Tagged: literatuurwetenschap RSS

  • Avatar of annemarie

    annemarie 12:02 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: belang, , , literatuur & wetenschap, literatuurwetenschap, , rol,   

    De rol van de literatuurwetenschap(per) in de samenleving 

    In de collegereeks Literatuur & Wetenschap 2010-2011 van docent Jan Hein Hoogstad aan de Universiteit van Amsterdam hebben we als studenten aan de hand van een aantal theoretische teksten, culturele objecten en de colleges met elkaar gediscussieerd en gereflecteerd op het vak Literatuurwetenschap in de les en op dit blog http://litwet.medialoperations.com. Opvallend vaak stak in de posts en reacties twijfel de kop op over de idealen en vermogens van literatuur en literatuurwetenschappers. In dit essay wil ik daarom ingaan op de vragen die daarmee voor mij als aankomend literatuurwetenschapper centraal zijn komen te staan; Is literatuur, verbeelding, in staat de wereld te veranderen? Wat is het belang of nut daarvan? En welke rol kan de literatuurwetenschapper innemen? Mijn inzet in deze bijdrage aan de discussie is dat literatuur in staat is nieuwe denkwijzen of een nieuw mens- of wereldbeeld te introduceren. Ik veronderstel weldegelijk de kracht van literatuur en literatuurwetenschap tot verandering. De rol van de literatuurwetenschapper, of geesteswetenschaper, is de verbeelding met onderzoek en praktijk te signaleren, te ontsluiten of in het debat in te brengen, culturele objecten kritisch tegen het licht houden, emancipatoire bewegingen te verankeren in een traditie van denken en daarmee de ontwikkeling van het denken gaande te houden. Via een praktijk van denken, onderzoeken, schrijven, publiceren, programmeren werpen de geesteswetenschappen evenzeer licht op ‘feitelijke vraagstukken’ uit onze dagelijkse leefomgeving als de natuurwetenschappen. De onderscheiden wetenschappen zijn ook niet tegenover elkaar te zetten zoals de online discussies doen vermoeden of in raakvlakken terug te brengen tot het kritisch tegen het licht houden van de premissen van de ene soort wetenschap door de andere. De dagelijkse realiteit vraagt interdisciplinaire benaderingen die de grenzen tussen geestes- en natuurwetenschappen overschrijden.

    Vanaf de oorsprong van het vak tot op heden lijkt het, Goethe en Spivak lezend, in de literatuurwetenschap niet zozeer om de literaire objecten zelf te gaan, alswel om een ideaal van begrip en wereldvrede. Sinead verwoordt het in haar essay “Literatuur en Wetenschap” als volgt: ‘Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is’. De discussie die vervolgens ontstaat tussen Sinead, nikkidekker, Léonie, FlorisPieterse en jetvangroningen concentreert zich echter op de autonomie van het literaire object en de mogelijkheid en wenselijkheid daarvan binnen het literatuurwetenschappelijke veld. Met de geciteerde Roland Barthes’ dood van de auteur en eerder die van god is echter zoals Léonie ook opmerkt niet zozeer de autonomie gemoeid, alswel de autoriteit van beide figuren die met de afgekondigde dood tot de proportie van een actor is teruggebracht. Het maakt niet de literaire objecten autonoom, deze zijn immers ingebed in een meerduidige context, het maakt slechts dat het laatste woord over een tekst niet langer gesproken kan worden. Léonie noemt het ‘sneuvelen van de waarheid’ die op de dood van god en auteur is gevolgd problematisch omdat met de polyinterpretabiliteit de autonomie van de literatuur wel in gevaar komt. Ik denk dat niet zozeer de pluriformiteit het probleem is, alswel dat daarmee het geloof onder druk is komen te staan dat kunst, uitspraken of interpretaties zinvol kunnen zijn of een ‘geldig’ ander licht op zaken kunnen werpen. Dat dat weldegelijk mogelijk is zou ik willen onderschrijven aan de hand van het literair werk dat jetvangroningen in deze discussie naar voren brengt, Aimé Césaire’s Notebook of a Return to the Native Land (1939). In het gedicht geeft Césaire de notie van Négritude gestalte, een politieke en literaire beweging om een gemeenschappelijke zwarte identiteit te creëren onder de bevolking van de Afrikaanse diaspora en de zwarte bevolking van Martinique in het bijzonder. Ondanks erkenning voor zijn culturele bijdrage aan het emanciperen van een raciale en sociale klasse, is in de afgelopen decennia ook kritiek gekomen op Césaire’s Négritude. Er is aangedragen hoe éénzijdig, patriarchaal en phallocentrisch zijn zwarte identiteit is en het idee van négritude is door critici vervangen door modellen die creolisering of hybriditeit voorop stellen. Zowel Césaire’s gedicht als de kritieken erop hebben, samen met een groter corpus aan primaire en secudaire teksten, de discussie en ontwikkeling van het denken over ras, postkolonialiteit en identiteit in zowel de wetenschap als in de samenleving gaande gehouden. Sommige passages uit het gedicht kunnen zelfs nog steeds met kracht de deplorabele omstandigheden van onderbetaalde werkende onderklassen en de noodzaak van emancipatie anno 2010 benadrukken. Zo benadrukken de hierop volgende versregels de realiteit van de foto’s geplaatst bij recente nieuwsberichten over China’s exportverbod op zeldzame aardmetalen. Foto’s van mannen die bijna bezwijken onder het gewicht van de zakken met grondstoffen. De mannen staan niet alleen in een diepe poel van modder, maar zijn er van top tot teen mee bedekt. Er wordt echter nergens in de berichten of de fotobijschriften aan de mannen gerefereerd. De foto’s dienen slechts als verwijzing naar de grondstoffen, die volgens de berichten nu schaars en duur zullen worden. Dan zijn de volgende versregels nog steeds urgent: ‘Grovel in the mud. Brace yourself in the thick of the mud. / Carry. / Earth of mud. Horizon of mud. Dead of the mud’ (Césaire 41).

    Om terug te komen op Jet’s vraag of dit literaire werk het beste autonoom te benaderen is, zou mijn antwoord nee zijn. Literatuur is ingebed in een complexe context en de geschiedenis of biografie is daar onderdeel van. Ik doel daarmee niet op de auteur als persoon, maar als representant van een deelgeschiedenis van een dagelijkse realiteit van velen. Of de geschiedenis van de auteur relevant is bij de interpretatie van een werk, zal van keer tot keer verschillen, evenals andere facetten van de context. De vragen en opmerkingen in deze post en reacties rondom de al dan niet mogelijke en wenselijk autonomie van de literatuur en literatuurwetenschap en rondom de verloren gegane autoriteit van auteur, woord of waarheid representeren en voeden wellicht voor een deel de twijfels die over vermogens, belang, nut van de literatuur en de literatuurwetenschap bestaan. De discussie daarover barst ten volle los in het essay “Wat studeer je? Oh, euh, leuk! Wat kan je ermee?” van Llika Polderman en de daarop volgende reacties van FlorisPieterse, roza, khnilka, Thomashvv, jorisbrakkee, mickeypotthoff, rebeccadrees, Anne van der Klift, ellenswart en nadja. Zelf benadrukt Llika vooral haar ervaring haar studie theaterwetenschap vaak te moeten rechtvaardigen of uitleggen en verdedigt ze in de slotfase van de discussie het nut van studies binnen de geesteswetenschappen: ‘De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover’. In de daarvoor geposte reacties alsook in andere posts op het blog wordt echter hevig getwijfeld over het nut, belang en toekomstperspectief. Een studie binnen de Geesteswetenschappen wordt leuk genoemd, een luxe, abstract, niet praktisch en de deelnemers vragen zich af wat je met de studie kunt doen en betwijfelen of het veel perspectief op carriere of geld biedt. De natuurwetenschappen worden daar tegenover gezet als studies met resultaten, nut, finale antwoorden en noodzaak. Thomashvv raakt weer aan het idee van autonomie wanneer hij in een reactie zegt dat ‘steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen’. Maar betekent je bezig houden met nieuwe interpreaties ‘afzondering’? Wanneer Vaessens spreekt van engagement ‘veronderstelt dat verbinding’, licht hij zelf in een interview met Arnoud van Adrichem in literair tijdschrift Parmentier toe. Niet volgens het postmodern discours vrij zijn van verbindingen, maar ‘vrij zijn voor verbindingen […] een vorm van trouw zijn aan je eigen affecties’. Hij vervolgt: ‘Het postmodernisme heeft een heel duidelijk historisch nut gehad, […] maar je kunt je wel de vraag stellen of dat postmodernisme daarmee ook antwoord bood op alle vragen’. Geenszins een pleidooi om interpretaties af te doen lijkt mij, maar een pleidooi om interpretaties met meer overtuiging in te zetten en te onderzoeken hoe dat gaat, ‘vrij zijn voor verbindingen’. Hoe doen hedendaagse schrijvers dat? Welke wegen zoeken auteurs, kunstenaars, opiniemakers en politici om zich weer oprecht te verbinden. Wat gebeurt er in hun teksten. En zijn er technieken die ook literatuurwetenschappers in kunnen zetten?

    De vermogens en het belang van kunst en cultuur worden in de discussie onderschat. Het vermogen en belang van vakmensen die culturele objecten leren “lezen”, verbinden, becommentarieren zoals beta-wetenschappers hun verschijnselen “lezen”, verbinden wordt onderschat. Het verruimen van de blik, het schetsen van een alternatief wereld- of mensbeeld, het in een kritisch of absurd daglicht stellen van zaken, het spiegelen, en zo nog vele ander denkbare effecten, zowel middels de kunsten als in onderzoek en reflectie hierop worden onderschat. Het gaat daarbij niet alleen om begrip te verkrijgen voor andere culturen, zoals Goethe en Spivak het ideaal van de literatuurwetenschap kort gezegd verwoord hebben. Hoe leren we kinderen over samenzijn, samenleven, de waarde van het een of ander, de driften, de conventies, de ruimte om er wel/niet van af te wijken, kortom hoe brengen we hen onze cultuur bij? Door verhalen, gedichten, tekeningen, liedjes, films, games, toneelspel, etc. Wat draagt bij aan het ontwikkelen van empathie, van analytisch vermogen, van sociale vermogens, creatieve vermogens. Opnieuw de kunsten. Het tot je nemen/je inleven in verhalen – ongeacht het medium –, het maken van of luisteren naar muziek. Het belang, nut of de rol van een literatuurwetenschapper daarin? Inzichtelijk maken welke effecten van verhalen uitgaan, welke waarden bijvoorbeeld in de gangbare sprookjes en disneyverhalen worden onderschreven, daar wellicht kritische kanttekeningen bij plaatsen, mogelijk een pleidooi houden voor het herschrijven van sprookjes. Of wat dacht je van het kritisch lezen van een film als Brokeback Mountain? Is de film werkelijk vooruitstrevend of worden tegelijkertijd zeer conservatieve waarden uitgedragen? Of welke effecten heeft bepaald politiek taalgebruik? Victor Klemperer en Judith Butler hebben daar met respectievelijk Lingua Tertii Imperii en Excitable speech relevante onderzoeken en uitspraken over gedaan. Allemaal toepassingen van het vak, concreet, nuttig, kritisch, nuancerend daar waar nodig, een debat breder trekkend, dat is geen luxe, het maakt deel uit van de motor waarop een samenleving draait en zich ontwikkeld. Of, als het geen verschil maakt in publieke sfeer, een alternatief idee biedt voor diegenen die zich niet gerepresenteerd voelen in de samenleving. En kunst en cultuur is ook geen luxe in de zin dat het zich zou beperken tot welvarende samenlevingen. Ook in ontwikkelingslanden is de behoefte aan ‘verbeelding’, hoog. Werkend voor een cultuurfonds van een ontwikkelingshulporganisatie, een fonds dat kunstenaars in ontwikkelingslanden ondersteunt en de culturele infrastructuur probeert te versterken (productie, distributie), viel het altijd weer op hoeveel belang mensen hechten aan verhalen, theater, muziek, dans. Gevraagd naar basisbehoeften benadrukten mensen naast water, voedsel en onderdak, kunst als vitaal onderdeel van het leven.

    Rebeccadrees noemt in een reactie nog steeds op het essay van Llike Polderman, de geneeskunde, natuurwetenschap en recht als ‘wetenschappen die zich over feitelijke vraagstukken ontfermen’, maar de geesteswetenschappen ontfermen zich dus evenzeer over vraagstukken of objecten die deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit en die realiteit mede bepalen. In die zin is een strikte scheiding tussen de vraagstukken van beide ‘soorten’ wetenschappen ook niet langer vol te houden. In het deel “En nu verder: culturele studies voor de eenentwintigste eeuw?” in Culturele studies. Theorie in de praktijk wordt onderschreven hoezeer de technologie een steeds sterkere greep op het dagelijks leven heeft en tegelijkertijd de geesteswetenschappen hier relevante dingen over kunnen zeggen omdat deze technische fenomen directe en ingrijpende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld definities als identiteit en subject. Hoe sommige kunstuitingen soms meer vertellen over depressie of emoties dan biologiehandboeken of hoe wetenschappelijke ontdekkingen als nanotechnologie onderdeel worden van het dagelijks leven en daarom niet alleen betekenis hebben in het laboratorium. Er wordt in het boek dan ook gepleit voor verregaande grensverkenning (172-173). Een voorbeeld van een kunstenaar die met zijn werk, http://www.studioroosegaarde.net/, de invloed van technologie op ons leven wil tonen is Daan Roosegaarde. Onze verhouding tot technologie wordt tezeer voorgesteld in apps en gadgets licht hij toe in een interview in NRC Next van 30 november 2010. Roosegaarde wil het idee van interactie losmaken van een product, het persoonlijker maken en voor hem is de cruciale vraag of de technologie ons helpt om meer mens te worden. Het idee van grensverkenning en interdisciplinariteit uit Culturele Studies. Theorie in de praktijk op een andere manier loslatend op onze praktijk, stel ik me voor hoe een literatuurwetenschapper als volgt bij kan dragen aan ontsluiting van een alternatief wereldbeeld of een bijdrage kan leveren aan vraagstukken waar bijvoorbeeld de geneeskunde zich mee bezig houdt. Neem een ‘gedragsstoornis’ als ADHD, een aandachts-tekort-stoornis met hyperactiviteit dat momenteel vaak bij kinderen wordt vastgesteld. Het is voorstelbaar dat de verschijnselen samenhangen met een afnemende aanwezigheid in de natuur, een voor mensen van oudsher natuurlijke omgeving. Amerikaans dichter Mary Oliver reikt met haar poëzie en essays evenzeer een mogelijke oplossingsrichting aan als dat de geneeskunde dat doet. Daar waar de geneeskunde het in geneesmiddelen zoekt, deze ontwikkelt en voorschrijft om de symptomen te bestrijden, pleit Oliver ervoor, niet in relatie tot ADHD overigens, kinderen de natuur voor te schrijven. ‘Give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lords of profit. Stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent beautiful blossoms’ (56). Oliver is niet heel bekend in Nederland en waarschijnlijk is literatuur in de geneeskunde als handreiking voor het zoeken naar een oplossingsrichting ook niet gangbaar. Maar wie weet wat de literatuurwetenschapper kan bereiken door deze literatuur in Nederland te ontsluiten en het in te brengen in het debat over ADHD als nader te onderzoeken oplossingsrichting. Wie weet blijkt een dagelijks portie natuur even effectief als een medicijn als retalin. Zomaar een voorbeeld van een toepassing, misschien niet direct voor de handliggend, maar evengoed concreet, nuttig en gericht op een feitelijk vraagstuk, namelijk hoe het komt dat zoveel kinderen kampen met hyperactiviteit of hun aandacht niet lang kunnen vasthouden. De literatuur verbeeldt in dezen een alternatieve leefstijl waarin de natuur een prominente rol speelt.

    Het belang van de geesteswetenschappen wil ik tot slot nogmaals benadrukken met navolgend citaat uit Culturele studies. Theorie in de praktijk:

    ‘Juist vandaag de dag lijkt de maatschappelijke en politieke discussie beheerst te worden door een begrip van “cultuur” dat heen en weer slingert tussen nationaal en religieus groepsdenken en wereldwijde commercie. In deze context pretendeert culturele studies niet het laatste woord te hebben of het superego van de humanities te zijn, maar wil ze steeds weer de kritische inzet van cultuur tonen. Want cultuur is tenslotte datgene wat onze directe dagelijkse leefomgeving en niet in de laatste plaats onszelf bepaalt’ (10).

    Bibliografie
    Baetens, Jan, et al. Culturele studies. Theorie in de praktijk. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2009.

    Butler, Judith. Excitable speech: a politics of the performative. New York: Routlegde, 1997.

    Césaire, Aimé. Notebook of a Return to the Native Land. Trans. and eds. Clayton Eshleman
    and Annette Smith. Middletown: Wesleyan University Press, 2001.

    Goethe, Johann W. Von. “World Literature”. Comparative Literature: The Early Years: An
    Anthology of Essays. Ed. Schulz, Hans Joachim. Chapil Hill: University of North Carolina
    Press, 1973. 3-11.

    Klemperer, Viktor. LTI. Notizbuch eines Philologen. Stuttgart: Reclam Tasschenbuch, 2007.

    Literatuur & Wetenschap, http://litwet.medialoperations.com/

    Oliver, Mary. Blue Iris. Poems and Essays. Boston: Beacon Press, 2004.

    Roosegaarde, Daan. http://www.studioroosegaarde.net/

    Spivak, Gayatri Chakravorty. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia
    University Press, 2003. 1-25.

    Van Adrichem, Arnoud. “‘Het postmodernisme voorbij? In gesprek met Thomas Vaessens”,

    http://www.literairtijdschriftparmentier.nl.

     
    • Avatar of yvonne

      yvonne 4:58 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Annemarie,

      Het is fijn te zien dat er ook na afronding van het vak deelnemers zijn die hier terugkomen, en al helemaal om een nieuw essay te lezen. Je roert ontzettend veel punten aan waarbij ik de behoefte voel om te reageren. Momenteel loop ik o.a. als hulpsint tegen een bekend fenomeen ‘gebrek aan tijd’ aan, maar ik zal me later in de maand in de door jou aangevoerde teksten/links verdiepen en reageren. Mocht het januari worden, dan hoop ik dat de website er nog is en anders vinden we wel een andere manier.

      hartelijks, Yvonne

      • Avatar of annemarie

        annemarie 2:09 pm on December 10, 2010 Permalink | Log in to Reply

        hi Yvonne, dank, misschien kunnen we eea eerder al combineren: volgende week (17/12) heb ik een programma in Perdu dat raakt aan essay hierboven – hoe schrijvers, kunstenaars zich weer vrij maken voor verbindingen en of er een nieuw ervaringsparadigma in de maak is… http://www.perdu.nl/agenda.cfm . misschien heb je zin en tijd om te komen – kunnen we het er ‘live’ over hebben aan de bar. En ja, poezie Cesaire en Oliver kan ik van harte aanbevelen. Leuk, zie uit naar jouw reacties! anders mailen we wel mocht site niet meer online staan. ciao Anne-Marie

    • Avatar of yvonne

      yvonne 5:16 pm on December 11, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey hoi, Anne-Marie,
      Had het interessante programma voor de 17e gezien, maar zit die avond in het Concertgebouw (Haitink). Ik ben vorig semester bij de avond in Perdu over Vaessens ‘Revanche van de roman’ geweest. Daar sprak Nicoline ook, o.a. over DFW/’Do you feel it too’ (niet zonder emotie!). Césaire was me bekend, Oliver nog niet, gaat op de ‘to read list’.
      Ik wens je alvast een mooie/goede Perdu-avond en we bereiken elkaar wel.
      Grtz, Yvonne

  • Avatar of nadja

    nadja 10:29 pm on October 29, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , literatuurwetenschap   

    General Guidelines. 

    Een punt uit mijn aantekeningen laat mij niet meer los en heeft mij heel erg aan het denken gezet: “Hoe wij het doen is belangrijker dan de inhoud”. Ik vind dit punt heel interessant vooral in relatie tot de twee begrippen, praktijk en intellectueel, waaraan de afgelopen twee colleges gekoppeld waren. De zin doet mij daarnaast ook denken aan een verhaal van een vriend van mij. Hij moest zijn scriptie schrijven maar hij had steeds weer problemen met de computer en was verschillende versies van zijn scriptie kwijt. Hij kon daarom ook niet zijn definitieve versie van zijn scriptie inleveren maar moest een eerdere versie inleveren. Bij deze eerdere versie waren de verwijzingen echter niet helemaal in orde. Hij heeft om deze reden een slechter cijfer gekregen dan de meeste andere studenten in zijn jaar, hoewel zijn stuk waarschijnlijk inhoudelijk sterker was en hij veel meer en specifieker onderzoek had gedaan. Volgens mij laat dit verhaal goed zien dat je je aan de regels moet houden als je binnen de intellectuele kringen geaccepteerd wil worden en erbij wil horen.
    Het verhaal deed mij ook denken aan de MLA-richtlijnen en hoe wij binnen het vakgebied van de literatuurwetenschap daarmee omgaan. Wij zijn in onze manier van schrijven gebonden aan een set van regels om binnen het discours geaccepteerd en begrepen te worden. Deze regels houden echter geen rekening met de praktijk en het proces van schrijven. Soms is het bijvoorbeeld lastig om duidelijke en juiste verwijzingen te maken omdat bepaalde informatie in een boek ontbreekt of omdat men in alle stress niet meer aan de punt achter elke titel in de bibliografie denkt. Is het niet belangrijker om een goed, mooi en creatief stuk te schrijven? De verwijzingen en de bibliografie zijn zonder twijfel belangrijk en moeten niet onderschat worden, maar moeten zij echt de inhoud overschaduwen? Aan de andere kant is het natuurlijk ook weer een probleem als er helemaal geen regels of richtlijnen zijn. Regels en grenzen staan echter niet vast, want zij kunnen gebroken, veranderd en aangepast worden.
    Ook de tekst van Michel de Certeau houdt zich met dit probleem bezig. Bij de Certeau gaat het om het verschil tussen praktijk en discours. In college hebben wij twee belangrijke begrippen uit zijn tekst besproken die hier van belang zijn: praktijk (know how) en methode (how to do it) (65). Deze begrippen sluiten ook heel goed aan bij de manier hoe binnen onze opleiding de MLA wordt gehandhaafd. Er zijn de richtlijnen die door de Modern Language Association bedacht worden en die de juiste methode voorstellen. De manier waarop wij ermee omgaan wijkt er echter sterk vanaf.
    Wat mij opvalt is namelijk dat wij wel steeds erop gewezen worden om ons aan de richtlijnen van de MLA te houden en onze papers volgens deze regels te schrijven, maar aan de andere kant lijken de regels ook weer niet zo belangrijk te zijn. Natuurlijk wordt er in bepaalde vakken, zoals Academisch schrijven, wel erg op de regels gelet. Dat soort vakken zijn er ook om ons de regels te leren, maar in de meer inhoudelijk en literaire vakken doen zij er niet zoveel toe, lijkt het.
    Dit is een mooi punt om weer op het verhaal van de vriend van mij terug te komen, waar de methode dus wel belangrijker dan de praktijk leek te zijn. Door het niet correcte gebruik van de regels wordt hem de toegang tot de intellectuele kringen moeilijker gemaakt. Als nou aan de andere kant de regels en richtlijnen om correcte wetenschappelijke stukken te schrijven binnen een universitaire opleiding niet zo serieus worden genomen, wat voor een effect heeft dat dan? Wij studeren immers aan een universiteit die ons tot wetenschappers wil opleiden. Zijn wij niet bezig om ons het binnentreden in de intellectuele kringen moeilijk te maken? Is er daarnaast niet ook een kans dat wij als literatuurwetenschappers en de hele discipline van de literatuurwetenschap in dat geval minder serieus worden genomen?

    Bibliografie:
    de Certeau, Michel. The Practice of Everyday Life. Berkeley: University of California Press.

     
    • Avatar of lanabroekaert

      lanabroekaert 12:29 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Nadja,

      Zou het niet juist kunnen zijn dat deze regels er zijn om onze aansluiting op de intellectuele gemeenschap te versoepelen? Dit zijn algemene (internationale) regels van het vakgebied, dus stel je gaat in het buitenland studeren, dan werk je tenminste op dezelfde manier. Ik denk dat deze schrijfconventies dus eerder als een hulpmiddel gezien kunnen worden dan als een obstakel. En met betrekking tot die vriend van je: heel vervelend, maar het is gewoon pech. Iedereen moet de MLA goed inzetten, en weet dat dit een deel van het cijfer bepaalt.

    • Avatar of Gerda

      Gerda 8:37 pm on November 1, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Nadja,
      Hoewel ik jouw gedachtegang goed kan volgen, ben ik het niet met je eens. Evenals Lana ben ik voor het gebruik van goede verwijzingen volgens de internationale regels. Voor studenten moet dit ‘a piece of cake‘ zijn als je kijkt welke prestaties verder geleverd moeten worden.
      Je houdt je toch ook aan de afgesproken spellingsregels etc.?
      Een ander belangrijk punt vind ik dat iedereen eenvoudig terug moet kunnen vinden waar jij een bepaald idee vandaan hebt, zodat we kunnen zien waar je voortborduurt op een bestaand idee en waar jouw nieuwe gezichtspunt begint.

    • Avatar of simonevs

      simonevs 2:01 am on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Nadja,

      Je schrijft: “Hij heeft om deze reden een slechter cijfer gekregen dan de meeste andere studenten in zijn jaar, hoewel zijn stuk waarschijnlijk inhoudelijk sterker was en hij veel meer en specifieker onderzoek had gedaan.”

      Volgens mij stip je hier een interessant punt aan. Ten eerste is dit een standpunt zonder argumentatie; het maakt het lastig hier dus op in te gaan of het rechtvaardig is of niet. Interessanter is, naar mijn mening, dat je vanuit deze gebeurtenis je betoog opbouwt. Je stelt dat er bepaalde regels zijn, waar men aan moet voldoen en dat dit een restrictie is.

      Maar, laat bovenstaande citaat niet juist zien dat er eigenlijk geen algemene regels gelden, maar dat ieder in wezen naar eigen gerief zijn regels verzint. We nemen over wat we voor onszelf praktisch of bevredigend vinden en schrijven de regels die ons niet liggen of waar we onder lijdens wegens een gebrek aan kennis of eigenschap (chaotisch zijn bevordert een nette archivering bijvoorbeeld niet), af als niet toe doende of een beperking van ons talent. Ik denk dat het toe-eigenen van bepaalde regels binnen een institutie (zoals de universiteit), ons juist kan bevrijden. Zonder richtlijn noch sturing is geen mens productief. Wie chaotisch en anti-autoriteit is, zal wellicht van school gaan, om nooit een vuil woord aan zijn/haar eigen capabiliteit te wijten, maar altijd af te geven op de institutie. Hij/zij wordt misschien een kunstenaar; het romantische type bevoorrecht met genialiteit. Dat deze kunstenaar ook volgens een bepaalde stramien en regels werkt, staat buiten kijf, terwijl ik me afvraag: is het echt minder goed om je bepaalde wetten en manieren van instituties toe te eigenen, dan te doen alsof je creativiteit tot stand komt uit het niets? Creëren sommige regels niet gewoon vrijheid: als jouw vriend zijn literatuurbronnen niet goed citeert, beperkt hij zijn collega-studenten om zijn werk als inspiratiebron te gebruiken voor verder onderzoek. Het volgen van dergelijke regels (uiteraard kon hij er in dit geval niets aan doen ivm computerproblemen) heeft in die zin toch een intellectuele vrijheid tot gevolg: de regels dienen alleen om een leefbaar en discutabel wetenschappelijk veld tot stand te brengen dat zich juist weet uit te breiden door middel van een gezamenlijke basis waar niemand een uitzondering op de regel is?

    • Avatar of FlorisPieterse

      FlorisPieterse 1:01 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hé Nadja,

      Leuk essay en ik ben het grotendeels met je eens, op één punt na: in mijn ervaring als student tot nu toe heb ik de MLA-stijl nooit als problematisch beschouwd. Wanneer ik bepaalde informatie niet in een boek kan vinden vermeld ik gewoon de informatie die wel beschikbaar is en dat is altijd genoeg geweest. Als informatie er niet is, dan is het er nou eenmaal niet, dat begrijpt iedereen wel. Het is mij ook weinig overkomen dat het missen van een punt of komma een grote invloed had op mijn cijfer.

      Ik kan dus niet zeggen dat ik begrijp waarom jij denkt dat het toepassen van de MLA als regel ertoe zou kunnen leiden dat men de literatuurwetenschappen minder serieus neemt. Een groot deel van onze studie bestaat uit het zoeken naar informatie en de MLA guidelines zorgen ervoor dat de informatiebronnen in een essay of artikel overzichtelijk blijven. Ja, het vraagt enige vorm van discipline van de literatuurwetenschapper om dit altijd bij te houden, maar dat zou ik eveneens niet als iets negatiefs kunnen zien.

      • Avatar of jwhiah

        jwhiah 4:53 pm on November 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Beste Nadja,
        Bij het lezen van jou jou tekst moest ik somehow denken aan Pierre Bourdieu en de notie van cultureel kapitaal. Wanneer een individu bezit over veel cultureel kapitaal zal deze toenemen in macht en status. Dit komt door de waarden die circuleren in de samenleving waardoor cultureel kapitaal van groot belang wordt geacht.

        Voor MLA stijl betekent dit dat wanneer jij bezit over de kennis om MLA toe te passen, dat jij dan ook toeneemt in status, je krijgt eenmaal hogere cijfers als je het correct toepast? Voor de discipline literatuurwetenschap betekent dit dat het gebruiken van MLA jou toegang geeft tot het behalen van goede cijfers, en uiteindelijk ook je diploma. (en misschien later ook wel tot het publiceren van teksten en onderzoeken). Om het even zwart wit te zeggen: zonder het gebruik van MLA krijg jij niet je diploma! En hier kan ik mij wel vinden in jouw kritiek. Want wat maakt iemand dan tot een goed student (en intellectueel)? Omdat zij/hij goed MLA stijl kan toepassen?

        Bovendien verschillen de regels met betrekking tot de manieren van refereren tussen de verschillende disciplines. De sociale wetenschappen maken bijvoorbeeld gebruik van APA normen (American psychology association). Wanneer je een essay schrijft voor het vak ‘steden in tijden van mondialisering’ moet je niet bij de docent aankomen met een essay waarin je verwijst o.b.v. het MLA systeem. Dit klinkt allemaal niet problematisch, zelfs gewenst, stelt Weber met zijn doelrationaliteit en het ‘verstehen’.

        Maar als je dit breder trekt betekent het dat wanneer je toegang wilt krijgen tot een institutie, je over de nodige kennis moet beschikken. Maar aan de andere kant, door jezelf hier bewust van te zijn, kan jij een toegang creëren? Voor iemand die zowel literatuurwetenschap studeert als, bijvoorbeeld, sociologie, moet deze telkens switchen tussen het ene systeem van refereren, naar het andere systeem: APA -> MLA -> APA -> MLA -> etc… Je kan voorstellen dat je daar niet altijd blij van wordt, maar het is nog steeds niet problematisch!

        Dit wordt wél problematisch als deze kennis niet beschikbaar is, of als je niet weet waar je aan deze kennis moet komen. Dit is, met een simpel geval van stijlen van verwijzingen nog wel te overzien, maar in andere gevallen kan dit lastiger zijn.

        Een extreem geval: denk maar eens aan ex- gedetineerden die weer ‘los worden gelaten’ in de samenleving. Zij moeten heel veel dingen regelen in hun functie van ‘burger’, de zorgverzekering moet opnieuw afgesloten worden; ze hebben waarschijnlijk nog geen baan, dus ze moeten een uitkering aanvragen; ze moeten weer bij het GBA geregistreerd komen te staan; ze hebben vaak schulden, dus ze moeten een schuldsanering aanvragen etc etc…Dit zijn allemaal regels die belangrijk zijn voor een land als Nederland. Doe je dit niet, dan is de kans groot dat je wel in de problemen komt (en de recidive cijfers liegen er ook niet om!!).

        Nog kort, een ander perspectief waaruit ik jou essay heb gelezen, is de leus ‘The medium is the message’. En ik denk dat dit ook sterk geldt voor de essays die wij moeten inleveren. Niet slechts de inhoud is op zichzelf belangrijk en niet slechts de vorm is op zichzelf belangrijk, maar zij oefenen invloed op elkaar uit! De manier waarop deze twee aspecten zich tot elkaar verhouden en betekenis krijgen, verschilt. Het is namelijk afhankelijk van bepaalde variabelen.

        (sorry voor de lange reactie!) Gr. Jing

    • Avatar of

      khnilka 11:08 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ja, MLA kan een pain in the ass zijn, maar we krijgen juist toch ook daarom Academisch Schrijven in het eerste jaar? Juist om die regels (die niet eens heel moeilijk zijn) onder de knie te krijgen, zodat je ze uiteindelijk zonder na te denken toepast? Daarnaast denk ik inderdaad ook dat we regels nodig hebben en of het nu MLA is of niet door rood fietsen, dat maakt niet uit, het zorgt ervoor dat alles soepel verloopt, hoe vervelend sommige regels ook zijn.

      • Avatar of jorisbrakkee

        jorisbrakkee 11:38 am on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi allen, ik ben het eens dat er regels moeten zijn om alles wat soepeler te laten lopen. Een te strikt vasthouden aan de regels laat namelijk vaak de dingen vastlopen. khnilka’s voorbeeld van door rood rijden vind ik een goed voorbeeld. Bij drukke kruispunten en tijdens de spits moet je je inderdaad aan het rode licht houden, voor je eigen veiligheid en die van anderen. Maar midden in de nacht als er niemand het hele kruispunt meer gebruikt vind ik dat je best, als je eerst goed om je heen kijkt, als fietser door rood zou moeten mogen rijden. Toch krijg je dan een boete.
        Hetzelfde geldt een beetje voor het voorbeeld van Nadja. Natuurlijk is het handig dat die regels er zijn, omdat iedereen elkaar dan beter snapt, kan zien waar dingen vandaan komen en dergelijke. Maar is het niet veel belangrijker om te kijken naar zijn eigen punten, naar de nieuwe dingen die hij zelf introduceert, naar de manier waarop hij zijn argumenten opbouwt, etc, dan naar hoe hij een citaat annoteert?
        Het lastige is volgens mij voornamelijk dat tegenwoordig een heel groot gedeelte van de wetenschappelijke wereld gefocust is op hoeveel citaten iemands artikel krijgt. Dit geeft namelijk status aan diegene en dus meer geld aan die persoon, maar ook meer funding aan diens universiteit of onderzoeksinstituut. Meer geld dus. Als er dan verkeerd geciteerd wordt, verlies je status en geld. Dus wordt ons allen al in onze studententijd op straffe van een 3,5 van Mieke Taat een of ander systeem van annotatie ingebeiteld, zodat wij later wel gewoon meekunnen in de hele citations-industrie.

  • Avatar of sinead

    sinead 6:32 pm on October 28, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: literatuurwetenschap,   

    De verlamming van het subject en de blootstelling aan de wereld 

    Mijn spreekwoordelijke ome Koos vraagt als sinds hij weet wat ik studeer op elk familiefeestje ‘Literatuurwetenschap… wat doe je dan?’, waarbij hij zijn wenkbrauwen optrekt en telkens weer zijn verbazing niet kan verbergen. Deze vraag, die niet alleen míjn ome Koos stelt, hebben we vast allemaal wel eens gehoord maar kunnen we die nu, zo tegen het einde van de bachelor, bevredigend beantwoorden? Wanneer ik voor mijzelf spreek: nee. Het antwoord is nog altijd een zweverig: ‘Boeken lezen, filosofie, dat soort dingen’ waarna ome Koos zijn wenkbrauwen nogmaals optrekt en je hem ziet denken ‘wat zit daar nu voor een toekomst in?’. Drie jaar literatuurwetenschap heeft er niet voor gezorgd dat ik anderen kan overtuigen van de toekomst van onze studie, want die toekomst, tja, wat is die nu precies? Ja, je hebt geleerd kritisch te denken, te deconstrueren, sluiers op te tillen, taboe’s niet te schuwen en vooral heel veel boeken gelezen die je ‘normaal’, wanneer je iets anders was gaan doen na 6 VWO, je buitenlandreis, je eerdere al dan niet mislukte studie, <vul in>, waarschijnlijk niet had aangeraakt. Je legt verbanden die anderen misschien niet hadden gedacht, maar is dat nu zo bijzonder? En wie heeft daar nu wat aan?
    (More …)

     
    • Avatar of thomasvangrol

      thomasvangrol 7:56 pm on October 28, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sinead,

      Ik ben het met je eens dat er geen Groot Doel is in het leven om naartoe te werken, geen Nut die bepaald hoe je je leven moet leiden en vooral dat dit verlammend werkt. Toch is er wel iets van nut of een doel in het leven van iedereen; anders zou je geen motivatie hebben om uit bed te komen, zeg maar. Al is de motivatie, het nut van het leven maar om de verveling te stoppen.
      Ik denk dat het belangrijk is om te kijken waar het nut nu vandaan komt. Nut is belangrijk voor de samenleving als geheel. Jouw spreekwoordelijke ome Koos kijkt je vreemd aan omdat als literatuurwetenschappers er weinig bijdrage verwacht wordt aan de samenleving. Die verwachting komt weer voort uit zijn wereldbeeld. De samenleving heeft gezamenlijk door de jaren heen vastgelegd welke dingen ‘nuttig’ zijn en welke niet. Helaas accepteert de samenleving (een institutie) weinig ‘andersheid’ en een kritische kijk op de samenleving is dan ook niet gewenst. Hierdoor zal literatuurwetenschap als ‘niet nuttig’ worden gezien. Toch is er ook nut voor de literatuurwetenschappers in de samenleving; anders zou er geen studie van zijn.
      Nu we hebben vastgesteld dat ons Nut ligt in de handen van al onze ome Koos-en, kunnen we ook zien dat er verandering mogelijk is. We kunnen ons nuttig maken door ons te gedragen hoe ome Koos wil dat we ons gedragen, of we kunnen proberen het wereldbeeld van ome Koos te veranderen. Dan kunnen we het lijk van Nut misschien opzetten en net doen of het weer leeft (want al die andere mensen met vaststaande wereldbeelden weten toch nog niet dat Nut dood is). Dan denkt in ieder geval de rest van de mensheid dat we nuttig zijn. Dit is nog geen middel tegen de verlamming, maar als we nu eindelijk ons Nut zelf kunnen bepalen, hoeven we ook aan niemand verantwoording af te leggen. We kunnen doen wat we willen, we kunnen onze eigen doelen stellen. We kunnen zelfs God zijn! Als we alledrie schijnbaar tot leven wekken, zodat iedereen met een vast wereldbeeld erin gelooft dat wij doelen voor de samenleving kunnen stellen, is alles mogelijk. De enige vraag die je je af moet vragen is alleen nog maar: Hoe kunnen we het wereldbeeld van Ome Koos veranderen?

      Wat ik eigenlijk wil zeggen is gewoon: Doordat we kritisch zijn, hoeven we ons niet te houden aan de doelen die anderen aan ons opleggen. In plaats van verlamming kan dit ook heel bevrijdend werken. En als we anderen kunnen laten inzien dat wat wij doen heel nuttig is (ofwel voor de samenleving relevant), dan kunnen we ook meer kritische mensen kweken.

    • Avatar of clau

      clau 10:17 am on October 29, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Sinead,

      een prachtig stukje dat je hebt geschreven. Als dat het resultaat is van drie jaar Literatuurwetenschap dan is het duidelijk wat het jou heeft opgeleverd.

      Ik ben het met je eens dat je aan het einde van je studie vragen gaat stellen over je toekomst, die (voor mij persoonlijk dan) veel op een wit fel papier lijkt. Nu functioneren we nog binnen het kader van de universiteit: colleges, tentamens, essays, lezen, schrijven, denken, praten, borrelen. Maar als we straks worden losgelaten ‘op de maatschappij’, wat dan? Wat moet de maatschappij met ons en van ons?

      In Berlijn is de studie literatuurwetenschap de kweekvijver voor toekomstige generaties taxichauffeurs. Denkend aan de recente taxioorlog in Amsterdam en het feit dat waarschijnlijk slechts een minderheid van ons een rijbewijs heeft is niet eens dat een optie die we serieus kunnen overwegen. Fietskoerier dan maar?

      Ik zou niet willen stellen dat je door een geesteswetenschappelijke studie een beter mens wordt- we redden geen levens, niet eens in de vorm van dierenactivisme. We koken geen vijfsterren menu’s, hooguit pasta met tomatensaus. Misschien dat ome Koos is een idealistisch momentje nog wel kikkers over straat wil dragen of een poging doet tot coq au vin.

      Nog even wat gedachten over de zogenaamde nutteloosheid van onze studie: God is dood, de auteur is dood, en nu is ook de weg kwijt. De absurditeit van het bestaan is iets dat een vaste plek in ons achterhoofd heeft gekregen. Literatuurwetenschap is gewoon geen studie met een utilitaristisch doel.
      Misschien dat ik met de volgende opmerking de mist in ga, maar literatuur en filosofie hebben wel degelijk een functie: een functie van beschaving. Je leert tolerantie, empathie, en kritisch denken. Je leert hoe je op familiefeestjes ongemakkelijke stiltes vult. Je vindt de opmerking ‘eigen uniek talent’ van Rutte grappig.
      Dat betekent echter niet dat we allemaal in fanatieke bekeerlingen moeten veranderen die van ome Koos eisen dat hij Shakespeare moet lezen, of Beckett, of een uitgesproken mening over Foucault hoort te hebben.

      Thomas begaat trouwens een prachtige drogreden met het stellen dat het bestaan van de studie literatuurwetenschap het bewijs is voor het nut van literatuurwetenschappers in de maatschappij. Literatuurwetenschap is een fantastische studie, maar haar bestaan is geen bewijs voor haar nut. Het is echter wel een argument voor het bestaan van mensen met een passie voor dit vak, anders was onze studie al lang wegbezuinigd. Literatuur en literatuurwetenschap geeft ons een plek, en vanuit die positie kunnen we roepen: Leve het leven!

    • Avatar of yvonne

      yvonne 7:38 pm on October 30, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Sinead,

      Je roert hier een goed punt aan. Mijn ome Koos bestaat met name uit de moeders die ik op school en langs de voetballijn spreek en mijn schoonvader. De eersten vinden het onvoorstelbaar dat mijn kinderen 2 keer 2 uur naar de naschoolse opvang terwijl ik toch studeer en thuis zit. De laatste bleef mijn studie altijd benaderen vanuit geldelijk motief, tot vervelens toe, tot ik zijn vragen over de studie alleen nog met ‘het gaat uitstekend’ beantwoordde en over een ander onderwerp begon.

      Via Facebook (zogenaamd niet erg nutig) leerde ik Peter Venmans kennen. Hij schreef een boek genaamd ‘Over de zin van nut’. Dit gaat over het nutsdenken, de maatschappelijk nadruk op het denken in termen van efficiëntie. Dat is waar je als student literatuurwetenschap op stuit lees ik in je essay. Venmans beschrijft de (filosofische) geschiedenis van het nutsdenken. Een mooi stukje gaat over Mills. De depressie van 1826 liet hem inzien dat het nutsprincipe alleen niet zaligmakend is en zelfs het meest waardevolle in de mens kan vernietigen, maar tegelijkertijd dat je er niet zonder kunt. Venmans pleit voor weer een koppeling van nut aan geluk, waarbij geluk zo breed en zo specifiek mogelijk gedefinieerd moet worden inclusief alle vormen van zelfrealisatie, met inbegrip van hogere genietingen, etc.

      Volgens mij komt de mens steeds verder in het nauw en van zichzelf af te staan door alle efficientie-normen (Adorno). Hij weet donders goed dat wat daadwerkelijk van waarde is niet altijd in nut valt uit te drukken, maar doet toch mee aan de malle molen, en stelt zijn medemens efficientie-vragen.
      Door onze studie hebben we geleerd na te denken over processen en systemen waar mensen in meedraaien, kritisch te zijn, dingen te doorzien. Wij kunnen onze ‘Ome Koos’ een vraag stellen naar aanleiding daarvan. Zeg Ome Koos, we zijn nu bezig met …., vertelt u eens gaat dat ook zo bij U? Ik voer inmiddels de meest vreemde discussies langs de voetballijn met de moeders. En weet je wat, ze storten stuk voor stuk hun frustraties uit op het kunstgras uit en komen zelf met stukken/boeken waarover ze gelezen hebben en blijken maar wat graag te willen discussieren. Ik laat inmiddels zo zien waar ik mee bezig ben als antwoord op de Ome Koos-vraag. Mijn schoonvader durft inmiddels ook niet meer over geld- en carrierekansen te beginnen, dan krijgt hij een discussie over feminisme aan de broek.

      Nuttig zo’n studie – en bovendien hartstikke leuk – alleen straks iemand zien te vinden die me ook wil betalen voor wat ik geleerd heb.

    • Avatar of merelsijbrant

      merelsijbrant 12:51 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Dag allen,

      Wat een mooi discussie. Sinead, wat mij betreft hebben we vanaf nu in onze maatschappij niet meer alleen Henk en Ingrid maar ook Ome Koos: de nut-tige man. En Yvonne, ik herken een heel stuk van je verhaal. Dankzij de studie Literatuurwetenschappen kan je met leuke ‘kroeg’- en kennelijk ‘kunstgras’- wijsheden op de proppen komen maar, inderdaad, wat verdien je er meer aan dan her of der een biertje en een carpooldeal?

      Thomas, misschien is het nog niet zo’n gek idee om het lijk van Nut als vogelverschrikker op het dorpsplein te zetten. Het idee om ‘nuttig’ te zijn, het idee dat je leven zin heeft op welke schaal dan ook, redt volgens mij mensenlevens. Men moet het idee hebben nuttig te zijn. Daarmee wil ik absoluut niet zeggen dat ‘nut’ op enige schaal te vatten is. Van een aantal individuen kunnen we stellen dat ze de werels veel goeds hebben gebracht (ik denk dan aan Mandela, Newton) maar dat is lang niet altijd zo eenduidig. Jezus? ‘Hij’ (of hij daadwerkelijk heeft bestaan laat ik hier even in het midden) heeft veel troost maar ook veel leed teweeg gebracht. Harry Mülisch? Helaas is hij gisteren overleden. De verscheidenheid aan reacties zegt al genoeg: van ‘prachtige, roerende verhalen’ tot ‘een verschikkelijk arrogante man’ (gek toch dat zoveel mensen niet lijken te kunnen accepteren dat die twee samen kunnen gaan).

      Concluderend: de illusie van een nuttig bestaan is voor veel mensen een groot goed in het leven. Ik weet zeker dat ook iedereen binnen onze studie een bepaald gevoel van ‘nut’ heeft in zijn leven/voor zijn omgeving. Laat duidelijk zijn dat dit ‘nut’ niet altijd aardverschuivend en ‘dienstbaar’ moet zijn. Laat Ome Koos zich vooral nuttig voelen, dan kan jij het helpen door die illusie hoog te houden (maak jij je ook gelijk weer nuttig).

      Groet,
      Merel.

    • Avatar of Léonie

      Léonie 2:26 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik kwam een toepasselijk citaat tegen:

      ‘ “Wat ik eenmaal gezegd heb, dat doe ik’ – deze denkwijze geldt als karaktervol. Hoeveel handelingen worden niet verricht, niet omdat ze als de verstandigste gekozen zijn, maar omdat ze, toen ze ons invielen, op de een of andere manier onze eerzucht en ijdelheid geprikkeld hebben, zodat we erbij blijven en ze blindelings doorzetten! Zo vermeerderen we bij onszelf het geloof aan ons karakter en ons goede gweten, dus, over het geheel genomen, onze kracht: terwijl het kiezen van het zo verstandig mogelijke, de scepsis jegens onszelf en dus een gevoel van zwakte in ons instandhoudt’ (Nietzsche, Morgenrood, paragraaf 301 ‘Karaktervol’).

      Alweer een citaat van Nietzsche, jawel.

      Wanneer we hiervan uitgaat, dan:
      -kiezen we de zaken louter toevallig en heeft het ook geen zin om onophoudelijk te gaan reflecteren op “Waarom, waarom”, aangezien de zaken nu eenmaal zo gelopen zijn (en nog wel “omdat ze zo gelopen zijn” en nergens anders om)
      -Iets in onze keuzes, namelijk dat wat ons die keuze heeft laten maken, zorgt ervoor dat we doorgaan in die keuze. En dat is maar goed ook, want:
      -Teveel twijfel maakt zwak

      Terwijl ik dit schrijf, voel ik me behoorlijk paradoxaal. Want ja, ook ik studeer Literatuurwetenschap en voel me inmiddels behoorlijk beroepsgedeformeerd (ik reflecteer om het zo te zeggen 24/7, vind inderdaad “een eigen, uniek talent” als uitspraak grappig, net als “de excellente student” en zaken als “studiesucces verhoogt studierendement” (al word ik daar nog eerder misselijk van). We deconstrueren, filosoferen en reflecteren er op los, en ik doe vrolijk mee. Om het zo te zeggen: onze twijfel, of ons vermogen tot twijfelen lijkt hier onze kracht.

      Kunnen we dan toch meer kracht ontlenen aan scepsis dan Nietzsche dacht? We worden in ieder geval grondig tegengewerkt door alle ome-Koos-en oftewel “efficiency-denkers” (en dat lijken er soms steeds meer te worden) in deze wereld, en misschien ook wel door onszelf. Wij zijn immers begonnen met die twijfel – en ondanks dat de Literatuurwetenschap-manier-van-denken om het lekker (onbedoeld) essentialistisch uit te drukken er één is die ik niet zou willen missen en me behoorlijk veel heeft bijgebracht en dat ook blijft doen, word ik er soms behoorlijk wanhopig van. Weten we dan helemaal Niets?

      Nee, ik denk het niet, eigenlijk. Maar misschien hebben we onderhand geen God meer nodig (of kunnen we er ons niet meer toezetten) en moeten we ons dan maar richten op het tijdelijke “vergeten” van Nietzsche om te handelen (alleen is het dan weer de vraag hoe je dat doet – al is die misschien makkelijker te beantwoorden dan ik aanvankelijk dacht. Wanneer ik een essay schrijft vergéét ik – dat er al duizenden essays voor het mijne zijn geschreven, door mensen met meer ervaring, kennis, schrijftalent misschien? Maar toch schrijf ik – en denk ik dat dat zin heeft, of is het in ieder geval leuk genoeg om te doen en ermee door te gaan.

      Af en toe wat zware zondaggedachten, maar het is dan ook herfst.

      Fijn weekend!

      Léonie

    • Avatar of sinead

      sinead 3:10 pm on October 31, 2010 Permalink | Log in to Reply

      De door ome Koos opgetrokken donkere wolk van het Nut vervaagt door alle mooie reactie die jullie hier hebben geschreven. Ja, af en toe word ik behoorlijk moedeloos van onze studie, een frustratie die ik dus met meerderen deel.

      Claudia, ik vind dat je een prachtige uiteenzetting hebt gegeven over het bestaansrecht van literatuurwetenschap (om er maar even zo’n zware term op te plakken) en nee, we moeten vooral ome Koos niet bekeren tot de Heilige Wereld van de Literatuurwetenschap. Ik ben heel erg blij met die wereld, hoe ontoegankelijk (en nutteloos) ze soms ook lijkt en hoe we kunnen uitroepen: ja, en wat na de studie dan? Om vervolgens de schouders op te trekken en te zeggen ‘Nuttig zo’n studie – en bovendien hartstikke leuk – alleen straks iemand zien te vinden die me ook wil betalen voor wat ik geleerd heb.’ om Yvonnes antwoord op deze vraag te herhalen.
      Merel, ik ben het met je eens dat je de illusie van nut voor jezelf misschien wel hoog moet houden, en natuurlijk, ik heb ook ergens het idee nuttig te zijn en daarom kom ik ‘s ochtends toch uit bed. Het mooie van LW is natuurlijk dat we de illusie van nut zien, maar laten we eerlijk zijn, een wereld louter bevolkt door literatuurwetenschappers zou waarschijnlijk niet bijzonder productief zijn, want wat zou er gebeuren wanneer iedereen de illusie ziet? Thomas, ik zou er dus ook niet voor pleiten het wereldbeeld van Ome Koos te veranderen.
      Léonie, jouw citaat van Nietzsche deed mij denken aan het essay van Floris: in zijn essay lees ik een pleidooi voor het kiezen van een weg binnen LW om deze vervolgens te blijven volgen. Ik denk zelf niet dat dit de manier is, omdat je dan vast komt te zitten in een discours en er niet meer buiten kunt en wilt kijken (mijn referentie aan het feminsime). Ik denk dat je wel een route voor jezelf moet bedenken om aan de verlamming te ontkomen, maar die route moet niet een vastomlijnd kader worden waarbinnen je werkt en waarbuiten je op een gegeven moment niet meer kunt denken. Je moet ook af kunnen wijken van wat je doet, jezelf kritisch gadeslaan en dan weer verder. De weg die je moet kiezen, kan dit dus niet, zoals jij stelt, hoofdzakelijk de weg van het vergeten, de weg van het vragen en de weg van het kritiseren zijn?

      Een antwoord op de vraag ‘wat word je dan?’ zal een literatuurwetenschapper waarschijnlijk nooit concreet kunnen formuleren. Nee, we worden geen dokter, we worden geen automonteur, we leren ook niet meubels maken of computersystemen ontwerpen en beheren. We leren kritisch denken, we confronteren mensen met ideeën die ze zelf misschien nooit hadden gedacht, we stellen vragen die anders misschien niet waren gesteld maar die toch behoorlijk -tja, hoe kan ik het anders zeggen- nuttig blijken te zijn.

c
compose new post
j
next post/next comment
k
previous post/previous comment
r
reply
e
edit
o
show/hide comments
t
go to top
l
go to login
h
show/hide help
esc
cancel