou ik heel hard “JA!” willen roepen. Maar als iemand me de tweede vraag zou stellen, zou ik eerder “mmmnnmnnouu…” mompelen.

    Laat ik allereerst ingaan op mijn enthousiaste uitroep. Verbeelding kan mijn perspectief veranderen; zo kan ik veel leren van mijn eigen verbeelding maar ook van andermans verbeelding. Een van de taken van de literatuurwetenschap is uiteraard het laatste; het afleiden van ‘iets’ vanuit een literair werk. Dat ‘iets’ kan sterk variëren; van de menselijke psyche (waarbij de psychoanalytische methode ons kan helpen), tot aan culturele aspecten. Ik sluit me hier dus bij Spivak aan, wanneer zij zegt dat een literair werk een cultuur geraffineerd kan verbeelden. De verbeelding van de auteur gaat hier over in de beeldvorming door de lezer. En aangezien het beeld dat we van een onderwerp hebben bepaalt hoe we ermee omgaan, zou ik zeggen dat de verbeelding inderdaad iets kan veranderen.
    Maar heeft literatuur de literatuurwetenschap daar dan ook voor nodig? Enerzijds ben ik wel verplicht te zeggen dat alleen de literatuurwetenschapper met zijn getrainde leeshouding in staat is de zogenaamd verborgen elementen uit een tekst te halen. Immers, als ik zou beweren dat de ‘gewone lezer’ net zo goed in staat is deze elementen te herkennen, zou ik mijn toekomstige beroep als vrij overbodig bestempelen. Maar om de door de literatuurwetenschapper behaalde resultaten iets toe te laten voegen aan het globale maatschappelijke debat, is de hulp van instituties nodig. En deze instituties hebben weer economische belangen, waardoor de wereldvrede die Goethe voor ogen stond, onder vrij grote druk komt te staan… Ik zal hier toch ook een wat meer hoopvolle benadering tegenover zetten: zodra een bepaald onderzoeksresultaat is gepubliceerd, krijgt het wat bekendheid in de academische kringen. Deze academische kringen zouden weer in contact kunnen staan met publieke kringen, waardoor tevens het publieke debat in aanraking zou kunnen komen met de grote lijnen van de onderzoeksresultaten. De literatuurwetenschapper als een vlinder die met zijn vleugelslag een aardbeving in de maatschappelijke orde teweegbrengt! Maar zou het niet nog beter zijn als de wetenschapper een wat meer publieke functie zou krijgen? Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Robbert Dijkgraaf, die regelmatig aan de tafel van de Wereld Draait Door aanschuift en daarmee verschillende onderzoeken bekendheid geeft.
    Met de area studies van Spivak in het achterhoofd heb ik mezelf tevens de vraag gesteld of de literatuurwetenschap zoals we die vandaag de dag (aan de UvA) beoefenen, wel toereikend genoeg is om iets over een cultuur te zeggen. Is die taak niet meer weggelegd voor de verschillende taal- en cultuurstudies? De kennis van de literatuurwetenschapper over de betreffende cultuur steekt immers schril af tegen deze potentiële spionnen. Want kunnen we niet pas werkelijk iets over een werk zeggen als we de context waarin het geschreven is én waarover het handelt optimaal kennen? Als we deze specifieke taak aan de taal- en cultuurstudies over zouden dragen, komen daar natuurlijk nog wel wat meer hervormingen bij kijken. Op dit moment is alleen het college ‘Inleiding literatuurwetenschap’ verplicht bij de taal- en cultuurstudies, en tellen ze daarnaast nog twee of drie letterkundevakken. Deze ‘inleiding’ in de literatuurwetenschap zou op zijn minst uitgebreid moeten worden met een vak als ‘Literatuur en wetenschap’ zodat de taal- en cultuurstudenten op hun beurt weer kunnen reflecteren op het vraagstuk dat ik hier behandel en zich bewust worden van hun functie in het maatschappelijk debat.
    Maar dan blijft het natuurlijk de vraag welke taak er voor ons literatuurwetenschappers overblijft… Wanneer wordt onze theoretische kennis dan nog benut? En hoe voorkom je dan bovendien dat de bachelor Engelse taal en cultuur zes jaar duurt? Mijn wat meer realistische voorstel is dan ook een nauwe samenwerking te creëren met de taal- en cultuurstudies zodat bruggen kunnen worden gebouwd en het pad naar Goethe’s wereldvrede daarmee langzaam toegankelijker wordt…

     
    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 12:45 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ellen,

      ik quote: “Want kunnen we niet pas werkelijk iets over een werk zeggen als we de context waarin het geschreven is én waarover het handelt optimaal kennen?”

      Persoonlijk denk ik dat het hier juist niet over gaat. Laat ik dit nuanceren, ik denk dat het soms van belang kan zijn om inderdaad zoiets als de context van het werk mee te nemen in een analyse/bespreking, maar vaker wel dan niet zouden we dit los moeten koppelen. Ten eerste hoeft een werk zijn cultuur niet te weerspiegelen. Daarnaast ga je er met dit citaat ervan uit dat er in een tekst maar 1 waarheid zit, namelijk de cultuur waarvan het vandaan komt. Dit terwijl een andere, compleet van de cultuur losstaande interpretatie even waar kan zijn en niet minderwaardig is. Tot slot ga je ervan uit dat een tekst een bepaalde boodschap bevat – dit hoeft echter niet zo te zijn. Een goed voorbeeld hierbij vinden we terug in de deconstructie, wanneer een tekst zichzelf tegenspreekt.

      Een ander punt waar ik met je van mening verschil vind ik terug in je laatste zin: “Mijn wat meer realistische voorstel is dan ook een nauwe samenwerking te creëren met de taal- en cultuurstudies zodat bruggen kunnen worden gebouwd en het pad naar Goethe’s wereldvrede daarmee langzaam toegankelijker wordt…”

      Met name wil ik ingaan op het toegankelijkere pas naar Goethe’s wereldvrede. Ik denk dat als we uberhaupt meer begrip krijgen in en van elkaars culturen, dat dat vrijwel los staat van de vrede – of sterker nog, de wereldvrede. Ik denk niet dat conflicten gebaseerd zijn op onbegrip, maar op macht en uitsluiting.

      • Avatar of ellenswart

        ellenswart 7:44 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Britt,

        Oei ik was even vergeten dat mijn tekst door literatuurwetenschappers gelezen wordt; de woorden gaan alweer een eigen leven leiden :) Ik ben bang dat ik mezelf niet goed genoeg heb uitgedrukt. Ik ben namelijk helemaal niet van mening dat een literair werk alleen maar kan worden begrepen als de context ervan bekend is.. Ik heb mijn tekst alleen geschreven vanuit een bepaald uitgangspunt; het gebruiken van teksten voor cultuurgerelateerde doeleinden. En als je literatuurwetenschap dus wilt zien als de discipline die meer begrip voor culturen teweeg kan brengen, ben ik van mening dat we daar de taal- en cultuurstudies bij nodig hebben.
        Overigens geloof ik wel dat een werk kenmerken van een cultuur bevat omdat deze ontzettend diepgeworteld zitten in de auteur. Daarnaast denk ik niet dat deze culturele elementen elkaar tegen kunnen spreken maar wél dat wat er gezegd wordt, verschilt van de eerste aanname van de lezer. Er is dus wel een mogelijkheid voor subversie. Maar de cultuur behelst zo ontzettend veel, dat deze onvermijdelijk terug te zien is in de tekst.

        Op het punt van de wereldvrede geldt eigenlijk hetzelfde verhaal: ik probeerde in mijn stuk Goethe’s ideaal beter toepasbaar te maken – wat dus niet wil zeggen dat ik geloof dat wereldvrede bereikt zal zijn zodra culturen elkaar hebben leren kennen. Ik denk dat macht hierbij namelijk inderdaad een grote rol speelt (al zie ik het niet als de enige rol)en wereldvrede onbereikbaar is.

        Ik heb dus vooral geprobeerd in het aangereikte straatje te denken, in plaats van de meningen van Spivak en Goethe radicaal omver te werpen.

    • Avatar of margareth

      margareth 11:01 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Dag dames, 2 opmerkingen van mijn kant. Volgens mij kan een tekst die zichzelf tegenspreekt toch zeker ook een boodschap in zich dragen en als tweede kunnen conflicten zo complex in elkaar zitten dat het niet alleen een kwestie hoeft te zijn van macht en uitsluiting maar ook een mate van onbegrip. Het is eerder – + – dan – of – Onbegrip hoeft niet perse bewust plaats te vinden maar vaker juist onbewust omdat mensen ondanks hun gezamenlijke achtergrond toch verschillend opgroeien. Genoemde macht en uitsluiting lijken me vaker meer bewust toegepaste kunstgrepen.

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 7:32 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Margareth,

      wat ik wilde duidelijk maken is dat een tekst niet persé 1 boodschap hoeft te bevatten. Mijn reactie was ook een reactie op het essay, dat er vanuit gaat dat alleen een tekst met de context van een cultuur begrepen kan worden. Hiermee suggereer je dat er maar 1 juiste benadering/begrip van de tekst mogelijk is. Wanneer een tekst zichzelf tegenspreekt, sluit dit het hebben van 1 interpretatie uit. Daarnaast kan een tekst ook de cultuur waar het vandaan komt zichzelf tegenspreken.

      Een universeel begrip is onmogelijk aangezien waarheden in verschillende discoursen met elkaar botsen. Wat in het ene discours waar is, kan voor het andere discours niet waar zijn. Ze hebben dan beiden andere waarheden. Begrip in de zin van acceptatie is dus onmogelijk. Eventuele tolerantie is niet onmogelijk, maar wel ontzettend moeilijk doordat de macht de tolerantie tegengaat.

    • Avatar of Jeroen

      Jeroen 2:33 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik zou graag iets nieuws in willen brengen in de ideeën over het ‘nut’ van literatuurwetenschappen. Het nut is en zal naar mijn idee altijd moeilijk te definiëren zijn. Als het dat niet meer is, verliest het haar eigenheid en dus ook haar kracht. Wat het volgens mij altijd zal moeten en blijven doen is het opleiden van kritische en belezen individuen, die dan op één of andere manier hun nut zullen hebben in de maatschappij en wellicht ook zullen helpen wereldvrede te bewerkstelligen. Op het moment dat het met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht.

      • Avatar of jorisbrakkee

        jorisbrakkee 2:26 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Een goed punt Jeroen. Bij het lezen van bovenstaand essay was het eerste dat ik dacht dat we best mogen zeggen met zn allen dat literatuurwetenschappen geen nut heeft. Waarom zou een studie nut moeten hebben? Ja, verbeelding kan in mijn ogen ook de wereld veranderen, maar nee, een literatuurwetenschapper is daar niet bij nodig. Mensen lezen boeken, welke boeken ze zelf willen, en hun verbeelding wordt daarbij aan het werk gezet op allerlei manieren, manieren die een literatuurwetenschapper niet kan sturen, veranderen, of wat dan ook. Wij literatuurwetenschappers lezen ook boeken en hebben daar weer hele andere gedachten bij, en hele andere verbeeldingen, maar of wij dan met onze verbeeldingen en gedachten moeten gaan proberen de wereld te veranderen, wereldvrede te stichten, de honger op te lossen, etc, alleen maar omdat wij vier jaar literatuurwetenschappen gestudeerd hebben? Nee. Ieder mens verandert de wereld, en dat komt gedeeltelijk door verbeelding en door de boeken, films, kunstwerken, artikelen etc die we lezen, maar ook voornamelijk door die mensen zelf. Laten wij de mensen zijn die zoals Jeroen zegt kritischer en belezener zijn dan de gemiddelde mens, die hun verbeelding hebben laten werken op heel veel boeken en artikelen over boeken en die daardoor elk hun eigen verbeelding hebben, en die misschien beter in woorden kunnen overbrengen, en daardoor misschien elk op onze eigen manier een nut zullen hebben in de wereld. Maar laten we niet tot doel stellen van de literatuurwetenschap om wereldvrede te bewerkstelligen, of de wereld beter te maken, of dergelijke zaken, dat zijn veel te zware onderwerpen om de verbeelding mee op te zadelen.

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 10:44 pm on October 20, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Joris,

      volgens mij heb je niet goed begrepen wat Jeroen precies zegt. Hij zegt namelijk niet dat de literatuurwetenschap geen nut heeft, hij zegt dat dit zogenaamde nut altijd moeilijk te definieren zal zijn bij lit.wetenschap en dat dit juist ons kenmerkt.

      Echter wil ik nog even op Jeroen’s post ingaan. Jeroen, je zegt dat op het moment dat we met specifiekere doelen gaan werken, we onze kracht zullen verliezen. Ik ben het hier met je oneens. Ik denk niet dat we onze kracht zullen verliezen, ik denk alleen dat we ons niet op 1 bepaald doel moeten richten, maar op meerdere – immers, alleen zo komen we verder.

      Daarnaast, wereldvrede is denk ik niet te bewerkstelligen. Noem het pessimistisch, of misschien eerder realistisch. Wereldvrede heeft minder te maken met dingen zoals begrip, maar juist met macht uitvoeringen. Maar hierover heb ik mijn mening al in enkele posts hierboven laten gelden.

    • Avatar of clau

      clau 1:05 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Ellen,
      ‘Kan de verbeelding de wereld veranderen?’ Zoals je zelf zegt is een eenduidig antwoord op deze vraag nauwelijks mogelijk.
      Het is wel zo dat de literatuur in het verleden steeds opnieuw juist dit heeft geprobeerd. Dit begon- natuurlijk- bij Aristoteles, maar ook tijdens de Verlichting ging men ervan uit dat literatuur een beschavende functie zou kunnen hebben. Ik geloof trouwens nog steeds dat literatuur een beschavende functie heeft, ook al is dat misschien niet langer haar intentie.
      Ook in de Romantiek wilden dichters en kunstenaars de wereld veranderen, uitgaande van de verbeelding en het sublieme. En tenslotte hebben we Sartre en Brecht en geëngageerde literatuur.
      Ik vind dat literatuur bij vlagen best eens geëngageerd mag zijn, maar puur geëngageerde kunst is saai saai saai. Kunst moet verontrusten, grenzen opzoeken, en mag daarbij doelloos rondtollen, provoceren zonder oplossingen aan te dragen, uitdagend of ingetogen zijn…
      Literatuurwetenschappers aan de andere kant zijn in de eerste plaats geen kunstenaars. En ‘gewone’ mensen vinden ons vakgebied toch bij voorbaat al saai saai saai, dus waarom zouden we als literatuurwetenschappers niet nadrukkelijker een plek in het publieke debat opeisen? Geëngageerde literatuurwetenschap, is dat misschien de brug tussen verbeelding en cultuur?
      Jeroen schrijft: ‘Op het moment dat het met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht.’ Hmmmm. Dat is wel een mooie poëtische zin waarin onschuld met kracht wordt geassocieerd. Ik vraag me echter af of de literatuurwetenschap wel zo’n onschuldig vakgebied is. Zeker, we zijn allemaal vredelievende mensen, maar is de gemiddelde mens dat niet ook? Is het niet alsnog mogelijk, om al naar gelang de heersende omstandigheden een tijdelijk doel en een tijdelijk nut na te streven en dat op een gegeven moment weer te verwerpen?

    • Avatar of jwhiah

      jwhiah 9:13 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      1. Clau schrijft dat Jeroen schrijft: ‘Op het moment dat het [literatuurwetenschap] met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht’.

      Met deze zin heb ik erg veel moeite en zet ik dan ook zo mijn vraagtekens bij. Als ik het goed interpreteer ga je hier uit van het niet hebben van een specifiek doel in de opleiding literatuurwetenschap.
      Maar is de manier waarop wij, studenten, opgeleid worden ook al niet een specifiek doel op zich? We krijgen bepaalde verplichte vakken die we moeten volgen, we worden op een bepaalde manier klaargestoomd voor toetreding tot de ‘grote mensen wereld’. Ik sluit mij hierbij aan bij Clau: ik denk niet dat literatuurwetenschap een onschuldig vak is. Waarom pretenderen we überhaupt dat literatuurwetenschap zo een onschuldig vak is. Door iets aan te merken als doelloos, onzichtbaar en dus onschuldig gaat er bij mij juist een alarm rinkelen. Ook in de literatuurwetenschap is er sprake van uitsluiting; waarom lezen we bijvoorbeeld Coetzee en niet Ronal Giphart? Juist specifiek zijn, naar buiten treden met een bepaald doel, en dit doel ook als zodanig erkennen. Dat is belangrijk.

      2. Literatuurwetenschap, kampt, net zoals veel andere wetenschappen, met een kloof tussen het publiek, de burgers, en de wetenschap zelf. Het claimen van een positie in het publiek debat, zoals Clau voorstelt, dat vind ik een erg belangrijk punt. De wetenschapper zou ook naar mij smaak meer geëngageerd te werk mogen gaan. Politiek en Literatuurwetenschap, dat klinkt toch niet erg buitenaards als je bedenkt dat een discipline als de retorica al eeuwenoud is. Bovendien denk ik ook dat deze geëngageerdheid ook het punt is waar de Certeau op duidt. Wij zijn als literatuurwetenschappers niet beperkt tot het literatuurwetenschappelijk discours en daar zou gebruik van gemaakt moeten worden. Of wereldvrede haalbaar is? Ik denk het niet, maar de kloof is niet onoverbrugbaar.

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 3:01 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        De definitie van literatuurwetenschap zal, net als haar ´nut´, altijd lastig blijven. Ik denk echter wel dat er een rol is wegelegd voor de literatuurwetenschap. is het immers niet ook belangrijk om de duiding die in principe iedere lezer kan distilleren ook historisch wordt geplaatst in een context. hier zie ik de grootste taak van de lit wetenschap omdat door een historische combinatie van teksten er overeenkomsten kunnen worden gevonden.

  • Avatar of geerte

    geerte 11:46 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Goethe,   

    John Keating als ‘foreign literature’ 

    “Left to itself every literature will exhaust its vitality, if it is not refreshed by the interest and contributions of a foreign one.” (Goethe 1973, p.8)

    Wanneer we deze quote van Goethe lezen zien we dat hij, net als Spivak, vindt dat je je niet alleen bij je eigen literatuur moet houden, maar ook moet openstaan voor buitenlandse literatuur. Goethe pleit dan ook voor een wereldliteratuur waardoor we elkaar beter zouden begrijpen. Als we kijken naar de film Dead Poets Society, dan kunnen we in zekere mate een vergelijking maken met Goethe’s wereldliteratuur. Welton zou gezien kunnen worden als een land met zijn eigen regels, cultuur en literatuur. De inwoners van dit land, in dit geval de docenten en leerlingen, weten niet beter dan deze cultuur. De nieuwe docent, John Keating, staat in dit geval voor de buitenlandse literatuur, de vreemdeling die de school op een andere manier benadert en de leerlingen doet opleven en laat zien dat ze ook met passie voor iets kunnen gaan. Terugkijkend op de quote van Goethe zijn het de bijdragen van Keating die de traditionele cultuur op die school een nieuwe kijk geeft waardoor deze opfrist.

    Niet alleen Goethe zegt dat wereldliteratuur zich alleen maar kan ontwikkelen wanneer alle landen, of in het geval van Dead Poets Society, alle partijen, elkaar kennen. Spivak deelt deze mening en zegt dat je je in elkaar moet verdiepen, je moet elkaar kunnen begrijpen. Dit is ook het geval in de film. De leerlingen gaan eerst tegen de regels en waarden van de school in, maar aan het eind van de film zijn ze mede door de Dead Poets Society toch terug naar de waarden waar ze voorheen tegen waren. Goethe zegt ook: “Only, we repeat, the idea is not that the nations shall think alike, but that they shall learn how to understand each other, and, if they do not care to love one another, at least that they will learn to tolerate one another.” (Goethe 1973, p.8) De jongens worden op Welton opgeleid tot kopieën van elkaar. Allemaal worden ze verwacht later grote dingen te gaan doen en hoge posities te bekleden in de rechten en medicijnen, maar Keating leert ze echter voor zichzelf te denken en hun passies achterna te gaan tot op zekere hoogte. Je zou hier kunnen stellen dat het doel van literatuur, en zeker buitenlandse literatuur, is om voor jezelf te leren denken.

    “Two roads diverged in the woods, and I, I took the one less travelled by, and that has made all the difference.” (John Keating quoting Robert Frost – The Road not Taken). Dit zijn de woorden waarmee John Keating zijn leerlingen duidelijk maakt dat zij hun eigen weg moeten gaan. Ze zijn zo geïndoctrineerd dat ze tijdens de scene op het plein automatisch in de pas gaan lopen als ze gewoon vrij lopen en ook in de rest van de film zie je dit soort situaties. Zijn boodschap is dat we niet allemaal hetzelfde hoeven te zijn, maar je moet elkaar wel begrijpen. Door de Dead Poets Society begrijpen de jongens de waarden van de school meer en ook al zijn ze het er niet altijd mee eens, ze weten wel beter dan aan het begin van de film waarom die waarden er zijn. Deze boodschap komt overeen met de gedachtes van zowel Goethe als Spivak.
    “But the road which they pursue, the pace which they keep, is not to everybody’s liking; the particularly aggressive wish to advance faster, and so turn aside, and prevent the furthering of that which in turn could further them. The serious-minded must therefore form a quiet, almost secret, company, since it would be futile to set themselves against the current of the day; rather must they manfully strive to maintain their position till the flood has passed. ” (Goethe 1973, p. 10)

    Eerder is gezegd dat Keating de jongens voor zichzelf leert denken tot op zekere hoogte. Die zekere hoogte komt goed aan bod in bovenstaande quote van Goethe. Zowel de quote van Keating als van Goethe gaat over de weg die ze bewandelen en dat ze niet hetzelfde pad en dezelfde snelheid moeten nemen. Goethe zegt echter dat je je stil moet houden totdat de rest weg is en dat doen de jongens in de vorm van de Dead Poets Society. Wat dat betreft past deze quote perfect bij de film.

    Keating als vorm van buitenlandse literatuur lijkt misschien ver weg, maar als je nogmaals naar de film kijkt en de tekst van Goethe leest zie je wel degelijk overeenkomsten. Beiden gaan over een land/school met zijn eigen cultuur en regels die wakker worden gemaakt door de komst van buitenlandse literatuur/een buitenstaander. Door deze buitenlandse literatuur/buitenstaander komt er uiteindelijk meer begrip in eigen land/school. Natuurlijk komt niet alles uit de tekst en de film overeen, maar feit blijft wel dat ze gaan over de vrijheid die je soms hebt en over elkaar begrijpen. En met name elkaar begrijpen is belangrijk, want zeg nou zelf, wie wil er nu geen betere wereld?

    Literatuur:

    Dead Poets Society. Reg. Peter Weir. Touchstone, 1989.

    Goethe, J.W. von. “Worldliterature”. Shultz, H.J. ed. Comparative Literature, the Early years: an anthology of essays. Chape Hill. Univeristy of North Carolina Press, 1973 (3-11).

     
    • Avatar of thomashvv

      thomashvv 11:20 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Geerte, bedankt voor je heldere verhaal, waar ik me grotendeels in kan vinden. Ik snap alleen één ding niet helemaal; je vergelijkt Goethe en (de rol van) Keating (in Dead Poets Society) in zoverre dat ze allebei pleiten voor ‘vrij’ denken, voor het tegengaan van hokjesgedrag. Dat klopt, maar hebben hun verhalen niet uiteindelijk toch een wezenlijk verschillende strekking? Want Goethe zegt, zoals je begincitaat ook duidelijk maakt, dat literatuur door invloeden van andere literaturen (= andere culturen) moet worden verfrist/in leven moet worden gehouden, terwijl Keating zijn leerlingen juist volhoudt: volg niet wat je om je heen ziet, volg jezelf. Je kan dus weliswaar zeggen dat ze zich allebei niet willen binden aan het gangbare, maar dat doen ze dan wel op een volkomen verschillende manier – dat zie ik niet terug in jouw verhaal. Want je zou kunnen stellen dat Keating met zijn lessen een beroep doet op het innerlijk van zijn leerlingen – hij zegt: ga je ware passie achterna, volg niet een van tevoren vastgelegde route als je dat niet wilt – terwijl Goethe juist wijst naar iets externs (andere culturen, andere literaturen). Of zie ik dat verkeerd?

      • Avatar of Jeroen

        Jeroen 3:01 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik denk dat je Keating’s les ook zo kan lezen: ‘Volg je ware passie, waar die ook heen leidt, zolang het maar naar de klassiekers van de Angelsaksische cultuur is.’

        Maar dat is in mijn ogen te beperkt, want het feit dat hij zijn leerlingen niet direct naar bijv. midden-oosterse poëzie leidt kan je ook zien als een nodige concessie aan de cultuur van Welton, of gewoon een praktisch keuze. Je moet ten slotte érgens beginnen met poëzie te leren lezen, en de Angelsaksische klassiekers zijn dan het meest toegankelijke, en zeker niet van mindere kwaliteit.

        Dus zo bezien is de kloof tussen Keating en Goethe een stuk minder groot, en is het grootste verschil tussen hen dat Keating op een andere manier rekening houdt met zijn omgeving en het feit dat hij zeventienjarigen voor zich heeft. Zijn lesmethode kan dan gezien worden als een aan de ‘harde praktijk’ aangepaste toepassing van Goethe’s gedachtegoed.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 12:03 am on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Je zegt dat Keating de jongens leert om voor henzelf te denken. Maar is dat eigenlijk wel zo? Eigenlijk denken de jongens toch helemaal niet voor zichzelf, ze volgen alleen maar op wat Keating hen verteld te doen, wat uiteindelijk weer terug te leiden is naar dezelfde normen en waarden van de school. En ik weet ook niet of ze na de komst van Keating nu een beter begrip hebben van die normen en waarden, want ze denken nog steeds dat ze subversief bezig zijn, terwijl dat eigenlijk niet het geval is.

    • Avatar of myrthe

      myrthe 12:52 pm on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Je stelt in je essay :” Zijn boodschap is dat we niet allemaal hetzelfde hoeven te zijn, maar je moet elkaar wel begrijpen.Door de Dead Poets Society begrijpen de jongens de waarden van de school meer en ook al zijn ze het er niet altijd mee eens, ze weten wel beter dan aan het begin van de film waarom die waarden er zijn.”

      Dat ze deze waarden begrijpen is toch een teken dat de jongens juist niet voor zichzelf denken, ze lopen dan zogezegd in de pas van de school. Aan het eind van de film eert de klas de leraar door op de tafels te gaan staan, zelfs de jongen die het gedicht schreef van “the cat, sat on the mat” etc. Deze jongen intrigeerde mij.
      Tijdens de lessen van Keating is hij ongeinteresseerd en laat zich niet inspireren, hij accepteerd geen enkele leraar, want deze hebben de macht.
      Mogelijk is hij een symbool voor een jongen die in elke middelbare schoolklas te vinden is, maar het kan ook zijn dat zodra deze leraar niet meer in het systeem past hij zijn medeleerlingen volgt door op de tafel te gaan staan omdat dit nu eenmaal afwijkend gedrag is. Hij is de enige die elke vorm van geaccepteerde autoriteit af wijst. Het lijkt alsof de keuze die hij maakt autonomer is dan die van de andere leerlingen.

      • Avatar of crispiness

        crispiness 9:16 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Helaas weten we niet waarom deze dichterlijke jongen, kort door de bocht als hij is, elke vorm van autoriteit afwijst. Heeft hij hier diep over nagedacht, of wijst hij elke vorm van autoriteit van de hand als een vorm van puberale rebellie? Hersenloos de regels expliciet niet volgens is net zo slaafs als de regels wel volgen zonder ze eerst kritisch te beschouwen.
        Het volgen of niet volgen van de regels is niet het teken van autonomiteit. Het gaat er om of de studenten de regels volgen nadat ze erover nagedacht hebben – als ze er kritisch naar gekeken hebben. Wellicht is het navolgen van Keating in zijn kritischere wereldbeeld niet authentiek, maar aangezien de Dead Poets en de andere leerlingen die op de tafels gaan staan uiteindelijk zelf die keuze maken, valt er bij hun wel van een zekere mate van autonomiteit te spreken. (Dit geldt overigens ook voor de leerlingen die pertinent niet op tafel gaan staan omdat ze het niet eens zijn met Keating’s lesmethode, bijvoorbeeld.)

    • Avatar of jwhiah

      jwhiah 1:26 pm on October 24, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi hoi Allen,

      Ik vroeg mij af: Nu wordt er over Keating gesproken als diegene die de jongens juist heeft geleerd over de waarden van de universiteit. Maar ik had de film ook nog op een andere manier opgevat. De clash tussen disciplines. Literatuur versus advocatuur/ geneeskunde/ bedrijfskunde etc. Leert Keating de jongens niet ook de waarden van de literatuur, van de geesteswetenschappen? Dit zie je bijvoorbeeld terug in de jongen die uiteindelijke zelfmoord pleegt. Hij verzet zich tegen de ideeën van zijn vader, en ambieert een carrière op het toneel. Je kunt dit enerzijds zien als ver doorgevoerde disciplinering dat heeft geleid tot daadwerkelijke zelfmoord, maar anderzijds is dit niet toch een daad van verzet? Ik zou graag willen weten hoe dit door jullie wordt gezien/ opgevat!

      • Avatar of ellenswart

        ellenswart 11:19 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Jing,

        Ik denk niet dat Keating alleen de geesteswetenschap voorstaat. Ik denk namelijk dat hij de leerlingen vooral een bepaalde levenswijze mee wil geven, en dat lijkt mij los van disciplines te staan. Wat betreft dat voorbeeld van Neil, ik denk dat Keating de jongen vooral wil aanmoedigen datgene te doen waar hij zich het gelukkigst bij voelt. Maar als de jongen had gedroomd van een carrière in de advocatuur terwijl hij nu geneeskunde studeert, had Keating de jongen denk ik aangemoedigd met zijn vader te praten over een rechtenstudie.
        Wat Keating de jongens naar mijn mening dus vooral wil meegeven, is een zelfbewuste houding.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 4:49 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Interessant essay Allen !
      Toen ik naar de film keek zag ik Keating als ”’de vrijheid in het denken” en Nolan (het hoofd van de school) als de discipline. Dit zie je ook terug in de relatie met Neil (de jongen die zelfmoord pleegt) en zijn vader. Neil is degene die tussen deze twee dingen moet kiezen. Ik vind Neil zich niet ”verzetten” tegen zijn vader of tegen de discipline, hij doet immers alles wat zijn vader van hem vraagt (behalve acteren). Door de invloed van Keating besluit hij toch te doen wat hij (ook) leuk vindt; acteren. Op de lange termijn is dit de oorzaak van de zelfmoord.
      Deze strijd tussen de vrijheid om te doen wat je leuk vindt en de discipline zie je goed terug in de scene waar Keating met de klas buiten staat en een soort mars loopt…daar zegt hij iets in de trad van:
      If you noticed everyone started of with their own stride, their own pace (…) en daarna zegt hij ”the difficulty in maintaing your own beliefs in the face of others” (..) Dit citaat is volgens mij erg belangrijk in de film als we kijken naar de spanning tussen Keating en de school of Neill en zijn vader.

    • Avatar of winonah

      winonah 10:23 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Je maakt een interessante vergelijking tussen de tekst van Goethe en de film Dead Poets Society. Ik zie Keating alleen niet als een voorbeeld van buitenlandse literatuur. Goethe heeft het bij de Weltliteratur ook over een soort wisselwerking, en dit zie ik bij Keating in die positie niet echt terug. Hij is inderdaad een buitenstaander in de zin dat zijn lesmethodes verschillen van de andere docenten, maar ik zie hem wel echt als deel van het instituut.
      Het citaat van Goethe past inderdaad perfect bij de Dead Poets Society.
      Verder schrijf je “door deze buitenlandse literatuur/buitenstaander komt er uiteindelijk meer begrip in eigen land/school”, maar hoe ie jij dan het meer begrip in eigen school naar voren komen in de film? ben benieuwd.

  • Avatar of Gerda

    Gerda 9:26 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Gayatri Chakravorty Spivak, Goethe, Judith Butler   

    Gevangen in woorden 

    Zowel Johan W.von Goethe (Schulz, 11) als Gayatri Chakrovorty Spivak zien literatuurwetenschap als een manier om de wereld te veranderen. In mijn betoog laat ik zien dat dit niet mogelijk is, maar dat de literatuurwetenschap wel een bijdrage kan leveren tot een beter begrip tussen mensen onderling. Daarmee leidt de literatuurwetenschap weliswaar niet direct tot een betere wereld of sterker nog, tot wereldvrede, maar geeft het wel een aanzet tot een andere wereld met meer begrip voor elkaar.

    Goethe kwam lang voor Spivak met het begrip “Weltliteratur’ dat voor hem een manier van leven was. De wereldliteratuur kan zich volgens Goethe ontwikkelen als de verschillende landen over en weer communiceren over de literatuur: ideeën omarmen, imiteren en/of verwerpen (Schulz, 11).
    Met haar boek Death of a Discipline geeft Spivak aan dat de literatuurwetenschap grensoverschrijdend moet zijn. Maar welke grenzen worden bedoeld; geografische grenzen, grenzen van gender, seksualiteit of nationaliteit?. De geografische grenzen verdwijnen meer en meer, maar daarvoor in de plaats komen andere grenzen terug: “[…]Part of this uncertain future is the growing virtualization of frontiers. What we are witnessing in the postcolonial and globalizing World is a return of the demographic, rather than territorial, frontiers that predate and are larger than capitalism” (Spivak ,15)

    Spivak stelt dat dankzij de globalisering grenzen overschrijden in de Westerse wereld steeds eenvoudiger is geworden, dit in tegenstelling tot de rest van de wereld waarin het steeds moeilijker wordt om grenzen heen te gaan. Een moeilijkheid hierbij is dat de Westerse literatuurwetenschapper de grenzen bepaalt. Hij bepaalt wat literatuur is en heeft hier dus de grenzen aangegeven die universeel moeten gelden. Maar de vraag is of de normen van de westerse wereld ook gelden in de niet-westerse wereld. Daarom propageert Spivak de literatuurwetenschapper als homo universalis. De literatuurwetenschapper moet de talen zo goed mogelijk beheersen om zodoende niet alleen heel exact te kunnen vertalen, maar ook om het gevoel, de achterliggende gedachte van een tekst goed te kunnen weergeven.
    Het is evident dat hiermee geen eind komt aan de problemen die vertaalde teksten oproepen.
    Want, hoe goed we een tekst ook vertalen, we hebben altijd te maken met de cultuur van het land, de streek of de bevolkingsgroep waaruit de tekst voortkomt. Niet alleen het referentiekader van de vertaler en literatuuronderzoeker speelt hierbij een rol, maar ook dat van de ‘gewone’ lezer.
    Een voorbeeld hiervan is de discussie die enkele jaren geleden in de Verenigde Staten speelde. Het Amerikaanse Volkslied was vanuit het Engels in het Spaans vertaald. Dit riep grote weerstand op bij een groot deel van de Amerikaanse bevolking. Dit voorbeeld laat duidelijk de betekenis van taal en betekenis zien: In de eerste plaats de taal, omdat het volkslied, bij de vertaling naar het Spaans qua tekst is aangepast, zodat de Spaanstalige immigranten in de VS de volle betekenis van het volkslied konden doorgronden. De kritiek richtte zich op de vertaling, omdat deze niet letterlijk vertaald was. Veel Amerikanen voelden dit als een belediging omdat nu volgens hen de essentie van het volkslied nu was verdwenen. Ten tweede, de betekenis van de vertaling van het Engels naar het Spaans: Door het volkslied in het Spaans te vertalen, en doordat deze vertaling uitgebracht werd kort voordat de Senaat zich zou buigen over de immigratieregels, kregen sommige Amerikanen het gevoel dat ‘de immigranten’ Amerika zouden overnemen. Hierbij is dus niet de letterlijke vertaling het voornaamste, maar een gevoel dat in de Amerikaanse cultuur zit, waarbij ‘anderen’ niet aan hun (het Amerikaanse) volkslied mogen komen. De tijdgeest van het moment speelt hierbij dus ook een rol. Met dit voorbeeld wordt ook duidelijk dat alleen een tekst kunnen vertalen niet voldoende is, om een schrijver of een tekst volledig te kunnen begrijpen is kennis van de cultuur en van de periode in de geschiedenis waarin iets gebeurt onmisbaar. Dat is niet alleen tegenwoordig het geval, ook in de jaren zestig speelde dit al.
    De Washington Post (Montgomery) schreef letterlijk over de culturele boodschap die het volkslied heeft voor de Amerikanen:
    “Nuestro Himno” is as fraught with controversial cultural messages as the psychedelic “Banner” Hendrix delivered at the height of the Vietnam War.
    Pressed on what he was trying to say with his Woodstock performance in 1969, Hendrix replied (according to biographer Charles Cross), “We’re all Americans. . . . It was like ‘Go America!’ . . . We play it the way the air is in America today.”

    Naar aanleiding van deze discussie rond het volkslied verscheen in kort daarna Who Sings the Nation-State. In een recensie over dit boek wordt de link met de bewegende grenzen gelegd:
    “Het voorval roept belangrijke vragen op over burgerschap en nationale identiteit. Je zou denken dat je door het zingen van een volkslied je nationale identiteit bevestigt; maar ook deze taalhandeling kan worden geparodieerd, waardoor je nationale identiteiten juist ter discussie stelt. Om te beginnen hebben statenlozen strikt genomen helemaal het recht niet om enig volkslied te zingen: dat is voorbehouden aan de burgers van een staat. Wie als statenloze toch een volkslied zingt, eist de rechten van het burgerschap ook voor zichzelf op. Maar doordat het in het Spaans werd gezongen, werd hier bovendien de specifiek Angelsaksische nationale identiteit van de VS ter discussie gesteld. Dergelijke subversieve en parodiërende daden kunnen volgens Butler de weg wijzen naar nieuwe, post-nationale vormen van identiteit en solidariteit.” (Leezenberg)

    Waar liggen de grenzen in deze wereld en hoe gaan we daarmee om? In Who Sings the Nation-State (Butler,1) zegt Butler “We are caught by words”.
    Uiteraard kan dit op veel manieren worden uitgelegd, maar in de literatuurwetenschap zijn het niet alleen de woorden die de grenzen aangeven, maar ook de interpretatie die de literatuurwetenschap geeft. Zoals Spivak aangeeft :
    “In order to reclaim the role of teaching literature as training the imagination […] we may, if we work hard as old-fashioned Comp. Lit. is known of capable doing, come close to irreducible work of translation, not from language to language but from body to ethical semiosis, that incessant shuttle is a “life” (Spivak, 13).

    Literatuur:
    Butler, Judith and Spivak, Gayatri Chakrovorty. Who sings the Nation-State? Language, Politics, Belonging. (2007), p.1
    Leezenberg, Michiel, NRC, 21-03-2008 website: http://www.nrcboeken.nl/recensie/woorden-zijn-daden
    Montgomery, David, Washington Post, 28-04-2006 Website:

    http://www.washingtonpost.com/wp-dyn/content/article/2006/04/27/AR2006042702505.html

    Schulz, Comparative Literature: The Early Years: An Anthology of Essays, 1973. p.11
    Spivak, Gayatri Chakrovorty, Death of a Discipine

     
    • Avatar of margareth

      margareth 10:33 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Gerda,
      Mooi samengevat! What’s in a word? Ik begin eerst wat dichter bij huis; Belgie. Ik woon zelf zo’n 15 minuutjes van de Belgische grens vandaan en heb ook daar gewerkt als voedingstherapeute. In Belgie kennen we de taalstrijd; het Nederlandstalige en het Franstalige gedeelte. Ik werkte gelukkig in het Nederlandstalige deel want helaas is Frans niet mijn sterkste kant. Idioot genoeg heb ik het ‘laten vallen’ op school omdat zelfs sommige docenten durfden te zeggen dat dit verstandig zou zijn omdat we zo’n slechte docent hadden (een kleine school met maar 1 docent Frans). Ondanks dat heb ik er spijt van maar goed dat is nu niet echt aan de orde. Nederlandstalig in Belgie betekent overigens ook niet dat je alles verstaat. Sommige woorden worden heel anders gebruikt dan in Nederland. Wist je bijvoorbeeld dat ‘ons’ woord ‘poepen’ in het Belgie ‘neuken’ betekent? Dat kan nogal eens leiden tot verwarring en dit is maar 1 voorbeeld, ken er nog meerdere. Ik kan me dus voorstellen dat taal vaker een struikelblok kan zijn zelfs in landen waar dezelfde taal gesproken zou worden. Denk alleen maar eens aan dialecten of landen waar verschillende versies van 1 taal gebruikt worden. In de Vs (jouw voorbeeld) spreekt men Amerikaans Engels. Hoewel men daar een Anglo saksische achtergrond heeft, verschilt zelfs het Amerikaans behoorlijk van het Brits Engels. Denk maar eens aan de tegenstellingen lift/elevator, pavement/sidewalk, appartment/flat maar ook in schrijfwijze zoals colour/color. Is het dan gek dat mensen elkaar niet begrijpen? We hebben het dan alleen nog maar over streek gebonden taalgebruik laat staan de gebruiken/cultuur? Is het niet logisch dat mensen met een andere achtergrond een andere invulling hebben van bijvoorbeeld het volkslied? Moet een ‘volk’ dan zo overdreven reageren op een persoonlijke andere invulling? Waar is dan onze vrijheid? Provoceren vind ik een ander verhaal. Waarom iemand bewust kwetsen, dat vind ik niet persoonlijk niet nodig en dat zou ook niet als middel gebruikt moeten worden maar anders invullen moet m.i. mogelijk zijn. Zijn we niet vooral wereldburgers?

    • Avatar of lanabroekaert

      lanabroekaert 2:39 pm on October 23, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Toepasselijk voorbeeld, ik vind ook dat je de koppeling tussen de theorie en dit voorbeeld goed weergeeft. Ik kan mij alleen maar verbazen over de commotie die de vertaling van het Amerikaanse volkslied heeft opgeroepen….iedereen weet immers dat binnen de Verenigde Staten (het heet niet voor niets de Verenigde Staten) allemaal verschillenden etniciteit leven. Waarom zouden zij geen recht hebben op begrip van het volkslied van het land waarin zij wonen? Naar mijn mening hebben de Amerikanen hier geen alleenrecht op. Het heet dan wel een volkslied, maar ik denk dat je het tegenwoordig niet meer zo letterlijk kan opvatten.

    • Avatar of

      khnilka 11:39 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      ‘Een moeilijkheid hierbij is dat de Westerse literatuurwetenschapper de grenzen bepaalt. Hij bepaalt wat literatuur is en heeft hier dus de grenzen aangegeven die universeel moeten gelden. Maar de vraag is of de normen van de westerse wereld ook gelden in de niet-westerse wereld. Daarom propageert Spivak de literatuurwetenschapper als homo universalis. De literatuurwetenschapper moet de talen zo goed mogelijk beheersen om zodoende niet alleen heel exact te kunnen vertalen, maar ook om het gevoel, de achterliggende gedachte van een tekst goed te kunnen weergeven.’

      Hoe zit het dan met de individuele interpretatie? Ik heb Spivak ook in mijn eigen tekst aangehaald en dat er met vertalingen altijd iets verloren gaat, maar ik bedenk me nu dat dat toch eigenlijk niets uitmaakt. Ieder interpreteert het toch op zijn eigen manier.

  • Avatar of harir

    harir 3:21 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Goethe, , ,   

    Het Eurocenrische van ‘Wereldliteratuur’ 

    De vergelijkende Literatuurwetenschap is een kwetsbare en gecompliceerde subdiscipline. Kwetsbaar omdat het altijd moet vechten voor haar bestaansrecht.Gecompliceerd omdat het raakt aan politiek gevoelige, maatschappelijke vraagstukken. Bijvoorbeeld de rol van literatuur en cultuur bij ontwikkeling en internationale samenwerking enerzijds, en de spanning tussen nationale identiteit,soevereiniteit en ‘wereldburgerschap’ anderzijds.Afgelopen maandag in college, kwam het gesprek,naar aanleiding van de uitreiking van de Nobelprijs voor de Literatuur aan de Peruaanse auteur Mario Vargas Llosa,op de suggestie van gelijkwaardigheid tussen twee, feitelijk vaak, ongelijkwaardige Literaturen. Deze discussie komt natuurlijk niet uit de lucht vallen binnen de Vergelijkende Literatuurwetenschap,sinds Goethe en de late Romantici. Wie ongelijkheid wil aankaarten doet er goed aan het eerst te benoemen in plaats van te verbloemen.In het hierop volgende wil ik dus de aanname problematiseren dat niet-westerse (tweede en derde wereld) kunst en literatuur begrepen kan worden door het klakkeloos,en op normatieve wijze, toepassen van in de Westerse (de eerste wereld) Literatuurwetenschap ontwikkelde concepten,modellen en theorieen. Deze gedachte vinden we namelijk expliciet terug bij Goethe:

    “We should not think that the truth is in Chinese or Serbian literature, in Calderon or the Nibelungen. In our pursuit of models,we ought always to return to the Greeks of antiquity in whose works beautiful man is represented.The rest we contemplate historically and assimilate from it the best as far as we can”(Goethe,6)

    Het zal niemand verbazen dat wie teksten of inscripties wil bestuderen of vertalen, die ouder zijn dan de klassieke oudheid,zoals bijvoorbeeld uit het Oude Egypte of pre-Islamitische Perzische gebied,er verstandig aan doet om deze niet langs de meetlat van poeticale opvattingen uit de Griekse, klassieke oudheid te leggen. Toch komen dergelijke benaderingen weleens voor in publicaties over Wereldliteratuur,vanuit de hoop dat deze teksten opgemerkt zullen worden door de,mysterieuze, krachten die de stand van de canon van de wereldliteratuur bepalen.De inzet is daarmee een auteur, land, taal of cultuurgebied of Literair genre hiermee op de wereldkaart te zetten. Maar ook in Zuid-Oost Azie,het Midden- Oosten,Afrika en elders wordt er ,soms al eeuwenlang, nagedacht over wat mooie, goede en verantwoorde kunst en literatuur is. Jazeker,men vindt ook elders modellen en methoden voor de analyse van poezie en rethorica,meningen over de wenselijkheid of verwerpelijkheid van een school of genre.Sterker nog,met de beleving van kunst, muziek en orale literatuur is, buiten de Westerse wereld, ook het denken daarover nog springlevend.Het is dus zeker mogelijk om niet-westerse kunst en cultuur (geschiedenissen) op hun eigen meritis te bestuderen. Na deze overwegingen is het verantwoordelijk om overeenkomstige patronen, in een evenwichtige vergelijking met Westerse Literatuur, te identificeren en analyseren.Uiteraard is dit tijdrovend en intensief.Men moet zich verdiepen in de taal, geschiedenis, topografie ende filosofie achter het te bestuderen object. Het geeft vaak betere resultaten wanneer de onderzoeker,zo mogelijk, de fysieke context van het studieobject verkent, maar dit is niet altijd mogelijk.En zoals het de Literatuurwetenschappelijke praktijk betaamt is succes niet gegarandeerd. De ‘bruggenbouwer’ loopt heel vaak tegen gesloten deuren aan. Maar de sprong naar Gayatri Spivak is nu wel gemaakt.Diens focus op talen heeft,volgens mij,het nadeel dat de andere bovengenoemde verkenningen op de achtergrond raken.Het lijkt dan ook reeler dat een onderzoeker zich tot een of enkele taal en cultuurgebieden of regio’s beperkt.

    Tot afsluiting van het bovengestelde verwijs ik,kort naar de kritische onderzoekspraktijk van Mineke Schipper, een authoriteit op het gebied van Vergelijkende Literatuurwetenschap en Afrikaanse Studies in Nederland. Schipper benadrukt in Beyond the Boundries het belang van aandacht, voor de communicatiesituatie, waarin een Afrikaanse tekst of tekst over Africa bijvoorbeeld,al dan niet als literair, wordt ontvangen. Literair critici met verschillende culturele achtergronden verschillen vaak radicaal van mening over het literaire gehalte van een tekst.Denk aan het voorbeeld van Joseph Conrad’s Heart of Darkness dat Schipper in haar inleiding ook aanhaalt als beroemd voorbeeld van een polemisch debat tussen Britse Critici en de Nigeriaanse literatuurwetenschapper Chinua Achebe. Achebe vond Conrad’s canonische werk de titel meesterwerk onwaardig vanwege het rascistische beeld van Congo en Afrikanen dat daarin geschetst word, in zijn ogen. De methodologische omgang met dit spanningsveld, die Mineke Schipper voorschrijft vanuit haar onderzoekservaringen, is dat Vergelijkende Literatuurwetenschappers de door hen toegepaste theorieen en methoden (zoals narratologie) zoveel mogelijk zouden moeten toetsen aan de expertise en mening van (lokale) specialisten op het gebied van de betreffende taal en cultuur:

    “Those who study African literature are becoming increasingly aware of the profit that can be gained from the harvest reaped by the scholars of literary theorie and by specialists of other-Asian ,Carribean,latin American,Arab or Western – literatures. In my opinion one should test the tools at hand and feel free to discard the ones thatprove useless or have become obsolete.In turn, our own tools, findings and experience may be enriching for scholars ofother literatures” (Schipper Beyond the Boundaries,10).

    Op deze manier zou samenwerking tussen ‘Area Studies’ en vergelijkende Literatuurwetenschap volgens mij mogelijk zijn op een manier die ook recht doet aan de verschillen tussen deze disciplines.

    Bronnen:

    Goethe,J.W von.;“Worldliterature” Shultz, H.J. ed. Comparative Literature, the Early years: an anthology of essays.;Chape Hill. University of North Carolina Press,1973;(3-11).

    Schipper,M. Beyond Boundaries, African Literature and Literary Theory;.London,1989. Allison & Bubsby;(10).

     
  • Avatar of brittdebruyn

    brittdebruyn 3:43 am on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Goethe, ,   

    Het ‘Wereld’ uit Wereldliteratuur 

    Het is nog geen jaar geleden dat ik me bevond in het collegelokaal waar verschillende docenten en specialisten van her en der naar Amsterdam waren gereisd, om ons literatuurwetenschapleerlingen een kort inzicht te geven van bepaalde, grensoverschrijdende literaire werken. Vaker dan eens begonnen de docenten met een geschiedenisoverzicht van het land waar het desbetreffende boek, of de desbetreffende schrijver van het boek, vandaan kwam. Uiteindelijk keken we naar de verschillen tussen zo’n werk van ’over de grens’ en van ‘binnen onze grens’. Dit bleek vaak neer te komen op onze westerse invalshoek en hoe wij met deze blik het werk bekeken. Het vak dat werd gegeven schuilde zich onder de naam Literaire Werelden, waarin het de bedoeling was te kijken naar de zogenaamde Wereldliteratuur. Inderdaad, dit was de bedoeling, want alleen al de manier waarop we deze zogenaamde Wereldliteratuur behandelde, had meer met de bijbehorende culturen van werken te maken, dan met het literaire werk an sich.

    Dezelfde benadering vinden we terug bij zowel Goethe als Spivak. Zij spreken over de Wereldliteratuur en hoe deze, idealistisch gezien, zou moeten lijden tot begrip van ‘vreemde’ culturen. De Wereldliteratuur staat hiermee in dienst van de cultuur, aangezien het een middel is om deze vreemde culturen beter te leren kennen. Sterker nog, beiden filosofen pleiten niet alleen voor meer begrip van de culturen, er wordt zelfs gepleit dat wanneer we dit begrip tot ons hebben genomen, ons dit tot vrede kan brengen. Correctie; Wereldvrede. Net als bij het eerder aangehaalde vak Literaire Werelden, hebben we het bij Goethe en Spivak niet meer over Wereldliteratuur, maar over Wereldcultuur. De literatuur is immers tot middel gereduceerd en het centrale punt rust op de cultuur.

    Uiteraard, literatuur behoort tot een bepaalde hoedanigheid wel toe aan cultuur. Immers, literatuur is een gedeelte van een cultuur. Zij staat in een bepaalde relatie tot de cultuur waarin zij zich begeeft. In deze relatie bevestigd zij haar cultuur, bekritiseerd zij haar, gebruikt zij haar, weerlegt zij haar, enz. Literatuur is een uitdrukking van de cultuur waaruit zij afkomstig is, zoals bij elke vorm van kunst. We moeten literatuur zien als een doorkijkluik, waardoor je bepaalde delen van de cultuur kan zien. In die zin is literatuur een vorm van uitdrukking van cultuur. Echter, literatuur is meer dan dat, zij drukt ook zelf cultuur uit, zij creëert cultuur, helpt bij het creëren van de cultuur en is zelf onderdeel van die cultuur. Het is hierdoor dat er wel een directe relatie tussen literatuur en cultuur is. Maar, wanneer we literatuur puur als middel zien, ontstaat er daadwerkelijk wel gevaar. De lezer kan namelijk het werk met een bepaalde intentie gaan lezen en interpreteren, waardoor misschien andere aspecten die zich in het werk voordoen over het hoofd worden gezien. Daarnaast speelt er nog een gevaar. Wanneer je bij voorbaat een literair werk als middel tot het begrijpen van een vreemde cultuur ziet, vergeet je dat een literair werk niet perse zijn cultuur weerspiegelt. Een voorbeeld hiervan is het werk van Haruki Murakami. Veel westerlingen halen uit Murakami’s werk allerlei Japanse elementen, terwijl juist zijn Japanse lezers en collega’s vinden dat hij de westerse schrijfstijl tot zich heeft genomen en hem vaak bekritiseren op zijn vele gebruik van Amerikaanse cultuur elementen. Wanneer we dus simpelweg Murakami’s werk zouden lezen om alleen inzicht te krijgen in de Japanse cultuur, zou dit tot verassing kunnen lijden. We krijgen wel inzicht in Murakami’s eigen cultuur – die van zichzelf als individu -, maar niet noodzakelijk die van Japan. Wat ik niet bedoel te zeggen is dat literatuur niet gebruikt kan worden om inzichten te verkrijgen in andere culturen (voor bepaalde onderzoeken is dit juist erg vruchtbaar en verrijkend), maar dat we deze houding niet zouden moeten aannemen binnen de literatuurwetenschap op de universiteit.

    Het zou op de universiteit niet zo moeten zijn dat er een apart vak is waar Wereldliteratuur naar wordt gebonjourd, maar het zou over de gehele opleiding literatuurwetenschap juist verspreid moeten worden. Het kan wel zo zijn dat er bepaalde vreemde werken verschillende methodes vragen om geanalyseerd te worden (hiervoor kan er bepaalde kennis van die cultuur nodig zijn), maar Wereldliteratuur moet op een universiteit zich in dezelfde ruimte begeven als de westerse literatuur. Misschien komt alleen zo het ‘Wereld’ uit Wereldliteratuur wel ooit te vervallen.

     
    • Avatar of thomasvangrol

      thomasvangrol 9:36 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Britt,

      Ik ben het met je eens dat de Wereldliteratuur verspreid moet worden over de hele opleiding. Je zou bijna kunnen zeggen dat door Wereldliteratuur een apart vak te geven, je het al bijna niet meer serieus neemt, omdat je het als iets ‘vreemds’ en ‘anders’ ziet. Je hebt de Westerse literatuur die in de andere vakken overmatig vertegenwoordig wordt en dan ook nog één vakje voor de rest. Daar zit, naar mijn mening, een soort ‘neerkijken op’ in.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 4:49 pm on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Britt,

      Ik vond het erg leuk om jouw essay te lezen omdat ik zelf het vak Wereldliteratuur nooit heb gevolgd..ik volg een minor literatuurwetenschappen en filmstudies maar ik doe een bachelor geschiedenis. Misschien om deze rede heb ik af en toe moeite met de manier waarop Spivak omgaat met taal en cultuur. Het klinkt allemaal erg mooi wat Spivak (en Goethe) zegt over elkaar begrijpen aan de hand van een dialoog van vertalen, maar is dit niet een beetje ver gezocht ? Ik snap niet hoe dit tot wereldvrede uberhaupt kan leiden. Als men elkaar niet begrijpt in de taal hoeft dat toch niet per definitie te leiden tot totaal onbegrip ? Is het ook niet een beetje megalomanisch om dit te denken ?

      Daarnaast even een opmerking over het vak Wereldliteratuur en het commentaar van thomas. Het zit hoe dan ook in de aard van alle westerse universiteiten om ‘andere’ culturen te verwaarlozen. Ook met geschiedenis (en waarschijnlijk andere studierichtingen) krijg je voornamelijk westerse geschiedenis, geen enkel vak heet ‘de geschiedenis van azie’ of iets in die richting. Er zijn wel enkele vakken waar aandacht wordt besteed aan andere culturen maar dan wordt het meestal vergeleken met de westerse cultuur. Dit is inderdaad een soort ”neerkijken op” en werd door Edward Said ook wel orientalisme genoemd. In zijn boek Orientalism. Western Conceptions of the Orient bespreekt Said een negatieve wijze van schrijven en denken van westerse wetenschappers, schrijvers en intellectuelen over andere ”niet-westerse” culturen.
      Het beeld wat het westen heeft van andere culturen bevestigd alleen maar het beeld wat het westen van zichzelf heeft; superieur zijn.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 7:38 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Britt,

      Ik ben het met je eens dat het beter zou zijn als Wereldliteratuur geen apart vak was en de hele studie zich bezig zou houden met literatuur uit verschillende landen. Zelf volg ik de bachelor Media en Cultuur en daarin merk ik ook dat het vooral gaat over de Westerse mediacultuur. En in vergelijking met het vak ‘Wereldliteratuur’ heb ik vorig semester ook een dergelijk vak gevolgd, namelijk ‘World Cinema’.

      Echter, hoewel het lijkt alsof je tegen het betoog van Spivak ingaat, lijkt het mij dat je toch hetzelfde pleit. Spivak vind toch ook dat de hele studie van literatuurwetenschap zich bezig zou moeten houden met literatuur uit verschillende landen? Dat deze studie een voorbeeld zou moeten nemen aan ‘Area Studies’ en literatuur uit verschillende culturen moet herontdekken?

      • Avatar of rebeccadrees

        rebeccadrees 3:27 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hey Britt (en Audrey) ik ben het ook eens dat Wereldliteratuur als apart vak wat lastig is. Heel de studie … elk studie zou literatuur uit verschillende landen moeten hanteren om een begrip te krijgen van zijn vak van het perspectief van anderen. Toch is dit ook wel weer problematisch omdat het weer dan zou vereisen van de mens dat hij ontzettend veel zou moeten lezen. Ik volg ook Media en Cultuur en hanteer voornamelijk Westerse literatuur. Dit is ook niet zo gek aangezien het literatuur sowieso schaars is het de Media waarover gesproken is voornamelijk ontwikkeld wordt in de Westerse wereld. Het blijft dan de vraag tot in hoeverre we gebruik moeten maken van literatuur over de hele aarde (en of men dit überhaupt kan). Literatuurwetenschappen daarentegen hebben volgens mij wel veel baat bij literatuur over de wereld… je studeert eenmaal natuurlijk literatuur en dit bestaat overal. In alle vakken moet af en toe een stukje tekst ergens anders vandaan komen om verschillende culturen te benaderen en begrijpen en daarmee misschien begrippen nieuwe invullingen te geven. Ach ja laten we gewoon zeggen dat Spivak een beetje gelijk heeft!

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 5:46 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste bovenstaande,

      wat fijn dat jullie mijn mening delen, ik wilde alleen nog een dingetje kwijt, over de opmerking die thomas en liespeeters hebben gemaakt: beiden praten jullie over een beeld van neerkijken van de Westerse cultuur, dat (door lies) ook gekoppeld wordt aan het zich superieur voelen.

      We moeten niet vergeten dat we alleen maar vanuit onze Westerse blik Kunnen kijken, en dit kunnen we ook niet ontsnapppen. Zelfs ons kritiek op het Westers denken, wordt gegeven vanuit een westers standpunt. Zelfs Said die niet hier is geboren, maar zich wel bevindt in dit discours kan het niet helpen, dat zijn kritiek op het westers denken, een vorm van westers denken is. Een voorbeeld hiervan is dat hij totaal de rol van de Oriënt zelf overslaat, in het beeld van de Oriënt. Hij zegt zelfs dat de werkelijkheid van de Orient, geen invloed heeft op het beeld van de Orient. Dit is uitermate Westers denken van o.a. Foucault.

  • Avatar of daya

    daya 1:42 am on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Goethe   

    Literature and Language: the way in (for understanding other cultures)? 

    I believe that, as Goethe says, reading literature written in a different country than your own will increase your knowledge and probably even appreciation of the culture of this particular country. It might be impossible to create world peace this way, but it might still be a good way to start. Of course, there is the matter of mistranslation, but, as Goethe puts it, “it is, after all, these relations between original and translation which are most expressive of the relations of one nation to another, and which should be evaluated and known above all for the benefit of the dominant general Weltliteratur” (Goethe 6). Also, since language is part of a people’s culture, we can establish that language is important to understanding cultures.

    I have always been interested in languages. I started speaking English when I was five years old, and it was of no big surprise to anyone who knew me that I was going to study English. I also got interested in other cultures, and one in particular (although I am not quite sure if it is accurate to say this country only has ‘one’ culture): that of India.

    I first visited India at the age of sixteen – five years ago – on a holiday with my parents. I immediately got fascinated: the bindi’s, architecture (Taj Mahal, The Golden Temple), art (paintings and statues of Hindu gods, Buddha and the Dalai Lama), and religion (Hinduism, Buddhism and even Catholicism (in Goa, which was until not too long ago colonized by Portugal)). Also other things that seem strange to us: the holy cows and the dancing and singing in Bollywood movies, it all fascinated me. What got to me the most, beside the amazing countryside and the incredible food, is the people. Their behaviour: they are friendly, hospitable and genuine interested in learning about other cultures, and their languages: among others Hindi (and English as a second language).

    My parents were the ones that made me visit museums and see artsy films, they were the ones who took me with them to Asia, and my mother was the one who actually introduced me to English when I was five, and I did not really have a choice in the matter, or in any of these matters. But, is that a bad thing? They did not force me to like it (even though, of course, I did not immediately enjoyed everything), they merely gave me a push in a certain direction. They did make me into the person I am today. Is it a bad thing that parents – or teachers, in the case of Dead Poets Society – give children a push in a certain direction? Is that not part of education? The only thing that I think is important, is that parents, as well as teachers, give them a choice. Of course, every teacher (and that includes parents) has their own opinions and preferences, but that does not mean that they should urge their students to think in the same way, merely to think for their own (and I think John Keating – and my parents – did a pretty good job of that).

    Ever since I visited India (the second time I was there for three months) I have wanted to learn how to speak and write Hindi. Last year I wanted to apply for a semester of Hindi in Delhi, but unfortunately that was not possible for foreigners, so I applied for a semester of comparative literature in Calcutta, which, in hindsight, might have been an even better choice. Unfortunately, this also did not work out, but I am determined to somehow come closer to India’s culture(s) through literature and language.

     
    • Avatar of winonah

      winonah 6:42 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Een erg interessant essay. Je hebt in ieder geval mijn interesse voor India weten op te wekken. Verder weet ik niet of ik het met je eens ben waar je zegt “Is it a bad thing that parents – or teachers, in the case of Dead Poets Society – give children a push in a certain direction? Is that not part of education?” Ik vind het geweldig dat je ouders je mee hebben genomen naar Azie en je met een andere taal in aanraking hebben laten komen maar ik zou dat niet omschrijven als een duw in een bepaalde richting. Meer dat ze je bepaalde dingen aanreikten waar jij vervolgens besloot om iets mee te doen. Maar “give children a push in a certain direction” klinkt voor mij heel anders en is naar mijn mening geen educatie. Als iemand een richting opgeduwd wordt, wordt hij juist de kans ontnomen iets te leren. Keating laat zijn studenten zien dat er ook andere opties zijn dan ze tot dan toe gewend zijn waardoor ze de kans krijgen voor zichzelf te denken, maar op de momenten dat hij ze een bepaalde richting induwt (zoals bij het verplicht verscheuren van de inleiding van het boek) neemt hij ze dit naar mijn mening juist af.
      Verder succes met je India plannen, klinkt leuk!

  • Avatar of nikkidekker

    nikkidekker 11:20 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Goethe   

    “Ik vind het wel jammer dat we zo weinig boeken lezen” – de staat van de literatuurwetenschap. 

    Een boek beschrijft een ervaring, een gebeurtenis, een persoon, een leven dat als zodanig niet eens daadwerkelijk bestaat. Maar als het verhaal goed geschreven is en aansluit bij de ervaring van mensen en ze de kans biedt de wereld in een ander perspectief te zien, zal dat ene boek meer mensen bereiken dan de grootste filosofische gedachten. De literatuurwetenschapper kan roepen: Harry Potter is geen echte literatuur, het is een overgesimplificeerde bildungsroman waarin de symboliek weinig interpretatieruimte overlaat – dat is niet relevant voor de ruim 400 miljoen lezers die het boek in van de 67 vertalingen hebben aangeschaft. Een boek kan alle soorten mensen over de hele wereld bereiken.

    Literatuurwetenschap streeft ernaar om grenzen te overschrijden, maar zal nooit universeel worden, simpelweg omdat het een discipline is; een vakgebied met normen en waarden, spelregels en straffen – een discipline waarin je tenminste drie jaar opgeleid moet worden voor je er iets te zeggen krijgt. In deze basisjaren moet je leren dat betekenis van een tekst wordt gemaakt door degene die hem leest, of door de teksten waarmee het in verband staat, of door elementen in de tekst zelf – maar nooit door degene die het heeft geschreven. Je moet leren dat grammatica bepaalt hoe en wat je denkt – niet andersom, en dat een analyse van de symbolische rol van koffie in Friends gelegitimeerd onderzoek is – het soort onderzoek waarover je toch altijd blijft denken: ‘Het is maar een televisieserie?’

    Literatuurwetenschap is een discipline die bij uitstek voortkomt uit het humanistische gedachtegoed van de Verlichting, met als ultiem eindpunt de homo universalis: degene die overal iets van weet en zich kritisch kan verhouden tot deze kennis. Het ideaal gaat met zijn tijd mee. Was het vroeger, toen Kant stelde dat literatuurcritici in toegang tot het publieke discours zouden moeten krijgen, toen Goethe het verschijnsel ‘Weltliteratur’ beschreef dat ons wereldvrede zou brengen, alleen een kwestie van Europees gedachtegoed – nu beargumenteert Spivak dat we ook de taal, zelfs het dialect, waarin een werk is geschreven moeten kennen. Dit alles om andere culturen beter te leren begrijpen – maar kan dat überhaupt? Foucault heeft overtuigend beschreven hoe twee verschillende discursieve praktijken nooit werkelijk met elkaar kunnen praten: ze geven andere betekenis aan dezelfde woorden en denken op een andere manier. Dit is één van de grootste kwesties binnen de literatuurwetenschap: hoe kunnen wij de ander begrijpen?

    De eerstejaars literatuurwetenschappers klagen elk jaar weer in koor: ‘Dit is toch literatuurwetenschap? Waarom lezen we zo weinig boeken?’ De (deconstructieve) literatuurwetenschapper glimlacht verveeld en zegt: ‘Het gaat er niet om wat je leest, maar hoe je leest. How to notice things in a text that a speed-reading culture is trained to disregard, overcome, edit out, or explain away; how to read what the language is doing, not guess what the author was thinking; how to take evidence from a page, not seek a reality to substitute for it.’ (Barbara Johnson)
    Literatuurwetenschap is leeswetenschap: de vaardigheid om een tekst te bestuderen.

    Goed, we hebben nu die vaardigheid. Wat doen we ermee? De kennis die we opdoen in een nauwkeurige analyse brengt ons niet verder dan die ene tekst en de paar teksten die ermee in verband staan. We leven in een letterenwereld. Sommige van de bewoners willen het alleen niet inzien. Spivak en Goethe staan niet alleen in hun lust naar politieke invloed; de literatuurwetenschap heeft van begin af aan een politiek doel gediend. Het zou de ideale mens moeten vormen, die klaar was om een belangrijke rol in de maatschappij te spelen. Het zou de ideale maatschappij moeten construeren door met een kritische blik naar haar culturele uitingen te kijken. Het zou de ideale wereld kunnen schapen – omdat de verbeelding weet hoe die eruit ziet.

    Literatuurwetenschap wil een universele, autonome bron van kennis zijn – maar probeert zichzelf voor te doen als autonome wetenschap die niet een stel boeken, maar de gehele cultuur, de taal, de condition humaine bestudeert. Geen van die idealen zal het ooit waar kunnen maken, juist doordat het een wetenschap is, gebonden aan paradigma’s, interpretaties en instituten. Aan het einde van de dag is het wat het is: een discipline die overal betrekking toe heeft en nooit antwoorden geeft, maar eeuwig vragen blijft stellen

    We don’t read and write poetry because it’s cute. We read and write poetry because we are members of the human race. And the human race is filled with passion. (Keating)

    Literatuurwetenschappers zijn de mensen die passie zien, niet weten wat ze ermee aan moeten en er daarom maar op in gaan hakken: de arrogante professor staat symbool voor de Verlichting, de vrouw die dreigt een penis af te bijten voor degene die tegen de overheersende structuur vecht – maar de essentie, het wonder van het boek, kunnen we na eeuwenlange analyse nog steeds niet verklaren. Kunnen we ooit de ware betekenis van een tekst achterhalen? Bestaat er zoiets als waarheid?

    Truth like a blanket that always leaves your feet cold. You push it, stretch it, it’ll never be enough. You kick at it, beat it, it’ll never cover any of us. From the moment we enter crying to the moment we leave dying, it’ll just cover your face as you wail and cry and scream. (Todd)

    De wetenschapper maakt zich druk om de waarheid, maar de waarheid zal nooit genoeg zijn, altijd je gezicht verbergen en je voeten koud laten. De lezer weet dit, hij leest niet om te leren of om te begrijpen, maar om te ervaren, de eenzaamheid te bestrijden, het leven te ontvluchten, om te voelen, om te leven. Literatuur heeft de literatuurwetenschap niet nodig. Literatuurwetenschappers wel.

     
    • Avatar of

      khnilka 12:28 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Als “mediawetenschapper” dacht ik net als de eerstejaars literatuurwetenschappers dat jullie heel veel boeken lezen, niet dus.. Maar ik weet niet of het komt doordat het laat is en ik er overheen heb gelezen, maar waarom heeft literatuur wel literatuurwetenschappers wel nodig en de literatuurwetenschap niet? Je stelt zelf: ‘Literatuurwetenschappers zijn de mensen die passie zien, niet weten wat ze ermee aan moeten en er daarom maar op in gaan hakken.’ Op dit moment lijkt dit je laatste stelling tegen te spreken.

    • Avatar of roza

      roza 9:59 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Een duidelijk essay, ik wil alleen iets over de laatste regels opmerken. lezen is ervaren, maar ieder werk kan anders ervaren worden wanneer verschillende theorien worden toegepast, andere lezingen volgen. net als vertalingen, zoals goethe ook al schreef, door vertalingen wordt een boek nieuw leven ingeblazen, nieuwe visies zorgen dat een boek interessant blijft. dus hebben boeken ons, literatuurwetenschappers misschien niet toch een beetje nodig?

  • Avatar of Anne van der Klift

    Anne van der Klift 10:56 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Goethe, , , , ,   

    De utopie van Goethe en Spivak 

    Translatie, communicatie, begrip. Met deze volgorde zou de wereld een stuk beter kunnen worden volgens Johann Goethe en Gayatri Spivak. De eerste denkt door middel van Weltliteratur: de beschikbaarheid en het lezen van (vertalingen van) teksten uit andere landen met andere culturen. Spivak door middel van het vertalen zelf en de beheersing van verschillende talen en culturen – comparative literature.

    Waar ik graag mee wil openen is het volgende probleem dat Spivak terecht stelt:
    I have remarked above that borders are easily crossed from metropolitan countries, whereas attempts to enter from the so-called peripheral countries encounter bureaucratic and policed frontiers, altogether more difficult to penetrate. (Spivak 2003: p. 16)

    (More …)

     
    • Avatar of lara

      lara 11:47 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Anne, bedankt voor je essay. Ik lees net op wikipedia dat Esperanto voornamelijk opgemaakt is uit Europese talen. Wel jammer voor die miljarden niet-Europeanen, zij zullen veel meer moeite dan wij hebben om deze taal te leren. Ben benieuwd wat Spivak hiervan vindt!

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 2:22 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ja klopt, het lijkt heel veel op het Spaans. Goed dat je het opmerkt, had er zelf nog niet eens aan gedacht. Naast dat ze in Oeganda wel wat beters te doen hebben dan Esperanto leren, zullen ze er ook nog eens onwaarschijnlijk veel moeite mee hebben dat te doen.

        Vraag me, los van het hele wereldvrede debat, af of er een kunsttaal mogelijk is die voor alle culturen gemakkelijk is. Misschien een gebarentaal, zoals Rowan ook in haar essay opmerkt? Daar heb je in ieder geval geen last van letters en klanken die in andere landen niet bestaan en grammaticaverschillen.

        • Avatar of crispiness

          crispiness 2:26 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Echter, aan bepaalde aspecten van zo’n universele gebarentaal kleven dezelfde argumenten als aan die van een universele taal: er zal altijd een groep taalgebruikers benadeeld door worden. Je gaat wellicht voorbij aan het probleem van klankverschil, maar wat voor grammatica ga je gebruiken als basis? De in het Westen gebruikelijke Subject-Verb-Object constructie, of toch de Orientaalsere SOV? Hoeveel ruimte mag je geven aan alle verschillende werkwoordsvormen en modaliteiten die in alle wereldtalen voortkomen, maar toch vaak subtiel verschillen? Neem je een woord als ‘gezelligheid’ op in het vocabulaire, of schrap je het omdat het voor 99% van de wereldbevolking niets zou betekenen?

          Ik denk dat de logistieke aspecten van het vormen van een wereldtaal niet het ideaal van een taal in de weg zou moeten staan. Gelukkig benoem je de filosofische aspecten die het ideaal van een wereldtaal behelsen ook in je essay op een overtuigende wijze. ;-)

    • Avatar of roza

      roza 11:40 am on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      hoi anne, je schrijft ‘Het zou fantastisch zijn als iedereen Esperanto leerde en dat we daardoor konden praten met mensen van over de hele wereld.’ dat niet iedereen er toegang tot heeft is inderdaad een kant, maar daarbij hoe wenselijk is esperanto om de cultuur van de ander te leren kennen?Taal en cultuur zijn nauw verbonden. Zoals je zegt is esperanto opgebouwd uit verschillende talen, in lijn met Spivak zou dat betekenen dat het ook verschillende culturen in zich draagt. Ik denk dat een taal juist typerend is voor een cultuur omdat deze cultuur zich tot een taal beperkt, wanneer wij ons enkel kunnnen uiten in Esperanto, zal onze ’cultuur’ niet over gedragen kunnen worden, Bovendien, als onze taal is opgebouwd uit allemaal kleine stukjes, zouden we dan geen eenheidsworst worden?

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 7:21 pm on October 22, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Interessant! Je hebt gelijk: taal is typerend voor onze cultuur, en dat vindt Spivak ook. Maar eenheidsworst zouden we niet worden, want als het aan mij ligt zouden wij onze eigen talen natuurlijk niet opgeven voor het Esperanto! Bovendien heeft het ook zijn charmes om met iemand te communiceren met handen en voeten, maar dat terzijde, want dat is nu juist niet wat Spivak wil.

        In ieder geval, misschien is Esperanto inderdaad niet Spivaks ideaal: om een cultuur te leren kennen, zul je je er helemaal in onder moeten kunnen dompelen en taal hoort daar ook bij! Dus in Spivaks ogen zou het Esperanto waarschijnlijk geen utopie zijn.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 4:09 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik sluit me aan bij wat door Roza wordt gezegd. Volgens mij is Esperanto juist het tegenovergestelde van wat Spivak zou willen. Zij betoogt juist om een cultuur te leren via de taal. Maar als iedereen dezelfde taal spreekt, is dit dus geen mogelijkheid. Als iedereen dezelfde woorden heeft voor een bepaald object valt er via de taal en het vertalen niks te leren over die cultuur. Spivak zou naar mijn idee veel liever willen dat elke cultuur zijn eigen taal heeft, zodat je via het vertalen van die taal die cultuur kan bestuderen.

    • Avatar of jasperdonkers

      jasperdonkers 6:54 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      ‘Kortom: als we er in slagen om met iedereen ter wereld te communiceren, door middel van een wereldtaal of het vertalen van elkanders teksten, is de wereld dan echt veel beter? Kan het, zoals Zamenhof hoopte, zelfs oorlogen voorkomen?’

      Ik moet eerlijk zeggen dat dit voor mij een hekel punt blijft en iets waar ik het totaal niet mee eens ben met Goethe en Spivak. Gelukkig zie ik dat ik niet de enige ben die zijn twijfels hierbij heeft. Het grappig vind ik altijd dat op een of andere manier Spivak en Goethe vergeten dat in een land waar dezelfde taal wordt gesproken evengoed nog altijd bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar staan. Als de ééntaligheid op micro-niveau niet werkt, waarom zou het dan in godsnaam wel op macro niveau werken. Misschien heeft het juist wel nadelen als we elkaar allemaal zo goed begrijpen. Misschien zal het dan alleen maar duidelijker worden waarom we het niet met elkaar eens zijn.

  • Avatar of sinead

    sinead 7:55 pm on October 12, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: auteur, , Goethe, , praktijk, , theorie   

    Literatuur en wetenschap 

    De spanning tussen de literatuurwetenschappelijke theorie en de dagelijkse praktijk

    Vorige week bezocht ik een lezing over Lenz van Georg Büchner . Na afloop van de lezing kwamen er vanuit het publiek met name vragen naar de bedoeling of de boodschap van de auteur. Nu had de lezing zelf een sterk biografische inslag, maar toch verbaasde het mij enorm dat er louter met betrekking tot de auteur vragen werden gesteld. Sindsdien zoek ik naar een antwoord op de vraag; ‘waarom vindt men de auteur zo belangrijk?’.
    (More …)

     
    • Avatar of nikkidekker

      nikkidekker 9:33 pm on October 12, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Sinead,

      ik vind het heel leuk dat je dit hebt geschreven, het is een kwestie die denk ik altijd wel relevant blijft. Ik ben zelf een van die weinige academici die zelfs na drie jaar literatuurwetenschap nog steeds niet aan de dood van de auteur wil – God is dood, zoveel is zeker, maar de auteur? Nooit! Lang leve de auteur!

      De vraag: ‘waarom vindt men de auteur zo belangrijk?’ is snel beantwoord: omdat hij het werk heeft gemaakt. De literatuurwetenschapper geeft er weliswaar betekenis aan, de lezer ziet er weliswaar zichzelf in weerspiegeld, alle andere literatuur bestaat er weliswaar in relatie toe en ja, het is weliswaar opgebouwd uit een bepaalde taal die beperkingen oplegt, maar het is nog steeds gemaakt door de auteur. De auteur is misschien niet de oorsprong, maar wel de machine, degene die alle input heeft verwerkt tot een boek. En als je oog in oog komt met de machine die jouw boek heeft voortgebracht, het boek wat zoveel indruk op je heeft gemaakt, dan wil je erachter proberen te komen hoe die machine werkt. Toch?

      “De tendens om werken (auto)biografisch te lezen is niet te ontkennen”. Hoe kom je precies tot deze stelling? In het voorbeeld van Maria Mosterd kan ik het niet vinden; immers, dit boek werd impliciet gepresenteerd als memoir. Enkele zinnen van haar website: “Zes jaar later schrijft Maria dit bloedstollende verslag van haar jaren met Manou.” “Wat Maria heeft meegemaakt is schokkend; hoe ze erop terugkijkt is buitengewoon ontroerend.” Het lijkt mij toch echt een uitnodiging om het boek als autobiografie te lezen: de namen verwijzen naar echte personen, Maria kijkt terug op wat ze heeft meegemaakt… Kijk, we kunnen natuurlijk discussiëren over de zin “Ze heeft er een authentiek en onthullend verhaal over geschreven”, maar zelfs als je wilt beweren dat een “verhaal” altijd fictie is, moet je nog toegeven dat het in het geval van dit boek niet gaat om een publieke tendens om autobiografisch te lezen, maar een redactionele tendens om dramatische verhalen als autobiografisch op de markt te brengen.

      En daar is een reden voor, zoals je zelf al zegt: “het is direct verbonden aan de werkelijkheid”. Ik denk zelf dat het mensen vooral aanspreekt omdat het is als een gesprek voeren met de schrijver – ik zou zelf graag gesprekken voeren met Stephen Fry, daarom lees ik al zijn interviews en memoirs – omdat ik niet willen weten wat de verbeelding is van de mensen die ik bewonder, maar wat hun gedachten en emoties zijn. Omdat ik, wederom, wil weten hoe de machine werkt.

      Jij lijkt hier een heel andere mening over te hebben, maar die wordt nog niet expliciet in je stuk. Misschien in de reacties wel? Kun je me vertellen waarom je autonomie van literatuur een ideaal vindt, waarom je het überhaupt zou willen bereiken?

      • Avatar of sinead

        sinead 9:09 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hé Nikki,

        je snijdt veel punten aan maar ik zou nu alleen willen ingaan op de rol van de “auteur” en mijn idee van autonomie.

        Dat er een persoon is die het werk heeft gemaakt, is zeker niet te ontkennen. Maar om dan direct autoriteit toe te schrijven aan deze persoon, daar trek ik aan de noodrem. Als je spreekt over het ontdekken hoe de machine werkt, ontwaakt in mij toch stiekem het idee dat de schrijver wel iets belangrijker is voor jou dan voor mij. Een boek lijkt voor jou toch vooral een product te zijn van een ‘machine’ (al zou ik die machine toch creatieve geest o.i.d. willen noemen wanneer je hier het zwaartepunt op legt) en jouw interesse ligt dan ook primair bij de creator. Voor mij is een boek een zelfstandig artefact, weliswaar gecreërd door een persoon maar bestaand op zichzelf en ik interesseer mij dan ook niet bijzonder in de processen die aan het boek vooraf gaan, maar ik wat er gebeurt wanneer het boek gelezen wordt. Dat is een andere benaderingswijze en dat zorgt ook voor een andere rol voor of belang van de schrijver.

        Wanneer ik van autonomie spreek, denk ik dat ik graag de literatuur los zie van haar creators, en tegelijkertijd zie ik heel goed dat dat misschien een mooi ideaal is, echt hondert procent mogelijk is het niet. Natuurlijk kijk ook ik naar welke naam er op de kaft staat en kies mede op basis daarvan of ik een boek wel of niet ga lezen. Idealiter lees je alles en let je niet op de auteursnaam, de realiteit is echter dat we nauwelijks tijd hebben om te lezen en dus een keuze moeten maken en in die keuze word je begeleid door de bekenheid van de auteur en de plaats in de canon (of juist allemaal niet, maar ook dan word je hierdoor beïnvloed).

        Het echte probleem hier is dus, dat je een mooie theorie hebt (gestoven auteur) en een dagelijkse praktijk, en dat de praktijk de theorie niet helemaal kan waarmaken. Moeten we dan de theorie opgeven? Moeten we de praktijk veranderen? Moeten we hier vrede mee hebben en fluitend onze weg vervolgen?

        • Avatar of nikkidekker

          nikkidekker 11:29 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik snap wat je bedoelt, maar zoals je al vreesde; ik vind de rol van de auteur inderdaad een stuk belangrijker. Agree to disagree, lijkt me.

          En ja, de verhouding tussen theorie en praktijk…dat is moeilijk. Het hangt er natuurlijk wel vanaf wat je van de theorie verwacht. Zoals ik in mijn nieuwe blog post schrijf, geloof ik dat de praktijk de theorie helemaal niet nodig heeft – maar de theorie de praktijk wel. Ik denk dat het zeker geen kwaad kan als literatuurwetenschappers reflecteren op hun theorie van de gestorven auteur vanuit het perspectief dat geen enkele leek het me ze eens is – al was het maar om een beetje uit die ivoren toren te klimmen.
          Anderzijds is het belachelijk om een literaire theorie aan te passen op wat het grote publiek, dat toch vooral voor entertainment leest, vindt.

          Maar jij werpt de leukste optie op: de praktijk veranderen! Hoe zie je dat voor je?

          • Avatar of sinead

            sinead 10:10 am on October 15, 2010 Permalink | Log in to Reply

            Wanneer je praat over praktijk, bedoel je dan de praktijk van het schrijven of de praktijk van het lezen? Wanneer je hiervan beweert dat ze de theorie niet nodig heeft, beweer je daarmee dan niet tegelijkertijd dat ze autonoom is?

            Bovendien heb ik mijn twijfels of ze wel echt zo los staat, het gros van de mensen leest waarschijnlijk niet met de invalshoeken die wij bij lw leren, maar bij het schrijven zie je toch wel geregeld het incorpereren van theorie? De kwestie die zich dan opwerpt is wie was er eerder, de kip of het ei, maar ik denk dat theorie en praktijk met elkaar in dialoog gaan en niet dat de theorie na de praktijk komt. Theorie heeft zeker de praktijk nodig, maar is ze daarom altijd secundair?

            Waar ik erg benieuwd naar ben: waarom vind je het belachelijk het grote publiek in aanraking te brengen met een literatuurwetenschappelijke theorie?

            En het veranderen van de praktijk: ik weet niet of dat een oplossing is. Ik zweef zelf tussen de drie opties die ik opperde: theorie opgeven, praktijk veranderen of accepteren dat het zo is en onveranderd doorgaan. Optie één zullen velen niet willen overwegen, optie drie is een soort van je kop in het zand steken en optie twee lijkt dus voor de meeste vooruitgang te zorgen. Is die vooruitgang echter gewenst? Is ze mogelijk? Hoe moeten we de praktijk veranderen? Moeten we niet gewoon blij zijn dat mensen überhaupt nog lezen? Of zouden de schrijvers hier dan weer een rol kunnen spelen, als leiders van het volk?

            • Avatar of nikkidekker

              nikkidekker 5:01 pm on October 26, 2010 Permalink

              Hallo Sinead,

              ik bedoel met praktijk de literatuur, en met theorie de literatuurwetenschap. Ik stel dus dat literatuur de theorie niet nodig heeft, maar literatuurwetenschap wel de praktijk om uit de putten. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er in de praktijk (de lees-, schrijf-, recenseer- en bespreekpraktijk) niet wordt nagedacht over de aard en mogelijkheden van literatuur, maar dat dergelijke overdenkingen niet systematisch, als discipline, worden bedreven.
              Dat ik de praktijk onafhankelijk van theorie noem, wil natuurlijk niet zeggen dat ze autonoom is. Dat is een wel erg extreem standpunt.

              Ik denk zeker dat theorie en praktijk met elkaar in dialoog gaan, maar dat de parktijk hierin primair is: simpelweg omdat er anders niets te theoriseren valt. Dit is een erg persoonlijk (en veelal ongeliefd) standpunt van mij: leven gaat voor de filosofie, lezen voor de literatuurwetenschap. Omdat we mensen zijn, en geen theoriemachines.

              Je hebt me verkeerd gelezen. Ik zei: “Anderzijds is het belachelijk om een literaire theorie aan te passen op wat het grote publiek, dat toch vooral voor entertainment leest, vindt.”

              Ik denk dat optie 3 de enige mogelijkheid is. Het is niet noodzakelijk je kop in het zand steken, maar accepteren dat literatuurwetenschap theoretisch is en als zodanig niet op gelijke voet staat met de realiteit, maar eerder met de filosofie en cultuurkritiek.

    • Avatar of Léonie

      Léonie 3:42 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ha Nikki en Sinead,

      Ondanks het feit dat ik óók Barthes heb gelezen en de dood van de auteur voor mij zo normaal is geworden als die van God, betwijfel ook ik of de auteur nu werkelijk ‘dood’ is. Buiten de literatuurwetenschappelijke praktijk is dit nog lang niet zo: er worden genoeg debatten, lezingen en interviews georganiseerd waarin een bepaalde schrijver of auteur wordt gevraagd naar zijn/haar ‘inspiratiebronnen’, ervaringen die hebben geleid tot het schrijven van een boek of verhaal, de rol van de naaste omgeving etc…

      Nu moeten we ons afvragen of dit ook enige ‘zin’ heeft. De hermeneutiek, waarbij de interpreet het werk ‘beter moest begrijpen dan de auteur zelf” (ook een interessante benadering, want wat zegt dit over de auteur? Dat die misschien ‘een machine’ (Nikki) is die zichzelf ook niet begrijpt?) wordt bij ons duidelijk onderwezen als een verouderde benadering. Nadat God sneuvelde, ging in de jaren zestig en zeventig ook ‘de waarheid’ eraan (mede mogelijk gemaakt door de postmodernisten!).

      Het sneuvelen van ‘de waarheid’ leidt er echter toe, dat een boek geen juiste betekenis meer toegekend kan krijgen, ook niet, of misschien wel juist niet, door de auteur. Dit heeft weer tot gevolg dat er zoiets ontstaat als ‘polyinterpretabiliteit’ en dat dat zelfs de norm wordt (immers, wie gelooft in ‘de ware betekenis’ is nu ouderwets geworden). Deze polyinterpretabiliteit creëert een grote vrijheid (want minder gebondenheid) – maar bevordert zij ook de autonomie van het werk? En is dit wenselijk?

      We zouden kunnen stellen dat dit zo is, omdat de literatuur zo op meerdere manieren benaderbaar wordt. Aan de andere kant is het maar de vraag of je zo niet verzandt in een groot ‘interpretatiemoeras’ waarin niets meer prevaleert boven het andere. Tegelijkertijd blijkt dit in de praktijk nog niet zo te zijn – anders zouden schrijvers niet gevraagd worden naar hun ‘drijfveren’ om te schrijven (ik bedoel te zeggen, dat er toch nog meer autoriteit aan een schrijver wordt toegedicht dan iemand die iets over een werk zegt of stelt, dat hij niet zelf geschreven heeft).

      Met andere woorden: de autonomie van literatuur is iets dat blijkbaar alleen speelt in wetenschappelijke kringen. Zelf denk ik, dat het een houding is die meer openheid in zich heeft – die dus meerdere opties open laten om te laten zien hoe ‘de machine werkt’, en misschien ook wel betere opties kan aandragen dan wanneer we ons alleen richten op de auteur. Autonomie zou dus een grotere vrijheid tot gevolg kunnen hebben. Aan de andere kant kunnen we ons – ook weer lekker postmodern – afvragen of deze autonomie überhaupt bestaat, aangezien tussen het ontstaan, dus het schrijven, van een boek en het daadwerkelijk op de markt komen van een boek nog oneindig veel tussenstappen vergt.

      Een nieuwe vraag dus, om af te sluiten: is de autonomie van literatuur in den beginne mogelijk, of is het iets dat wij graag willen, als wetenschappers?

      • Avatar of nikkidekker

        nikkidekker 10:57 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ik ben ervan overtuigd dat literatuur niet autonoom kan zijn. Heeft het zichzelf geschreven? Zichzelf gepubliceerd? Zichzelf gelezen? Voilá, dat is alles wat ik erover kan zeggen.

        En ik denk dat je je eigen vraag ‘is het iets dat wij graag willen, als wetenschappers’ al hebt beantwoord wanneer je zegt dat de autonomie van literatuur alleen in wetenschappelijke kringen speelt, dat ze kan leiden tot een grotere vrijheid: waarschijnlijk speelt de autonomie van literatuur alleen in wetenschappelijke kringen omdat ze kan leiden tot een grotere vrijheid.

        Ik wil hier nog wel uitwijden: ik geloof niet dat we ons ‘alleen [moeten] richten op de auteur’; allesbehalve. Van mij mag literatuurwetenschap alles aangrijpen om een interessante interpretatie/wending/theorie van een werk te maken – het enige wat ze niet moet doen, is die interpretatie/wending/theorie voorstellen als wetenschappelijk, en dus van grotere waarde dan de intentie van de auteur en de receptie van het publiek.

      • Avatar of sinead

        sinead 9:17 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hee Léonie,

        ik denk dat je beschrijft wat ik heb geprobeerd te zeggen in andere woorden, en we eindigen op hetzelfde punt: wij hebben een theorie, maar die theorie is in de praktijk (nog) niet mogelijk of toepasbaar.

        Wat autonomie is, ik ben benieuwd wat het voor jou, maar tegelijkertijd voor alle anderen op dit forum betekent.

        Of autonomie wenselijk is, dat is een tweede punt waar ik graag over na wil denken. Voor “ons wetenschappers” is autonomie een prettig uitgangspunt want vrijheid blijheid we mogen alles onderzoeken wat we willen want het werk is een losstaand object (terwijl het tegelijkertijd daardoor misschien wel weer volledig ingebed is in alles wat je kunt bedenkent) maar blijkbaar is dat voor “andere lezers” (de hiërarchie die ik hier onbewust schep vind ik alles behalve prettig, maar ik zou niet weten hoe ik het ander moet zeggen) geen prettig idee. Blijkbaar willen mensen leiding, willen ze weten wat iets betekent en het antwoord “alles wat je kunt bedenken en begronden” is niet bevredigend. Moeten we dan maar op zoek naar de psychologische processen die daarmee te maken hebben?

    • Avatar of FlorisPieterse

      FlorisPieterse 9:07 pm on October 13, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hé Sinead,

      Goed essay (alhoewel de rol die Goethe en Spivak erin spelen me niet helemaal duidelijk is). Je stelt heel wat vragen die bij mij ( en alle literatuurwetenschappers waarschijnlijk) de afgelopen twee jaar behoorlijk in het achterhoofd hebben rondgespookt.

      Het meest intrigerende voor mij is eigenlijk de rol van ‘homo universalis’ die Arnon Grunberg die Arnon Grunberg in onze maatschappij heeft opgenomen. Het slaat eigenlijk helemaal nergens op (voor mij in ieder geval niet). Het hele idee dat omdat deze man een mooie roman kan schrijven hij vast en zeker over alles wel iets interessants te melden heeft vind ik gewoon een beetje belachelijk en ik ben ervan overtuigd dat het onvermogen van het algemene publiek om fictie en werkelijkheid uit elkaar te halen een belangrijke rol daarin speelt.

      Ik denk dat met de opkomst van de nieuwe media in de afgelopen eeuw de schrijver (onterecht) een veel enigmatischer en daarmee ook indrukwekkender figuur is geworden. Waar het eigenlijk allemaal op neerkomt is dat mensen veel minder lezen en daardoor is het lezen van een enkele roman opeens een veel gewichtiger iets geworden.

      Een voorbeeld: Iemand die nog nooit een roman heeft gelezen leest een roman en hij vindt het prachtig. Een kennis vertelt diegene dat hij hetzelfde boek gelezen heeft en er niets aan vond, waarop de eerste figuur in stomme verbazing antwoordt: ‘Hoe kan je zeggen dat dit een slecht boek is? Ik lees nooit boeken en ik vond het prachtig!’

      Ik denk niet dat ik de foute logica in het bovenstaande voorbeeld hoef uit te leggen en toch is het me één keer te veel gebeurd dat iemand dit (of iets soortgelijks) in alle ernst tegen me gezegd heeft. Misschien is de rol van de literatuurwetenschapper wel het bewaken van kwaliteit.

      Maar misschien is als literatuurwetenschapper mijn beeld van de leesgewoonten van het algemene publiek vreselijk vertroebeld. In zekere zin hoor ik eigenlijk niet meer tot het algemene publiek wat lezen betreft.

    • Avatar of jetvangroningen

      jetvangroningen 5:39 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik loop stage bij de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam, en daar worden regelmatig middagen/avonden georganiseerd waarbij de auteur centraal staat. Afgelopen zondag was er ‘In het hoofd van de dichter’, met ditmaal als gast K. Schippers. Voor de bijeenkomst had hij een gedicht moeten schrijven, wat hij dan zou voorlezen en samen met de presentatoren (Wim Brands en Erik Lindner) zou analyseren.
      In de programmaomschrijving staat: “Zin voor zin, woord voor woord ontrafelen zij de onderkant van het tapijt: Waar komen ideeën vandaan? Welke voorwerpen inspireren de dichters? Wat gebeurt er in het hoofd tijdens het dichten ?” Ik verwacht dat vele literatuurwetenschappers (zoals blijkt uit een deel van bovenstaande betoogjes) een dergelijke omschrijving tegen de borst zal stuiten. Want wat heeft het voor zin om een vergrootglas te houden boven de visies van de auteur?
      Aan het begin van de middag las K. Schippers een passage voor uit een gedicht dat verhaalt over ‘het voor de laatste maal slapen in dat bed’. Uit reacties bleek dat het publiek grotendeels dacht aan overlijden, laatste levensfases en leven na de dood. Schippers’ gedachtes bij het schrijven van het gedicht lagen echter bij de koele schoonheid en de opgeruimdheid die komen kijken bij het verhuizen naar een andere woonplek. Of de visie van het gedicht het gedicht meer schoonheid mee kan geven, weet ik niet. Maar ik ben wel van mening dat de auteur en zijn visie op zijn creatie niet iets is wat zomaar terzijde geschoven kan worden. En ik durf zelfs te beweren dat de visie/achtergrond van de auteur soms een diepere betekenis kan geven aan een werk. Tijdens het lezen van Cahier d’un retour au pays natal van Aime Cesaire of A Room of one’s own van Virginia Woolf heb ik mezelf telkens bezig gehouden met de vraag: wat moet ik weten van de geschiedenis (van de auteur) om dit werk te begrijpen?
      Ik vroeg mij af hoe jullie denken over dergelijke werken, die een sterke boodschap uit trachten te dragen? Is ook hier het literaire werk het beste te benaderen als autonoom zijnde?

    • Avatar of Léonie

      Léonie 5:21 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Veel stof tot nadenken hier!

      Jet: waarom denk je dat de visie en/of de achtergrond van de auteur een diepere betekenis kan geven aan het werk zelf? Het geeft zeker een betekenis, maar een zuivere closereading geeft toch óók een betekenis? Met andere woorden: hoe bepalen we welke betekenis die ergens aan gegeven wordt, “dieper” of “beter” is dan een andere? En als tweede: hoe maken we uit welk werk een sterke boodschap probeert uit te dragen? Zelf denk ik dat elk “goed” (maar wat is goed? O nee) boek een boodschap uitdraagt, of die nou duidelijk politiek voelbaar is (zoals bij Woolf en Césaire dus) of niet. Als je dit anders zou moeten bepalen, kom je toch gevaarlijk dichtbij een soort pamflet-achtige beoordeling van de “boodschap” van een boek?

      Floris: Het zou inderdaad kunnen dat schrijvers teveel autoriteit hebben gekregen. Dat iemand als Grunberg ook over politiek e.d. kan schrijven, betekent niet dat hij hier net zo goed (of slecht) in is als in het schrijven van een roman. Aan de andere kant staat het hem net zo vrij als ieder ander, en ik ben niet geneigd Grunbergs stellingen voor meer “waar” aan te nemen omdat hij Tirza of enig ander boek heeft geschreven (tenminste, dat denk ik zelf. Onbewust spele er vast heel andere dingen mee).
      Maar: wat vind je da algemener van de rol die “intellectuelen” moeten spelen in zoiets als het publieke debat? (Dit ook omdat daar bij vlagen enorme ophef over wordt gemaakt.) We zouden ook kunnen stellen, dat íemand dat toch moet doe (of, dat het fijn is als iemand dat doet) en zou een intellectueel/schrijver/etc daar misschien goed voor te lenen zijn? Of werken we dan teveel toe naar de bewuste creatie van een elite (we moeten immers Gramsci lezen voor aanstaande maandag).

      Sinead: Ik denk zeker dat “de zoektocht naar autoriteit” te maken heeft met het belangrijk of onbelangrijk maken van de auteur. Wij dichten autoriteit toe aan het werk, als wetenschappers: “andere lezers” (idem, (?)) doen dit bij de auteur. Ik denk dat dit inderdaad een makkelijker weg is en ook een logische stap – de auteur heeft het werk immers geschreven, dus “hij zal het beste weten”. Hiermee kom ik meteen bij Nikki’s punt: ja, het is wel de auteur die een boek geschreven heeft, maar waarom zou hij dan het meest of het beste uit zijn eigen boek kunnen halen? Ten tweede is het boek met al zoveel andere hulpmiddelen tot stand gekomen, dat we misschien wel kunnen betwijfelen of de auteur nog wel zo belangrijk is (en of niet de media, de uitgever of de boekwinkel het boek maken).

      Benieuwd naar het verdere verloop!

      Léonie

c
compose new post
j
next post/next comment
k
previous post/previous comment
r
reply
e
edit
o
show/hide comments
t
go to top
l
go to login
h
show/hide help
esc
cancel