Tagged: Spivak RSS

  • Avatar of annemarie

    annemarie 12:02 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: belang, , , literatuur & wetenschap, , , rol, Spivak   

    De rol van de literatuurwetenschap(per) in de samenleving 

    In de collegereeks Literatuur & Wetenschap 2010-2011 van docent Jan Hein Hoogstad aan de Universiteit van Amsterdam hebben we als studenten aan de hand van een aantal theoretische teksten, culturele objecten en de colleges met elkaar gediscussieerd en gereflecteerd op het vak Literatuurwetenschap in de les en op dit blog http://litwet.medialoperations.com. Opvallend vaak stak in de posts en reacties twijfel de kop op over de idealen en vermogens van literatuur en literatuurwetenschappers. In dit essay wil ik daarom ingaan op de vragen die daarmee voor mij als aankomend literatuurwetenschapper centraal zijn komen te staan; Is literatuur, verbeelding, in staat de wereld te veranderen? Wat is het belang of nut daarvan? En welke rol kan de literatuurwetenschapper innemen? Mijn inzet in deze bijdrage aan de discussie is dat literatuur in staat is nieuwe denkwijzen of een nieuw mens- of wereldbeeld te introduceren. Ik veronderstel weldegelijk de kracht van literatuur en literatuurwetenschap tot verandering. De rol van de literatuurwetenschapper, of geesteswetenschaper, is de verbeelding met onderzoek en praktijk te signaleren, te ontsluiten of in het debat in te brengen, culturele objecten kritisch tegen het licht houden, emancipatoire bewegingen te verankeren in een traditie van denken en daarmee de ontwikkeling van het denken gaande te houden. Via een praktijk van denken, onderzoeken, schrijven, publiceren, programmeren werpen de geesteswetenschappen evenzeer licht op ‘feitelijke vraagstukken’ uit onze dagelijkse leefomgeving als de natuurwetenschappen. De onderscheiden wetenschappen zijn ook niet tegenover elkaar te zetten zoals de online discussies doen vermoeden of in raakvlakken terug te brengen tot het kritisch tegen het licht houden van de premissen van de ene soort wetenschap door de andere. De dagelijkse realiteit vraagt interdisciplinaire benaderingen die de grenzen tussen geestes- en natuurwetenschappen overschrijden.

    Vanaf de oorsprong van het vak tot op heden lijkt het, Goethe en Spivak lezend, in de literatuurwetenschap niet zozeer om de literaire objecten zelf te gaan, alswel om een ideaal van begrip en wereldvrede. Sinead verwoordt het in haar essay “Literatuur en Wetenschap” als volgt: ‘Goethe en Spivak, die het doel van de literatuur stellen als het gaan begrijpen van de cultuur waaruit de tekst komt, een doel waarin de literatuur niet op zichzelf bestaat maar representant van een cultuur is’. De discussie die vervolgens ontstaat tussen Sinead, nikkidekker, Léonie, FlorisPieterse en jetvangroningen concentreert zich echter op de autonomie van het literaire object en de mogelijkheid en wenselijkheid daarvan binnen het literatuurwetenschappelijke veld. Met de geciteerde Roland Barthes’ dood van de auteur en eerder die van god is echter zoals Léonie ook opmerkt niet zozeer de autonomie gemoeid, alswel de autoriteit van beide figuren die met de afgekondigde dood tot de proportie van een actor is teruggebracht. Het maakt niet de literaire objecten autonoom, deze zijn immers ingebed in een meerduidige context, het maakt slechts dat het laatste woord over een tekst niet langer gesproken kan worden. Léonie noemt het ‘sneuvelen van de waarheid’ die op de dood van god en auteur is gevolgd problematisch omdat met de polyinterpretabiliteit de autonomie van de literatuur wel in gevaar komt. Ik denk dat niet zozeer de pluriformiteit het probleem is, alswel dat daarmee het geloof onder druk is komen te staan dat kunst, uitspraken of interpretaties zinvol kunnen zijn of een ‘geldig’ ander licht op zaken kunnen werpen. Dat dat weldegelijk mogelijk is zou ik willen onderschrijven aan de hand van het literair werk dat jetvangroningen in deze discussie naar voren brengt, Aimé Césaire’s Notebook of a Return to the Native Land (1939). In het gedicht geeft Césaire de notie van Négritude gestalte, een politieke en literaire beweging om een gemeenschappelijke zwarte identiteit te creëren onder de bevolking van de Afrikaanse diaspora en de zwarte bevolking van Martinique in het bijzonder. Ondanks erkenning voor zijn culturele bijdrage aan het emanciperen van een raciale en sociale klasse, is in de afgelopen decennia ook kritiek gekomen op Césaire’s Négritude. Er is aangedragen hoe éénzijdig, patriarchaal en phallocentrisch zijn zwarte identiteit is en het idee van négritude is door critici vervangen door modellen die creolisering of hybriditeit voorop stellen. Zowel Césaire’s gedicht als de kritieken erop hebben, samen met een groter corpus aan primaire en secudaire teksten, de discussie en ontwikkeling van het denken over ras, postkolonialiteit en identiteit in zowel de wetenschap als in de samenleving gaande gehouden. Sommige passages uit het gedicht kunnen zelfs nog steeds met kracht de deplorabele omstandigheden van onderbetaalde werkende onderklassen en de noodzaak van emancipatie anno 2010 benadrukken. Zo benadrukken de hierop volgende versregels de realiteit van de foto’s geplaatst bij recente nieuwsberichten over China’s exportverbod op zeldzame aardmetalen. Foto’s van mannen die bijna bezwijken onder het gewicht van de zakken met grondstoffen. De mannen staan niet alleen in een diepe poel van modder, maar zijn er van top tot teen mee bedekt. Er wordt echter nergens in de berichten of de fotobijschriften aan de mannen gerefereerd. De foto’s dienen slechts als verwijzing naar de grondstoffen, die volgens de berichten nu schaars en duur zullen worden. Dan zijn de volgende versregels nog steeds urgent: ‘Grovel in the mud. Brace yourself in the thick of the mud. / Carry. / Earth of mud. Horizon of mud. Dead of the mud’ (Césaire 41).

    Om terug te komen op Jet’s vraag of dit literaire werk het beste autonoom te benaderen is, zou mijn antwoord nee zijn. Literatuur is ingebed in een complexe context en de geschiedenis of biografie is daar onderdeel van. Ik doel daarmee niet op de auteur als persoon, maar als representant van een deelgeschiedenis van een dagelijkse realiteit van velen. Of de geschiedenis van de auteur relevant is bij de interpretatie van een werk, zal van keer tot keer verschillen, evenals andere facetten van de context. De vragen en opmerkingen in deze post en reacties rondom de al dan niet mogelijke en wenselijk autonomie van de literatuur en literatuurwetenschap en rondom de verloren gegane autoriteit van auteur, woord of waarheid representeren en voeden wellicht voor een deel de twijfels die over vermogens, belang, nut van de literatuur en de literatuurwetenschap bestaan. De discussie daarover barst ten volle los in het essay “Wat studeer je? Oh, euh, leuk! Wat kan je ermee?” van Llika Polderman en de daarop volgende reacties van FlorisPieterse, roza, khnilka, Thomashvv, jorisbrakkee, mickeypotthoff, rebeccadrees, Anne van der Klift, ellenswart en nadja. Zelf benadrukt Llika vooral haar ervaring haar studie theaterwetenschap vaak te moeten rechtvaardigen of uitleggen en verdedigt ze in de slotfase van de discussie het nut van studies binnen de geesteswetenschappen: ‘De literatuurwetenschap. En ook de mediastudies. Kunnen juist helpen om mensen een mening te laten vormen over een onderwerp, door alle kanten van een discussie te belichten. En media kunnen mensen aan het denken zetten daarover’. In de daarvoor geposte reacties alsook in andere posts op het blog wordt echter hevig getwijfeld over het nut, belang en toekomstperspectief. Een studie binnen de Geesteswetenschappen wordt leuk genoemd, een luxe, abstract, niet praktisch en de deelnemers vragen zich af wat je met de studie kunt doen en betwijfelen of het veel perspectief op carriere of geld biedt. De natuurwetenschappen worden daar tegenover gezet als studies met resultaten, nut, finale antwoorden en noodzaak. Thomashvv raakt weer aan het idee van autonomie wanneer hij in een reactie zegt dat ‘steeds meer literatuurwetenschappers (zoals Thomas Vaessens) tegenwoordig ook pleiten voor engagement onder schrijvers: om te voorkomen dat de literaire wereld zich teveel afzondert van de buitenwereld door zich constant bezig te houden met nieuwe interpretaties, stromingen en ga zo maar door. Binnen de natuurwetenschappen zal zoiets nooit opkomen. Natuurwetenschappers hoeven hun nut niet meer te bewijzen’. Maar betekent je bezig houden met nieuwe interpreaties ‘afzondering’? Wanneer Vaessens spreekt van engagement ‘veronderstelt dat verbinding’, licht hij zelf in een interview met Arnoud van Adrichem in literair tijdschrift Parmentier toe. Niet volgens het postmodern discours vrij zijn van verbindingen, maar ‘vrij zijn voor verbindingen […] een vorm van trouw zijn aan je eigen affecties’. Hij vervolgt: ‘Het postmodernisme heeft een heel duidelijk historisch nut gehad, […] maar je kunt je wel de vraag stellen of dat postmodernisme daarmee ook antwoord bood op alle vragen’. Geenszins een pleidooi om interpretaties af te doen lijkt mij, maar een pleidooi om interpretaties met meer overtuiging in te zetten en te onderzoeken hoe dat gaat, ‘vrij zijn voor verbindingen’. Hoe doen hedendaagse schrijvers dat? Welke wegen zoeken auteurs, kunstenaars, opiniemakers en politici om zich weer oprecht te verbinden. Wat gebeurt er in hun teksten. En zijn er technieken die ook literatuurwetenschappers in kunnen zetten?

    De vermogens en het belang van kunst en cultuur worden in de discussie onderschat. Het vermogen en belang van vakmensen die culturele objecten leren “lezen”, verbinden, becommentarieren zoals beta-wetenschappers hun verschijnselen “lezen”, verbinden wordt onderschat. Het verruimen van de blik, het schetsen van een alternatief wereld- of mensbeeld, het in een kritisch of absurd daglicht stellen van zaken, het spiegelen, en zo nog vele ander denkbare effecten, zowel middels de kunsten als in onderzoek en reflectie hierop worden onderschat. Het gaat daarbij niet alleen om begrip te verkrijgen voor andere culturen, zoals Goethe en Spivak het ideaal van de literatuurwetenschap kort gezegd verwoord hebben. Hoe leren we kinderen over samenzijn, samenleven, de waarde van het een of ander, de driften, de conventies, de ruimte om er wel/niet van af te wijken, kortom hoe brengen we hen onze cultuur bij? Door verhalen, gedichten, tekeningen, liedjes, films, games, toneelspel, etc. Wat draagt bij aan het ontwikkelen van empathie, van analytisch vermogen, van sociale vermogens, creatieve vermogens. Opnieuw de kunsten. Het tot je nemen/je inleven in verhalen – ongeacht het medium –, het maken van of luisteren naar muziek. Het belang, nut of de rol van een literatuurwetenschapper daarin? Inzichtelijk maken welke effecten van verhalen uitgaan, welke waarden bijvoorbeeld in de gangbare sprookjes en disneyverhalen worden onderschreven, daar wellicht kritische kanttekeningen bij plaatsen, mogelijk een pleidooi houden voor het herschrijven van sprookjes. Of wat dacht je van het kritisch lezen van een film als Brokeback Mountain? Is de film werkelijk vooruitstrevend of worden tegelijkertijd zeer conservatieve waarden uitgedragen? Of welke effecten heeft bepaald politiek taalgebruik? Victor Klemperer en Judith Butler hebben daar met respectievelijk Lingua Tertii Imperii en Excitable speech relevante onderzoeken en uitspraken over gedaan. Allemaal toepassingen van het vak, concreet, nuttig, kritisch, nuancerend daar waar nodig, een debat breder trekkend, dat is geen luxe, het maakt deel uit van de motor waarop een samenleving draait en zich ontwikkeld. Of, als het geen verschil maakt in publieke sfeer, een alternatief idee biedt voor diegenen die zich niet gerepresenteerd voelen in de samenleving. En kunst en cultuur is ook geen luxe in de zin dat het zich zou beperken tot welvarende samenlevingen. Ook in ontwikkelingslanden is de behoefte aan ‘verbeelding’, hoog. Werkend voor een cultuurfonds van een ontwikkelingshulporganisatie, een fonds dat kunstenaars in ontwikkelingslanden ondersteunt en de culturele infrastructuur probeert te versterken (productie, distributie), viel het altijd weer op hoeveel belang mensen hechten aan verhalen, theater, muziek, dans. Gevraagd naar basisbehoeften benadrukten mensen naast water, voedsel en onderdak, kunst als vitaal onderdeel van het leven.

    Rebeccadrees noemt in een reactie nog steeds op het essay van Llike Polderman, de geneeskunde, natuurwetenschap en recht als ‘wetenschappen die zich over feitelijke vraagstukken ontfermen’, maar de geesteswetenschappen ontfermen zich dus evenzeer over vraagstukken of objecten die deel uitmaken van onze dagelijkse realiteit en die realiteit mede bepalen. In die zin is een strikte scheiding tussen de vraagstukken van beide ‘soorten’ wetenschappen ook niet langer vol te houden. In het deel “En nu verder: culturele studies voor de eenentwintigste eeuw?” in Culturele studies. Theorie in de praktijk wordt onderschreven hoezeer de technologie een steeds sterkere greep op het dagelijks leven heeft en tegelijkertijd de geesteswetenschappen hier relevante dingen over kunnen zeggen omdat deze technische fenomen directe en ingrijpende gevolgen hebben voor bijvoorbeeld definities als identiteit en subject. Hoe sommige kunstuitingen soms meer vertellen over depressie of emoties dan biologiehandboeken of hoe wetenschappelijke ontdekkingen als nanotechnologie onderdeel worden van het dagelijks leven en daarom niet alleen betekenis hebben in het laboratorium. Er wordt in het boek dan ook gepleit voor verregaande grensverkenning (172-173). Een voorbeeld van een kunstenaar die met zijn werk, http://www.studioroosegaarde.net/, de invloed van technologie op ons leven wil tonen is Daan Roosegaarde. Onze verhouding tot technologie wordt tezeer voorgesteld in apps en gadgets licht hij toe in een interview in NRC Next van 30 november 2010. Roosegaarde wil het idee van interactie losmaken van een product, het persoonlijker maken en voor hem is de cruciale vraag of de technologie ons helpt om meer mens te worden. Het idee van grensverkenning en interdisciplinariteit uit Culturele Studies. Theorie in de praktijk op een andere manier loslatend op onze praktijk, stel ik me voor hoe een literatuurwetenschapper als volgt bij kan dragen aan ontsluiting van een alternatief wereldbeeld of een bijdrage kan leveren aan vraagstukken waar bijvoorbeeld de geneeskunde zich mee bezig houdt. Neem een ‘gedragsstoornis’ als ADHD, een aandachts-tekort-stoornis met hyperactiviteit dat momenteel vaak bij kinderen wordt vastgesteld. Het is voorstelbaar dat de verschijnselen samenhangen met een afnemende aanwezigheid in de natuur, een voor mensen van oudsher natuurlijke omgeving. Amerikaans dichter Mary Oliver reikt met haar poëzie en essays evenzeer een mogelijke oplossingsrichting aan als dat de geneeskunde dat doet. Daar waar de geneeskunde het in geneesmiddelen zoekt, deze ontwikkelt en voorschrijft om de symptomen te bestrijden, pleit Oliver ervoor, niet in relatie tot ADHD overigens, kinderen de natuur voor te schrijven. ‘Give them the fields and the woods and the possibility of the world salvaged from the lords of profit. Stand them in the stream, head them upstream, rejoice as they learn to love this green space they live in, its sticks and leaves and then the silent beautiful blossoms’ (56). Oliver is niet heel bekend in Nederland en waarschijnlijk is literatuur in de geneeskunde als handreiking voor het zoeken naar een oplossingsrichting ook niet gangbaar. Maar wie weet wat de literatuurwetenschapper kan bereiken door deze literatuur in Nederland te ontsluiten en het in te brengen in het debat over ADHD als nader te onderzoeken oplossingsrichting. Wie weet blijkt een dagelijks portie natuur even effectief als een medicijn als retalin. Zomaar een voorbeeld van een toepassing, misschien niet direct voor de handliggend, maar evengoed concreet, nuttig en gericht op een feitelijk vraagstuk, namelijk hoe het komt dat zoveel kinderen kampen met hyperactiviteit of hun aandacht niet lang kunnen vasthouden. De literatuur verbeeldt in dezen een alternatieve leefstijl waarin de natuur een prominente rol speelt.

    Het belang van de geesteswetenschappen wil ik tot slot nogmaals benadrukken met navolgend citaat uit Culturele studies. Theorie in de praktijk:

    ‘Juist vandaag de dag lijkt de maatschappelijke en politieke discussie beheerst te worden door een begrip van “cultuur” dat heen en weer slingert tussen nationaal en religieus groepsdenken en wereldwijde commercie. In deze context pretendeert culturele studies niet het laatste woord te hebben of het superego van de humanities te zijn, maar wil ze steeds weer de kritische inzet van cultuur tonen. Want cultuur is tenslotte datgene wat onze directe dagelijkse leefomgeving en niet in de laatste plaats onszelf bepaalt’ (10).

    Bibliografie
    Baetens, Jan, et al. Culturele studies. Theorie in de praktijk. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2009.

    Butler, Judith. Excitable speech: a politics of the performative. New York: Routlegde, 1997.

    Césaire, Aimé. Notebook of a Return to the Native Land. Trans. and eds. Clayton Eshleman
    and Annette Smith. Middletown: Wesleyan University Press, 2001.

    Goethe, Johann W. Von. “World Literature”. Comparative Literature: The Early Years: An
    Anthology of Essays. Ed. Schulz, Hans Joachim. Chapil Hill: University of North Carolina
    Press, 1973. 3-11.

    Klemperer, Viktor. LTI. Notizbuch eines Philologen. Stuttgart: Reclam Tasschenbuch, 2007.

    Literatuur & Wetenschap, http://litwet.medialoperations.com/

    Oliver, Mary. Blue Iris. Poems and Essays. Boston: Beacon Press, 2004.

    Roosegaarde, Daan. http://www.studioroosegaarde.net/

    Spivak, Gayatri Chakravorty. “Crossing Borders”. Death of a Discipline. New York: Columbia
    University Press, 2003. 1-25.

    Van Adrichem, Arnoud. “‘Het postmodernisme voorbij? In gesprek met Thomas Vaessens”,

    http://www.literairtijdschriftparmentier.nl.

     
    • Avatar of yvonne

      yvonne 4:58 pm on December 2, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Annemarie,

      Het is fijn te zien dat er ook na afronding van het vak deelnemers zijn die hier terugkomen, en al helemaal om een nieuw essay te lezen. Je roert ontzettend veel punten aan waarbij ik de behoefte voel om te reageren. Momenteel loop ik o.a. als hulpsint tegen een bekend fenomeen ‘gebrek aan tijd’ aan, maar ik zal me later in de maand in de door jou aangevoerde teksten/links verdiepen en reageren. Mocht het januari worden, dan hoop ik dat de website er nog is en anders vinden we wel een andere manier.

      hartelijks, Yvonne

      • Avatar of annemarie

        annemarie 2:09 pm on December 10, 2010 Permalink | Log in to Reply

        hi Yvonne, dank, misschien kunnen we eea eerder al combineren: volgende week (17/12) heb ik een programma in Perdu dat raakt aan essay hierboven – hoe schrijvers, kunstenaars zich weer vrij maken voor verbindingen en of er een nieuw ervaringsparadigma in de maak is… http://www.perdu.nl/agenda.cfm . misschien heb je zin en tijd om te komen – kunnen we het er ‘live’ over hebben aan de bar. En ja, poezie Cesaire en Oliver kan ik van harte aanbevelen. Leuk, zie uit naar jouw reacties! anders mailen we wel mocht site niet meer online staan. ciao Anne-Marie

    • Avatar of yvonne

      yvonne 5:16 pm on December 11, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey hoi, Anne-Marie,
      Had het interessante programma voor de 17e gezien, maar zit die avond in het Concertgebouw (Haitink). Ik ben vorig semester bij de avond in Perdu over Vaessens ‘Revanche van de roman’ geweest. Daar sprak Nicoline ook, o.a. over DFW/’Do you feel it too’ (niet zonder emotie!). Césaire was me bekend, Oliver nog niet, gaat op de ‘to read list’.
      Ik wens je alvast een mooie/goede Perdu-avond en we bereiken elkaar wel.
      Grtz, Yvonne

  • Avatar of Olling

    Olling 12:20 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Spivak   

    De geest vertalen 

    Spivak geeft in zijn tekst ‘The Death of a Discipline’ een blik op vertaling. Bij het lezen hiervan kwam bij mij de tekst van Elliot, ‘Literary Adaptation and the Form/Content Dilemma’, naar boven. Zij geeft hier ook concept van vertalen, maar dan in het geval van de vertaling van boek naar film.

    Een belangrijk begrip in de tekst van Spivak is ‘comperative literature’ hierbij is de vertaling van teksten het centrale concept. Met comperative literature is het de bedoeling om te vergelijken tussen twee verschillende teksten. Hij stelt dat het probleem hierbij de taligheid is, we lezen alleen in vertaling en daarom is onze literatuur monolinguistisch. Spivak vindt dat we een taal volledig moeten beheersen om het te kunnen begrijpen. Er schuilt namelijk in elke taal een culturele en ethische achtergrond: ‘(…) come close to the irreducible work of translation, not from lanuage to language but from body to ethical semioses, that incessant shuttle that is a “life”.’ (Spivak, p. 13) Hiermee wil hij zeggen dat het echte vertalen gebeurd met de geest, niet met de letter. We moeten niet vertalen van de ene taal naar de andere, maar van het ene leven naar de andere. Wat Spivak ons ook laat zien is dat we bij het vertalen niet de rede, maar de verbeelding, ‘the great inbuilt instrument of othering,’ (Spivak, p. 13) aanspreken. Het prachtige voorbeeld van de verbeelding waar Spivak het over heeft, kunnen we film noemen. Het letterlijk vertalen van een tekst naar beeld. De mens denkt in beelden, niet in woord, kijk maar bijvoorbeeld naar onze dromen, probeer deze maar eens na te vertellen. Vertalen moet volgens Spivak niet gebeuren vanuit de rede, maar vanuit de verbeelding: maar dat wil niet zeggen dat deze verbeelding vrij is, het is bewust van zijn verantwoordelijkheid om de tekst zo goed mogelijk over te brengen. Dit concept kunnen we ook terug vinden in filmadaptaties. Een veel voorkomende trend die wij zien in de filmwereld is het verfilmen van boeken. Hierin probeert de regisseur een zo goed mogelijke letterlijke verbeelding te geven van de tekst.

    Kamilla Elliot heeft een artikel geschreven, waarin ze verschillende concepten van adaptatie bespreekt. Één daarvan is de ‘psychic adaptation’, deze veronderstelt dat een boek een geest heeft die overgebracht behoord te worden naar de film. Hierbij lijkt Elliot dezelfde filosofie te hebben als Spivak die gebruikt bij zijn concept van vertalen in literatuur. Elliot gebruikt hiervoor het volgende schema:

    The novel’s spirit → (The novel’s form) → (Filmmaker response) → (Film) → Viewer response

    Met dit schema geeft Elliot aan dat de geest uit een boek aan moet komen bij de kijker. Hierbij hoeft het dus niet een precieze vertaling te worden, zoals Spivak dat woord voor woord ziet, maar kan er een eigen interpretatie gegeven worden door de regisseur en scenarioschrijver. Het gaat erom dat de geest van een boek overkomt. Spivak ziet het vertalen ook als twee talen die naar elkaar toe bewegen en een beter begrip of inzicht geeft van je eigen woorden. Dit vind ik ook mooi terug te zien in filmadaptaties. We zien dat juist bij deze vertalingen twee verschillende talen worden gegeven en dat deze elkaar kunnen aanvullen, wanneer zij dit doen leidt dit dat ook in zekere zin tot een beter begrip. Daarbij als dit niet goed gebeurd, kan dit ook juist tegen elkaar werken.

    Literatuur

    Elliot, Kamilla. ‘Literary Film Adaptation and the Form/Content Dilemma.’ Narrative Across Media: The Languages of Storytelling, 2006: p. 220-243.
    Spivak, Gayatri Chakravorty. ‘The Death of a Discipline’. New York: Columbia University Press, 2005: p. 1-23.

     
    • Avatar of lanabroekaert

      lanabroekaert 4:03 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Je hebt het over ‘hij’ als je het over Spivak hebt, maar het is een vrouw;)
      En nog een puntje, jij zegt over boekverfilming “Hierin probeert de regisseur een zo goed mogelijke letterlijke verbeelding te geven van de tekst”. Maar dit is helemaal niet altijd het geval; een regisseur kan een boek als bron gebruiken en er vervolgens een heel andere draai aan geven. Bijvoorbeeld verhaallijnen of personages kunnen achterwege worden gelaten of worden toegevoegd. Denk aan de verfilmingen van de Millennium-trilogie van Stieg Larsson. (Ook zie je tegenwoordig steeds vaker onder films in plaats van het bijschrift “Based on…”, “Inspired by…”.)

      • Avatar of Olling

        Olling 11:49 am on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Dat is slordig van me.
        Misschien ben ik ook wat te stellig met ‘letterlijke’ verbeelding. Want wat ik juist wil zeggen, is dat adaptaties gaan om het overdragen van de geest van de tekst. Het gaat dus om de interpretatie van de regisseur op de tekst, daarbij moet hij of zij wel zijn verantwoordelijkheid nemen om een zo’n goed mogelijke vertaling te geven. Deze vertaling kan op allerlei manieren gegeven worden en kan dus ook stukken zelf toevoegen of weglaten. Maar het punt is dat de twee teksten dezelfde geest behoren te hebben en elkaar complementeren, als dit bereikt is denk ik dat er van een goede adaptatie gesproken kan worden.

        • Avatar of jorisbrakkee

          jorisbrakkee 2:02 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik denk dat een boekverfilming wel gezien kan worden als een poging van een regisseur om een zo goed mogelijke verbeelding te geven aan de geest van een boek. Als er niet ‘Based on’ staat, maar ‘Inspired by’ vind ik dat je niet moet spreken van een boekverfilming. Eigenlijk vind ik ‘Inspired by’ een vrij loze kreet, aangezien films die je maakt altijd geinspireerd zijn door boeken die je gelezen hebt, dingen die je gezien hebt, etc.

          • Avatar of daya

            daya 12:55 am on October 24, 2010 Permalink | Log in to Reply

            Goed punt, Joris. Je moet toch ergens je inspiratie vandaan halen, en waar beter dan in de films en boeken die je kijkt/leest.
            Verder wilde ik nog zeggen dat ik de term ‘geest’ een beetje problematisch vind. Zoals Elliott zelf al zegt, gaat dit vaak uit van wat de schrijver bedoeld heeft als de geest van het boek (intentional fallacy). Ik snap absoluut waarom dit een erg aantrekkelijk idee is, maar we kunnen simpelweg niet zeggen wat de bedoeling was van een schrijver (die allang dood is). En is het wel belangrijk wat de schrijver ermee bedoelde? Wat als de lezers er iets heel anders in zien? Wie heeft er dan ‘gelijk’?

    • Avatar of Gerda

      Gerda 2:12 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo,
      Je bespreekt van Spivak een gedeelte over de ‘geest van het vertalen’:
      “Spivak vindt dat we een taal volledig moeten beheersen om het te kunnen begrijpen. Er schuilt namelijk in elke taal een culturele en ethische achtergrond: ‘(…) come close to the irreducible work of translation, not from lanuage to language but from body to ethical semioses, that incessant shuttle that is a “life”.’ (Spivak, p. 13) Hiermee wil hij zeggen dat het echte vertalen gebeurd met de geest, niet met de letter. We moeten niet vertalen van de ene taal naar de andere, maar van het ene leven naar de andere. Wat Spivak ons ook laat zien is dat we bij het vertalen niet de rede, maar de verbeelding,”
      Ik heb het idee dat jij hierbij sterk de nadruk legt op de verbeelding en de geest van waaruit (en waarin) vertaald wordt. Maar is het ook niet zo dat Spivak ook de nadruk legt op de cultuur waaruit men gaat vertalen? Wanneer wij ons bijvoorbeeld als Westerse literatuurwetenschappers niet goed (genoeg) hebben verdiept in een andere cultuur, kan een goede vertaling en interpretatie volgens mij nooit plaats vinden, hoe goed we onze verbeelding hierbij ook gebruiken. Ik ben het met Spivak eens dat hier een van de grote problemen ligt. Ze zegt hierover “Comparative Literature must always cross borders. And crossing borders, as Derida never ceases reminding us via Kant, is a problematic affair. “ De vslotvraag lijkt mij: Hoe ver moet je hierin gaan? Dezelfde vraag stelt Spivak ook na de anecdote van Maryse Condé’s Heremakhonon: “How far should literature be read as sociological evidence? “.

    • Avatar of jorisbrakkee

      jorisbrakkee 2:05 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Een mooi essay, waarin mijn eigen visie op boekverfilmingen wordt weergegeven. Snijdt vooral scenes eruit, draai scenes om, draai de hele tijdslijn maar om voor mijn part, als de sfeer, de geest van het boek maar naar voren komt. Natuurlijk ben je het dan niet altijd eens als lezer met de keuzes die een scenarist gemaakt heeft in het knippen en plakken, omdat je zo ontzettend veel van die en die scene houdt, maar als de sfeer gelukt is over te brengen, de geest om bij jou essay te blijven, dan maakt dat zoveel goed.

      • Avatar of jorisbrakkee

        jorisbrakkee 2:07 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ow, en verder vind ik trouwens dat er moet worden opgehouden met al die boekverfilmingen, alhoewel ik zelf ook bijdraag aan het probleem door toch naar elke film te gaan van een boek dat ik goed vond, daar moet ik mee ophouden. Maar laten we alsjeblieft een keer wat films gaan maken naar originele scenario’s, ipv telkens weer de makkelijke herkauwweg te kiezen.

        • Avatar of Olling

          Olling 5:17 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Mee eens. De structuur die achter het film maken ligt is een zeer andere dan die van een boek schrijven. Er wordt in beide veel gespeeld met tijd en spanning, maar hier wordt met hele andere technieken gebruik van gemaakt en daar is dus een andere story interessant voor. Nu is het natuurlijk ook een commercieel trucje om het publiek naar de bioscoop te trekken met de zekerheid van een ‘goed’ verhaal.

          • Avatar of Daphne Boutens

            Daphne Boutens 11:40 am on October 22, 2010 Permalink | Log in to Reply

            Ik vind het juist onwijs interessant om te kijken welke filmische middelen gebruikt worden om hetzelfde effect als in het boek te krijgen. Op deze manier kun je ontdekken hoe filmtaal werkt, maar ook wat literatuur nu zo specifiek maakt. Je kunt dus leren over literatuur en film door ze op Spivaks manier te vergelijken. Een filmadaptatie is immers een vertaling van het boek.

            • Avatar of Daphne Boutens

              Daphne Boutens 11:43 am on October 22, 2010 Permalink

              De verschillen die naar voren komen zijn juist kenmerkend voor de betreffende media (of talen), waardoor we erachter komen hoe ze werken.

            • Avatar of jetvangroningen

              jetvangroningen 3:46 pm on October 23, 2010 Permalink

              Interessant kan het wel zijn, maar ik weet niet of het altijd rechtdoet aan de film. Ik vind vaak dat het een flauwe afspiegeling is van het boek, of dat het ‘zo’n totaal andere wending/sfeer heeft gekregen dat ik me afvraag waarom de film uberhaupt gebaseerd is op het boek in kwestie.

            • Avatar of Daphne Boutens

              Daphne Boutens 11:54 am on October 25, 2010 Permalink

              Hmm, in dat geval.. Zou het kunnen zijn dat film in sommige gevallen zo’n andere taal is dan literatuur dat het boek onvertaalbaar lijkt? Net zoals “gezellig” niet te vertalen is naar een andere taal. Je kunt er een ander woord voor gebruiken, dat in de buurt komt, maar toch krijg je er een ander gevoel bij.

    • Avatar of jasperdonkers

      jasperdonkers 12:39 pm on October 20, 2010 Permalink | Log in to Reply

      “Wat Spivak ons ook laat zien is dat we bij het vertalen niet de rede, maar de verbeelding, ‘the great inbuilt instrument of othering,’ (Spivak, p. 13) aanspreken.”

      Ik blijf problemen houden met de claim van Spivak dat het vooral de verbeelding is die we gebruiken bij het proces van vertaling. Als vertaler moet Spivak weten dat er gehele studies gericht zijn op de etymologie van bepaalde talen en daarmee dus ook hun gemeenschappelijke kenmerken met andere talen. De betekenis van een woord en de manier waarop deze vertaald moet worden ligt niet enkel in het geestelijk omzetten van het éne woord in een bepaalde cultuur naar een vergelijkbaar woord in een andere cultuur. Woorden zijn dingen met een bepaalde betekenis-historie, en omdat zinnen nou eenmaal de optelsom zijn van woorden geld dit in bredere zin ook voor zinnen in romans en essays. Wanneer wij stellen dat dit vooral een taak is van de verbeelding, kan dit gezien worden als het weerleggen van de wetenschappelijke waarde van de etymologie. Dit komt er bij mij niet in. De rede heeft, mijn inziens, een grotere plaats in het proces van vertalen dan dat Spivak claimt in haar artikel.

      • Avatar of crispiness

        crispiness 3:03 pm on October 25, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Jasper, ik denk dat je hiermee deels gelijk hebt. Echter, hier kun je tegen inbrengen dat vertalen beschouwd kan worden als een inherent onaf of onvolledig proces: er bestaat niet zoiets als de perfecte vertaling. (Gelukkig wel zoiets als een goede vertaliing.) Een vertaler is geen etymologist: een vertaler gebruikt wellicht wel de principes en de logica die aan de grondslag ligt van de talen die gebruikt worden bij de vertaling, en deze principes worden op hun beurt weer blootgelegd door de etymologist (of de comparatieve linguist) maar de vertaler hoeft helemaal niet op de hoogte te zijn van de wetenschappelijke taalwetenschappelijke onderbouwing waaraan zijn of haar vertaalde tekst onderhevig aan is. De symbiose tussen taalwetenschapper en vertaler bestaat wel, maar dit is zeker niet de norm: het is ook simpelweg mogelijk om dankzij een zeker ‘taalgevoel’ een goede vertaling af te leveren. Vertalen is continu keuzes maken: welk woord in de nieuwe taal dekt de strekking van het te vertalen woord het beste? Welke zinsbouw? Welke punctuatie? Als je instinctief de ‘juiste’ keuzes kan maken zonder je bewust te zijn van de cognitieve en linguistieke drijfveren die aan die keuzes ten grondslag liggen, in hoeverre kan je dan spreken van een zuiver wetenschappelijk proces? Door de wetenschappelijke inslag boven de verbeelding van vertaler te plaatsen breek je met de dichotomie tussen vertaler en taalwetenschapper. Dit zou inhouden dat je, om een boek te vertalen, niet alleen Spivaks literatuurwetenschapper nodig hebt, maar ook een taalwetenschapper – iets wat ik een slechte zaak vind.

        • Avatar of thomashvv

          thomashvv 3:33 am on October 29, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Crispiness, het klopt natuurlijk wat jij zegt: er bestaat niet zoiets als de perfecte vertaling. Maar dat lijkt mij geen reden om er niet naar te streven (net zoals auteurs bij het schrijven van hun werk ook veelal streven naar een zekere perfectie). Hoe dit nu te bereiken? Spivaks claim dat de vertaler vooral zijn verbeelding dient te gebruiken bij dit proces, roept logischerwijs op tot discussie – maar eerlijk gezegd vind ik het helemaal niet zo gek; ik denk daarnaast ook niet dat het haaks staat op een feitelijke, etymologische kennis. Want volgens mij vormt die de basis voor elke vertaling; zonder kennis van de twee talen – de taal die vertaald moet worden en de taal waarin vertaald moet worden – is het natuurlijk een onmogelijke opgave, maar er is (veel) meer nodig dan enkel die theoretische laag. Hier komt de verbeelding om de hoek kijken, en dus ook Spivaks opvatting. Net zoals literatuur op een bepaalde, onzegbare manier moet wringen, ontregelen moet de vertaling dat ook doen – het gaat immers om precies dezelfde literatuur. Daarvoor is er geen taalwetenschapper nodig, zoals ook Crispiness hierboven schrijft, maar een literatuurwetenschapper; ik wil hierbij zelfs zover gaan door te zeggen dat dit inhoudt dat een vertaler in zekere zin ook een schrijver moet zijn/worden tijdens het vertalen. Anders klopt de vertaling strikt genomen weg, maar is de kans aanzienlijk dat het gevoel, de literariteit uit de tekst verdwijnt – en dat moet natuurlijk koste wat kost voorkomen worden.

    • Avatar of clau

      clau 12:27 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik vind de vergelijking tussen filmadaptaties en literaire vertalingen erg mooi, omdat daarmee het probleem van vertalingen en het hele vorm/inhoud-dilemma aan de orde komt.
      Ik moet echter bekennen dat ik de kwestie rondom literaire vertalingen lastig blijf vinden. Natuurlijk bestaan er ‘goede’ vertalingen, maar waarop beoordeel je een goede vertaling? Moet een goede vertaling vooral dicht bij de oorspronkelijke tekst blijven? En: hoe blijf je dicht bij de oorspronkelijke tekst? Vertalen is tot op zekere hoogte ook een manier van interpretatie, zeker als het om dubbelzinnige, ambigue passages gaat.
      Als we ervan uit gaan dat een tekst geen essentie bevat, dan is vertalen een manier van herschrijven. Laatst is er een aangepaste versie van Max Havelaar verschenen, aangepast aan het huidige Standaardnederlands, een ‘hertaling’. Waarom? Omdat Max Havelaar op die manier toegankelijker wordt? Omdat middelbare scholieren de nieuwe versie beter kunnen begrijpen? Hoort dat een criterium van vertaling te zijn? Dat het ‘lekker leest’?
      En over 50 jaar dan? Moeten er dan ook hertalingen verschijnen van Grunberg en Hermans?
      Vertalen is meer dan worstelen met woorden die in een andere taal geen overeenkomstige term kennen.
      Eigenlijk, maar dat is slechts mijn persoonlijke opvatting, zijn er geen absolute criteria voor een goede vertaling, of voor een goede filmadaptatie. Ik ben het ermee eens dat vertalen ook als creatief proces kan worden gezien. In die zin herschept een vertaling de originele tekst onder nieuwe voorwaarden, waarmee uiteindelijk ook de tekst verandert.
      Zoals Spivak stelt zijn we, als we ook literatuur buiten ons eigen taalgebied willen blijven lezen, aangewezen op vertalingen. We moeten er ons echter van bewust zijn dat de vertaler (of de vertaling) als tusseninstantie of extra dimensie fungeert binnen de sowieso al complexe verhouding tussen tekst, lezer en auteur.

    • Avatar of ellenswart

      ellenswart 9:47 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Olling,

      Je besluit je stuk met het idee dat de twee werken (het boek en de film) elkaar aan kunnen vullen. Dit zie ik echter niet echt terug bij boekverfilmingen; ik heb nog nooit iemand horen zeggen dat de film een dimensie aan het boek heeft toegevoegd. Het wordt volgens mij toch vaak als eenrichtingsverkeer opgevat; dat de film het boek zo raak mogelijk moet verbeelden.

  • Avatar of FlorisPieterse

    FlorisPieterse 12:18 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Spivak   

    De grens van de literatuur 

    Waarom kon ik toch geen genoegen nemen met een beroep als timmerman of loodgieter? Wanneer een timmerman ergens voor wordt ingehuurd weet hij precies welke dienst hij moet uitvoeren en voor wie hij deze dienst uitvoert. Binnen de literatuurwetenschappen zijn wij er nog niet eens uit of we überhaupt iemand van dienst zijn met onze dubieuze vaardigheden. Het is vooral de kwestie van invloed waar mijn aandacht naar uitgaat. In de volgende tekst zal ik aan de hand van Death of a Discipline van Gayatri Chakravorty Spivak een aantal vragen stellen met betrekking tot het bereik van de invloed van literatuurwetenschappen (als die er in de eerste plaats al is).

    In haar tekst beargumenteert Spivak haar voorstel om de disciplines ‘Area Studies’ en ‘Comparative Literature’ samen te voegen met als doel het proces van vertalen te perfectioneren en zo wederzijds begrip tussen verscheidene culturen te bevorderen. Er zijn twee angsten die als logisch gevolg hiervan binnen ‘Comparative Literature’ opduiken. Ten eerste is er de ‘disciplinary fear’ (20) en ten tweede de ‘fear of the loss of quality control’(21). In een poging zich te verdedigen doet Spivak een beroep op een literaire analyse van een segment uit de roman Waiting for the Barbarians van de Zuid-Afrikaanse auteur J.M. Coetzee.

    Mijn interesse hier ligt niet zozeer in de analyse zelf als het feit dat Spivak juist een literaire analyse gebruikt om haar argument over te brengen. De analyse van Spivak voldoet eigenlijk volkomen aan de normen van onderzoek binnen de literatuurwetenschap en lijkt zelfs een beetje basaal in haar gebruik van het personage ‘the Magistrate’ (22) als symbool staande voor ‘the characteristics of empire’ (22) en het barbaarse meisje als de ‘barbarian other’ (23). Is hier niet sprake van een enigszins incestueuze of op zijn minst eigenaardige logica? Spivak lijkt juist gebruik te maken van de discipline die ze aan het bekritiseren is. En nog belangrijker: ze gebruikt een enkele interpretatie van een enkele roman als argument voor het aanbrengen van een behoorlijk significante verandering in een universitaire discipline. Het verschil in schaal hier is iets dat aan me blijft knagen. Ik ben me wel bewust dat deze analyse niet Spivak’s hoofdargument uitmaakt maar ze gebruikt het toch als enige tegenargument voor twee heel logische klachten over haar voorstel.

    Maar het is toch het idee van “schaal” wat hier centraal staat. Spivak’s voorstel maakt het vrijwel “ongepast” om literatuur op het niveau van een individuele ervaring te analyseren. De literatuurwetenschapper moet volgens haar immers altijd het gewicht van een culturele verantwoordelijkheid met zich meedragen. Ik vraag mij af hoe dit de vertaling van Nederlandse boeken zou beïnvloeden. Zou een cultureel verantwoorde Amerikaanse vertaling van Harry Mulisch of Willem Frederik Hermans enige invloed hebben op hoe de Nederlandse cultuur door Amerikanen gezien wordt? Misschien is dit een ongepast voorbeeld omdat het over twee (relatief) welvarende landen gaat en Spivak wil immers vooral de kloof tussen arme en rijke landen verkleinen.

    Laat mij een hypothetisch scenario schetsen: de gehele mensheid wordt over een half uur vernietigd. Er is ruimte voor vier mensen in de bunker. Vijf mensen staan kandidaat: een timmerman, een dokter, een kok, een schrijver en een literatuurwetenschapper. Wie blijft achter? De literatuurwetenschapper. Waarom? Omdat hij uit zichzelf niets kan creëren. Zijn rol in de maatschappij (die na onze hypothetische Apocalyps niet meer bestaat) is puur reactionair. Dit staat in ieder geval vast. Wat voor invloed wij als literatuurwetenschappers ook hebben vloeit voort uit het werk van anderen, net zoals Spivak Coetzee nodig heeft om haar punt te maken. Maakt dit ons niet volkomen parasitair? Vallen wij zelf ook ten prooi aan een incestueuze vorm van logica?

    Om heel eerlijk te zijn maakt het idee dat de literatuurwetenschapper een politieke last op zijn schouders moet nemen me een beetje bang en dit komt zeker niet door mijn eigen neiging om verantwoordelijkheid uit de weg te gaan. Het ligt niet alleen aan de onzekerheden binnen de discipline zelf maar ook de chaotische aard van de literatuur als onderzoeksobject. Literatuur komt voort uit specifieke individuen, dus hoe verstandig is het om een roman tot meetellend onderdeel in de identiteitsvorming van een hele cultuur te maken?

     
    • Avatar of daneshvar

      daneshvar 1:16 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Floris,
      Ik wil reageren op twee punten uit je essay. Ten eerste schrijf je dat de rol van de literatuurwetenschapper reactionair is en je vergelijkt hem met een parasiet. Ik ben het met je eens wanneer je zegt dat wij onze kennis constant op voorgaande kennis baseren, maar bij mij houdt dit niet op bij de literatuurwetenschapper. Ik ben van mening dat dit geldig is bij alle vormen van kennis. Zelfs mensen die constant beweren met iets nieuws te zijn gekomen, kunnen gekoppeld worden aan eerdere vormen van kennis (denk aan Heidegger en zijn claim dat sinds de presocraten de filosofie en de wetenschap niet is veranderd). De timmerman, de dokter, de kok en de schrijver baseren hun kennis ook op voorgaande vormen van kennis, alleen doen zij misschien alsof ze met iets nieuws komen. Dit brengt me bij mijn tweede punt. Doordat deze vier mensen doen alsof ze een vaste waarde/nut hebben voor de maatschappij, en de literatuurwetenschapper nooit zijn nut kan hard maken, is de literatuurwetenschapper nuttiger dan de anderen. Het nut van de literatuurwetenschapper zit in het feit dat hij geen vaste nut heeft. Laat ik dit duidelijk maken door jouw voorbeeld verder te trekken: wat heb je aan een timmerman als er niks getimmerd hoeft te worden? Wat heb je aan een dokter als iedereen gezond is. Wat heb je aan een kok als niemand honger heeft. Deze zinsconstructie kan je niet toepassen op de literatuurwetenschapper en daar ligt het nut van deze wetenschapper dan ook.

      • Avatar of lara

        lara 2:14 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Een literatuurwetenschapper kan hopelijk toch ook gewoon koken en timmeren? En wat heb je eigenlijk aan een kok als je in een bunker vastzit? Een kok heeft toch eten nodig om te creeeren? Een timmerman heeft toch materiaal nodig, en een arts zijn spullen en medicijnen? Die literatuurwetenschapper en schrijver kunnen tenminste nog met literatuur de bunker-sleur te lijf, en de rest zal ze daar erg dankbaar voor zijn.

        • Avatar of daneshvar

          daneshvar 5:51 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Ik bedoelde met mijn voorbeeld (eigenlijk die van Floris) niet dat een kok letterlijk in een bunker een maaltijd klaar moet maken, maar dat nuttigheid van een bepaalde discipline meestal beoordeeld wordt aan de hand van een vaststaand doel. Disciplines zoals geneeskunde, rechten en in het algemeen bijvoorbeeld de natuurwetenschappen hebben meestal één bepaald en vaststaand doel voor ogen. Hun studieobject is dan ook erg duidelijk. Hierdoor LIJKT het alsof ze meer nut hebben voor de maatschappij, aangezien hun doel makkelijk over te brengen en te verdedigen is. De literatuurwetenschapper heeft deze luxe niet. Hij kan niet zijn doelstelling en zijn nut voor de maatschappij aan de massa geheel duidelijk maken, tenminste niet zoals een arts dat bijvoorbeeld kan. Dit komt omdat een literatuurwetenschapper geen vast doel heeft en zijn studieobject nooit hetzelfde is. Zelfs op de vraag wat is literatuur? zal je van iedereen een verschillend antwoord krijgen. Mijn claim is de literatuurwetenschapper zijn nut juist uit verkrijgt uit het feit dat hij geen vaste nuttigheid of doelstelling kan aanwijzen voor zichzelf. Het nut van een literatuurwetenschapper voor een maatschappij, is hierdoor niet statisch, maar dynamisch en kan met de samenleving mee veranderen. Hierdoor is de literatuurwetenschapper niet afhankelijk van zijn nut of van zijn studieobject. Als er niks getimmerd hoeft te worden verliest een timmerman niet alleen zijn nut, maar ook zijn functie en misschien ook zijn identiteit (als timmerman zijnde). Dit zal de literatuurwetenschapper niet overkomen, aangezien hij niet geheel afhankelijk is van zijn functie.

          • Avatar of Jeroen

            Jeroen 1:45 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

            ‘Mijn claim is de literatuurwetenschapper zijn nut juist uit verkrijgt uit het feit dat hij geen vaste nuttigheid of doelstelling kan aanwijzen voor zichzelf. Het nut van een literatuurwetenschapper voor een maatschappij, is hierdoor niet statisch, maar dynamisch en kan met de samenleving mee veranderen.’

            Ik zou hier verder op willen gaan en stellen dat dit argument ook de stelling over het gevaar van de politieke belasting op de literatuurwetenschap. neutraliseert. Juist omdat het nut van de literatuurwetenschap zo moeilijk te definiëren is, ontsnapt het aan het gevaar van politieke belasting, en zal het Spivak’s plannen niet in de war schoppen.

            In het kort komt het erop neer dat de literatuurwetenschap politieke invloed zal hebben als dat een keer zo uitkomt doordat het structureel werk levert dat politiek van nut kan zijn (en des te sterker als het Spivak’s ideeën uitvoert volgens haar), niet omdat het vanuit een specifieke politieke opdracht werkt of op bestelling. Het is te ondefinieerbaar om voor één politiek karretje te spannen, en zal zich dus nooit laten vangen en in een keurslijf laten dwingen.

            • Avatar of jorisbrakkee

              jorisbrakkee 2:16 pm on October 19, 2010 Permalink

              Als de literatuurwetenschapper zijn nut ‘juist verkrijgt uit het feit dat hij geen vaste nuttigheid of doelstelling kan aanwijzen voor zichzelf’ (daneshvar) dan heeft hij in mijn ogen nog steeds geen nut. Dat hij niet ‘afhankelijk’ is van zijn nut of studieobject en dus langer een functie zal houden dan de timmerman, maakt hem niet nuttiger, alleen maar lastiger om van hem af te komen. Als een timmerman niets te timmeren heeft zal hij een ander beroep moeten zoeken, de literatuurwetenschapper heeft altijd wel wat te onderzoeken zeg je, dus die zal altijd een beroep hebben. Joehoe voor ons, we hebben altijd een beroep. Maar wie wil er ons voor betalen? Iemand die wel degelijk een nut wil zien. Zolang wij dat niet kunnen aanwijzen zitten we dus zonder baan en zonder functie (en dus ook zonder identiteit?). Het feit dat we geen nut kunnen aanwijzen voor onszelf lijkt me dus geen reden van juichen, maar een reden om heel hard op zoek te gaan naar een nut.

    • Avatar of jasperdonkers

      jasperdonkers 12:57 pm on October 20, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik begrijp wat je bedoel Joris, ook al denk ik dat je @daneshvar zijn claim iets te letterlijk neemt. Wat hij volgens mij probeert te zeggen heb je er in eerste instantie goed uitgehaald. Het nut van de literatuurwetenschapper laat zich niet definiëren in een letterlijk te omschrijven ‘nut’ aan de hand van zijn studieobject, zoals de meer praktische beroepen dit wel toelaten.

      Het probleem zit denk ik in het verschil tussen ‘nut’ en onze ‘maatschappelijke functie’ of ‘ toekomstig beroep’. De literatuurwetenschapper heeft inderdaad geen vast beroep of functie binnen de maatschappij waar zij aanspraak op kan maken, behalve misschien een baan aan de universiteit zelf voor de uitverkorenen onder ons. Dit zegt echter niet perse dat zij geen nut heeft. Het nut van de literatuurwetenschapper is, juist door de dynamiek, een reactionair nut. Ons object van studie is constant in verandering en dus zullen wij, en het nut van onze taken altijd in verandering blijven. Ik denk dat het nut van onze studie dus inderdaad ligt in de beweging. Het is een ‘dynamisch nut’ dat zich aanpast aan de altijd blijvende dynamiek van datgene wat wij bestuderen. Een studie en een taak zonder eindresultaat. De timmerman kan zich verheugen over het einde van zijn timmerproject, wij kunnen ons verheugen omdat ons project nooit af is en dat het denken nooit eindig is of zal zijn.

      Een flinke vaste maandloon is inderdaad geen zekerheid, maar dat hoeft volgens mij niks te zeggen over onze identiteit of het plezier wat we hebben aan onze reactionaire houding ten opzichte van de wereld.

    • Avatar of myrthe

      myrthe 12:21 pm on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Op intellectuele wijze reflecteren op wat er zich zowel buiten als binnen de bunker afspeelt is ook heel belangrijk dat ben ik met Lara eens.Leve de literatuurwetenschap en dood aan de praktijk…toch?
      Floris, ik begrijp je angst om als literatuurwetenschapper achter te blijven in het praktisch nut van de maatschappij, of zoals in college aangehaald werd dat Heideggers visie is dat je moet accepteren dat de wetenschap op zich een grote drijfzand toestand is.
      Zoals hierboven gesteld is de literatuur een vak wat altijd in beweging is, net als de maatschappij zelf. Daarnaast neemt de literatuur in al zijn facetten een groot deel van onze samenleving in beslag, kijk om je heen, het is echt overal. Ik denk dat wanneer je je deze vraag stelt je mogelijk een bewustzijn en een drive creeert om zingeving te zoeken in je werk!

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 2:54 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoewel je een goed essay geschreven hebt denk ik dat je de situatie wat te negatief inschat, literatuurwetenschappers zijn niet immers alleen maar parasieten die alleen maar andermans kennis gebruiken maar voegen aan die kennis iets toe waardoor voorgaande kennsi weer verandert. De metafoor over het ruimteschip kan ik inkomen maar is misschien ook wat pessimistisch.

  • Avatar of ellenswart

    ellenswart 12:11 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Spivak,   

    Brug tussen verbeelding en cultuur 

    “Kan de verbeelding de wereld veranderen? En heeft literatuur de literatuurwetenschap hiervoor nodig?” Dit waren de vragen waar ons afgelopen college mee eindigde. Als ik een antwoord op de eerste vraag zou moeten geven, zou ik heel hard “JA!” willen roepen. Maar als iemand me de tweede vraag zou stellen, zou ik eerder “mmmnnmnnouu…” mompelen.

    Laat ik allereerst ingaan op mijn enthousiaste uitroep. Verbeelding kan mijn perspectief veranderen; zo kan ik veel leren van mijn eigen verbeelding maar ook van andermans verbeelding. Een van de taken van de literatuurwetenschap is uiteraard het laatste; het afleiden van ‘iets’ vanuit een literair werk. Dat ‘iets’ kan sterk variëren; van de menselijke psyche (waarbij de psychoanalytische methode ons kan helpen), tot aan culturele aspecten. Ik sluit me hier dus bij Spivak aan, wanneer zij zegt dat een literair werk een cultuur geraffineerd kan verbeelden. De verbeelding van de auteur gaat hier over in de beeldvorming door de lezer. En aangezien het beeld dat we van een onderwerp hebben bepaalt hoe we ermee omgaan, zou ik zeggen dat de verbeelding inderdaad iets kan veranderen.
    Maar heeft literatuur de literatuurwetenschap daar dan ook voor nodig? Enerzijds ben ik wel verplicht te zeggen dat alleen de literatuurwetenschapper met zijn getrainde leeshouding in staat is de zogenaamd verborgen elementen uit een tekst te halen. Immers, als ik zou beweren dat de ‘gewone lezer’ net zo goed in staat is deze elementen te herkennen, zou ik mijn toekomstige beroep als vrij overbodig bestempelen. Maar om de door de literatuurwetenschapper behaalde resultaten iets toe te laten voegen aan het globale maatschappelijke debat, is de hulp van instituties nodig. En deze instituties hebben weer economische belangen, waardoor de wereldvrede die Goethe voor ogen stond, onder vrij grote druk komt te staan… Ik zal hier toch ook een wat meer hoopvolle benadering tegenover zetten: zodra een bepaald onderzoeksresultaat is gepubliceerd, krijgt het wat bekendheid in de academische kringen. Deze academische kringen zouden weer in contact kunnen staan met publieke kringen, waardoor tevens het publieke debat in aanraking zou kunnen komen met de grote lijnen van de onderzoeksresultaten. De literatuurwetenschapper als een vlinder die met zijn vleugelslag een aardbeving in de maatschappelijke orde teweegbrengt! Maar zou het niet nog beter zijn als de wetenschapper een wat meer publieke functie zou krijgen? Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan Robbert Dijkgraaf, die regelmatig aan de tafel van de Wereld Draait Door aanschuift en daarmee verschillende onderzoeken bekendheid geeft.
    Met de area studies van Spivak in het achterhoofd heb ik mezelf tevens de vraag gesteld of de literatuurwetenschap zoals we die vandaag de dag (aan de UvA) beoefenen, wel toereikend genoeg is om iets over een cultuur te zeggen. Is die taak niet meer weggelegd voor de verschillende taal- en cultuurstudies? De kennis van de literatuurwetenschapper over de betreffende cultuur steekt immers schril af tegen deze potentiële spionnen. Want kunnen we niet pas werkelijk iets over een werk zeggen als we de context waarin het geschreven is én waarover het handelt optimaal kennen? Als we deze specifieke taak aan de taal- en cultuurstudies over zouden dragen, komen daar natuurlijk nog wel wat meer hervormingen bij kijken. Op dit moment is alleen het college ‘Inleiding literatuurwetenschap’ verplicht bij de taal- en cultuurstudies, en tellen ze daarnaast nog twee of drie letterkundevakken. Deze ‘inleiding’ in de literatuurwetenschap zou op zijn minst uitgebreid moeten worden met een vak als ‘Literatuur en wetenschap’ zodat de taal- en cultuurstudenten op hun beurt weer kunnen reflecteren op het vraagstuk dat ik hier behandel en zich bewust worden van hun functie in het maatschappelijk debat.
    Maar dan blijft het natuurlijk de vraag welke taak er voor ons literatuurwetenschappers overblijft… Wanneer wordt onze theoretische kennis dan nog benut? En hoe voorkom je dan bovendien dat de bachelor Engelse taal en cultuur zes jaar duurt? Mijn wat meer realistische voorstel is dan ook een nauwe samenwerking te creëren met de taal- en cultuurstudies zodat bruggen kunnen worden gebouwd en het pad naar Goethe’s wereldvrede daarmee langzaam toegankelijker wordt…

     
    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 12:45 am on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ellen,

      ik quote: “Want kunnen we niet pas werkelijk iets over een werk zeggen als we de context waarin het geschreven is én waarover het handelt optimaal kennen?”

      Persoonlijk denk ik dat het hier juist niet over gaat. Laat ik dit nuanceren, ik denk dat het soms van belang kan zijn om inderdaad zoiets als de context van het werk mee te nemen in een analyse/bespreking, maar vaker wel dan niet zouden we dit los moeten koppelen. Ten eerste hoeft een werk zijn cultuur niet te weerspiegelen. Daarnaast ga je er met dit citaat ervan uit dat er in een tekst maar 1 waarheid zit, namelijk de cultuur waarvan het vandaan komt. Dit terwijl een andere, compleet van de cultuur losstaande interpretatie even waar kan zijn en niet minderwaardig is. Tot slot ga je ervan uit dat een tekst een bepaalde boodschap bevat – dit hoeft echter niet zo te zijn. Een goed voorbeeld hierbij vinden we terug in de deconstructie, wanneer een tekst zichzelf tegenspreekt.

      Een ander punt waar ik met je van mening verschil vind ik terug in je laatste zin: “Mijn wat meer realistische voorstel is dan ook een nauwe samenwerking te creëren met de taal- en cultuurstudies zodat bruggen kunnen worden gebouwd en het pad naar Goethe’s wereldvrede daarmee langzaam toegankelijker wordt…”

      Met name wil ik ingaan op het toegankelijkere pas naar Goethe’s wereldvrede. Ik denk dat als we uberhaupt meer begrip krijgen in en van elkaars culturen, dat dat vrijwel los staat van de vrede – of sterker nog, de wereldvrede. Ik denk niet dat conflicten gebaseerd zijn op onbegrip, maar op macht en uitsluiting.

      • Avatar of ellenswart

        ellenswart 7:44 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Britt,

        Oei ik was even vergeten dat mijn tekst door literatuurwetenschappers gelezen wordt; de woorden gaan alweer een eigen leven leiden :) Ik ben bang dat ik mezelf niet goed genoeg heb uitgedrukt. Ik ben namelijk helemaal niet van mening dat een literair werk alleen maar kan worden begrepen als de context ervan bekend is.. Ik heb mijn tekst alleen geschreven vanuit een bepaald uitgangspunt; het gebruiken van teksten voor cultuurgerelateerde doeleinden. En als je literatuurwetenschap dus wilt zien als de discipline die meer begrip voor culturen teweeg kan brengen, ben ik van mening dat we daar de taal- en cultuurstudies bij nodig hebben.
        Overigens geloof ik wel dat een werk kenmerken van een cultuur bevat omdat deze ontzettend diepgeworteld zitten in de auteur. Daarnaast denk ik niet dat deze culturele elementen elkaar tegen kunnen spreken maar wél dat wat er gezegd wordt, verschilt van de eerste aanname van de lezer. Er is dus wel een mogelijkheid voor subversie. Maar de cultuur behelst zo ontzettend veel, dat deze onvermijdelijk terug te zien is in de tekst.

        Op het punt van de wereldvrede geldt eigenlijk hetzelfde verhaal: ik probeerde in mijn stuk Goethe’s ideaal beter toepasbaar te maken – wat dus niet wil zeggen dat ik geloof dat wereldvrede bereikt zal zijn zodra culturen elkaar hebben leren kennen. Ik denk dat macht hierbij namelijk inderdaad een grote rol speelt (al zie ik het niet als de enige rol)en wereldvrede onbereikbaar is.

        Ik heb dus vooral geprobeerd in het aangereikte straatje te denken, in plaats van de meningen van Spivak en Goethe radicaal omver te werpen.

    • Avatar of margareth

      margareth 11:01 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Dag dames, 2 opmerkingen van mijn kant. Volgens mij kan een tekst die zichzelf tegenspreekt toch zeker ook een boodschap in zich dragen en als tweede kunnen conflicten zo complex in elkaar zitten dat het niet alleen een kwestie hoeft te zijn van macht en uitsluiting maar ook een mate van onbegrip. Het is eerder – + – dan – of – Onbegrip hoeft niet perse bewust plaats te vinden maar vaker juist onbewust omdat mensen ondanks hun gezamenlijke achtergrond toch verschillend opgroeien. Genoemde macht en uitsluiting lijken me vaker meer bewust toegepaste kunstgrepen.

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 7:32 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Margareth,

      wat ik wilde duidelijk maken is dat een tekst niet persé 1 boodschap hoeft te bevatten. Mijn reactie was ook een reactie op het essay, dat er vanuit gaat dat alleen een tekst met de context van een cultuur begrepen kan worden. Hiermee suggereer je dat er maar 1 juiste benadering/begrip van de tekst mogelijk is. Wanneer een tekst zichzelf tegenspreekt, sluit dit het hebben van 1 interpretatie uit. Daarnaast kan een tekst ook de cultuur waar het vandaan komt zichzelf tegenspreken.

      Een universeel begrip is onmogelijk aangezien waarheden in verschillende discoursen met elkaar botsen. Wat in het ene discours waar is, kan voor het andere discours niet waar zijn. Ze hebben dan beiden andere waarheden. Begrip in de zin van acceptatie is dus onmogelijk. Eventuele tolerantie is niet onmogelijk, maar wel ontzettend moeilijk doordat de macht de tolerantie tegengaat.

    • Avatar of Jeroen

      Jeroen 2:33 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik zou graag iets nieuws in willen brengen in de ideeën over het ‘nut’ van literatuurwetenschappen. Het nut is en zal naar mijn idee altijd moeilijk te definiëren zijn. Als het dat niet meer is, verliest het haar eigenheid en dus ook haar kracht. Wat het volgens mij altijd zal moeten en blijven doen is het opleiden van kritische en belezen individuen, die dan op één of andere manier hun nut zullen hebben in de maatschappij en wellicht ook zullen helpen wereldvrede te bewerkstelligen. Op het moment dat het met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht.

      • Avatar of jorisbrakkee

        jorisbrakkee 2:26 pm on October 19, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Een goed punt Jeroen. Bij het lezen van bovenstaand essay was het eerste dat ik dacht dat we best mogen zeggen met zn allen dat literatuurwetenschappen geen nut heeft. Waarom zou een studie nut moeten hebben? Ja, verbeelding kan in mijn ogen ook de wereld veranderen, maar nee, een literatuurwetenschapper is daar niet bij nodig. Mensen lezen boeken, welke boeken ze zelf willen, en hun verbeelding wordt daarbij aan het werk gezet op allerlei manieren, manieren die een literatuurwetenschapper niet kan sturen, veranderen, of wat dan ook. Wij literatuurwetenschappers lezen ook boeken en hebben daar weer hele andere gedachten bij, en hele andere verbeeldingen, maar of wij dan met onze verbeeldingen en gedachten moeten gaan proberen de wereld te veranderen, wereldvrede te stichten, de honger op te lossen, etc, alleen maar omdat wij vier jaar literatuurwetenschappen gestudeerd hebben? Nee. Ieder mens verandert de wereld, en dat komt gedeeltelijk door verbeelding en door de boeken, films, kunstwerken, artikelen etc die we lezen, maar ook voornamelijk door die mensen zelf. Laten wij de mensen zijn die zoals Jeroen zegt kritischer en belezener zijn dan de gemiddelde mens, die hun verbeelding hebben laten werken op heel veel boeken en artikelen over boeken en die daardoor elk hun eigen verbeelding hebben, en die misschien beter in woorden kunnen overbrengen, en daardoor misschien elk op onze eigen manier een nut zullen hebben in de wereld. Maar laten we niet tot doel stellen van de literatuurwetenschap om wereldvrede te bewerkstelligen, of de wereld beter te maken, of dergelijke zaken, dat zijn veel te zware onderwerpen om de verbeelding mee op te zadelen.

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 10:44 pm on October 20, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Joris,

      volgens mij heb je niet goed begrepen wat Jeroen precies zegt. Hij zegt namelijk niet dat de literatuurwetenschap geen nut heeft, hij zegt dat dit zogenaamde nut altijd moeilijk te definieren zal zijn bij lit.wetenschap en dat dit juist ons kenmerkt.

      Echter wil ik nog even op Jeroen’s post ingaan. Jeroen, je zegt dat op het moment dat we met specifiekere doelen gaan werken, we onze kracht zullen verliezen. Ik ben het hier met je oneens. Ik denk niet dat we onze kracht zullen verliezen, ik denk alleen dat we ons niet op 1 bepaald doel moeten richten, maar op meerdere – immers, alleen zo komen we verder.

      Daarnaast, wereldvrede is denk ik niet te bewerkstelligen. Noem het pessimistisch, of misschien eerder realistisch. Wereldvrede heeft minder te maken met dingen zoals begrip, maar juist met macht uitvoeringen. Maar hierover heb ik mijn mening al in enkele posts hierboven laten gelden.

    • Avatar of clau

      clau 1:05 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Ellen,
      ‘Kan de verbeelding de wereld veranderen?’ Zoals je zelf zegt is een eenduidig antwoord op deze vraag nauwelijks mogelijk.
      Het is wel zo dat de literatuur in het verleden steeds opnieuw juist dit heeft geprobeerd. Dit begon- natuurlijk- bij Aristoteles, maar ook tijdens de Verlichting ging men ervan uit dat literatuur een beschavende functie zou kunnen hebben. Ik geloof trouwens nog steeds dat literatuur een beschavende functie heeft, ook al is dat misschien niet langer haar intentie.
      Ook in de Romantiek wilden dichters en kunstenaars de wereld veranderen, uitgaande van de verbeelding en het sublieme. En tenslotte hebben we Sartre en Brecht en geëngageerde literatuur.
      Ik vind dat literatuur bij vlagen best eens geëngageerd mag zijn, maar puur geëngageerde kunst is saai saai saai. Kunst moet verontrusten, grenzen opzoeken, en mag daarbij doelloos rondtollen, provoceren zonder oplossingen aan te dragen, uitdagend of ingetogen zijn…
      Literatuurwetenschappers aan de andere kant zijn in de eerste plaats geen kunstenaars. En ‘gewone’ mensen vinden ons vakgebied toch bij voorbaat al saai saai saai, dus waarom zouden we als literatuurwetenschappers niet nadrukkelijker een plek in het publieke debat opeisen? Geëngageerde literatuurwetenschap, is dat misschien de brug tussen verbeelding en cultuur?
      Jeroen schrijft: ‘Op het moment dat het met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht.’ Hmmmm. Dat is wel een mooie poëtische zin waarin onschuld met kracht wordt geassocieerd. Ik vraag me echter af of de literatuurwetenschap wel zo’n onschuldig vakgebied is. Zeker, we zijn allemaal vredelievende mensen, maar is de gemiddelde mens dat niet ook? Is het niet alsnog mogelijk, om al naar gelang de heersende omstandigheden een tijdelijk doel en een tijdelijk nut na te streven en dat op een gegeven moment weer te verwerpen?

    • Avatar of jwhiah

      jwhiah 9:13 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      1. Clau schrijft dat Jeroen schrijft: ‘Op het moment dat het [literatuurwetenschap] met specifiekere doelen gaat werken zal het haar onschuld verliezen, en dus ook haar kracht’.

      Met deze zin heb ik erg veel moeite en zet ik dan ook zo mijn vraagtekens bij. Als ik het goed interpreteer ga je hier uit van het niet hebben van een specifiek doel in de opleiding literatuurwetenschap.
      Maar is de manier waarop wij, studenten, opgeleid worden ook al niet een specifiek doel op zich? We krijgen bepaalde verplichte vakken die we moeten volgen, we worden op een bepaalde manier klaargestoomd voor toetreding tot de ‘grote mensen wereld’. Ik sluit mij hierbij aan bij Clau: ik denk niet dat literatuurwetenschap een onschuldig vak is. Waarom pretenderen we überhaupt dat literatuurwetenschap zo een onschuldig vak is. Door iets aan te merken als doelloos, onzichtbaar en dus onschuldig gaat er bij mij juist een alarm rinkelen. Ook in de literatuurwetenschap is er sprake van uitsluiting; waarom lezen we bijvoorbeeld Coetzee en niet Ronal Giphart? Juist specifiek zijn, naar buiten treden met een bepaald doel, en dit doel ook als zodanig erkennen. Dat is belangrijk.

      2. Literatuurwetenschap, kampt, net zoals veel andere wetenschappen, met een kloof tussen het publiek, de burgers, en de wetenschap zelf. Het claimen van een positie in het publiek debat, zoals Clau voorstelt, dat vind ik een erg belangrijk punt. De wetenschapper zou ook naar mij smaak meer geëngageerd te werk mogen gaan. Politiek en Literatuurwetenschap, dat klinkt toch niet erg buitenaards als je bedenkt dat een discipline als de retorica al eeuwenoud is. Bovendien denk ik ook dat deze geëngageerdheid ook het punt is waar de Certeau op duidt. Wij zijn als literatuurwetenschappers niet beperkt tot het literatuurwetenschappelijk discours en daar zou gebruik van gemaakt moeten worden. Of wereldvrede haalbaar is? Ik denk het niet, maar de kloof is niet onoverbrugbaar.

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 3:01 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        De definitie van literatuurwetenschap zal, net als haar ´nut´, altijd lastig blijven. Ik denk echter wel dat er een rol is wegelegd voor de literatuurwetenschap. is het immers niet ook belangrijk om de duiding die in principe iedere lezer kan distilleren ook historisch wordt geplaatst in een context. hier zie ik de grootste taak van de lit wetenschap omdat door een historische combinatie van teksten er overeenkomsten kunnen worden gevonden.

  • Avatar of AudreyMussoni

    AudreyMussoni 11:10 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Spivak   

    Crossing Borders 

    Spivak betoogt in de tekst Crossing Borders (The Death of a Discipline) dat het vakgebied comparative literature in dienst zou moeten staan van area studies: “The new step that I am proposing would go beyond this acknowledgment and this competition. It would work to make the traditional linguistic sophistication of Comparative Literature supplement Area Studies (and history, anthropology, political theory, and sociology) by approaching the language of the other not only as a a “field” language” (Spivak 2003, p. 9).
    Spivak vindt dat cultuurwetenschappers moeten inzien dat taal meer is dan een onderzoeksobject. Taal zou benaderd moeten worden zoals men dat doet bij literatuurwetenschappen, als iets wat leeft en onderdeel is van cultuur: “We must take the languages of the Southern Hemisphere as active cultural media rather than as cultural study” (Spivak 2003, p. 9).
    Daarom lijkt het haar goed om comparative literature en area studies met elkaar te combineren. Voortkomend uit deze combinatie is dat voorheen genegeerde teksten nu vertaald zouden kunnen worden. Dit zou leiden tot meer begrip voor andere culturen en hopelijk tot minder gewapende conflicten: “I am not advocating the politicization of the discipline [Comparative Literature]. I am advocating a depoliticization of the politics of hostility towards a politics of friendship to come, and thinking of the role of Comparative Literature in a responsible effort.” (Spivak 2003, p.12).
    Volgens Spivak is vertalen dé manier om inzicht te krijgen in de verbanden tussen taal en cultuur. Volgens haar is niet zozeer de vertaling, maar het proces van vertalen belangrijk. De student leert op deze manier zowel over zijn eigen taal, als de taal die hij vertaalt. Daarvoor is natuurlijk wel een perfecte beheersing van de vreemde taal vereist.
    Op een gegeven moment schrijft Spivak echter iets wat, naar mijn mening, tegenstrijdig is met het betoog dat zij voert. Ze schrijft dat comparative literature studenten niet het doel moeten hebben om veel talen te beheersen:”The old Comparative Literature did not ask the student to learn every hegemonic language; nor will the new ask her or him to learn all the subaltern ones” (Spivak 2003, p.10).
    Het is natuurlijk ook onmogelijk om alle talen te willen spreken. Maar naar mijn inziens gaat deze uitspraak niet gepaard met wat zij wil bereiken. Ze zegt namelijk dat het niet zozeer de vertaling, maar het proces van vertalen inzicht geeft in de interactie tussen taal en cultuur. Het lezen van iemands anders vertaling heeft dus geen effect. Alleen het eigen vertalingproces, brengt iemand dichter tot een andere cultuur. Als iedereen echter maar één andere taal kent, zal iedereen ook alleen maar dichter bij één andere cultuur komen.
    Hetgeen waar Spivak naar streeft is vrede. Haar plan van aanpak lijkt me echter een heel individualistisch en traag proces. Bovendien zijn het ook alleen de comparative literature en area studies studenten die bij deze aanpak worden betrokken. Niemand anders zal profiteren van de inzichten die zij verkrijgen, omdat deze inzichten alleen te verkrijgen zijn als men zelf aan de slag gaat met vertalen. Het lijkt mij dat haar plan in praktijk weinig resultaat zal opleveren. Het is te ambitieus om zoveel mogelijk talen te proberen te leren, maar haar idee levert weinig op als men dat niet doet.
    Overigens lijkt het mij omslachtig om culturen dichter bij elkaar te willen brengen via literatuurwetenschappen. Het duurt waarschijnlijk jaren voordat iemand een nieuwe taal vloeiend spreekt en wanneer diegene de taal eenmaal perfect beheerst, valt er waarschijnlijk weinig nieuws te ontdekken bij het proces van vertalen. Het lijkt mij überhaupt ook niet nodig dat iemand zich totaal verdiept in een taal voordat er begrip kan ontstaan voor die cultuur. Bovendien laat Spivak buitenwegen dat cultuurverschillen meestal niet de enige oorzaak zijn voor gewapende conflicten. Er zouden waarschijnlijk nog steeds conflicten zijn, ook al zou iedereen elkaars cultuur begrijpen.
    Het combineren van comparative literature en area studies heeft als positief effect dat verloren teksten in andere talen opnieuw zullen worden ontdekt, maar ik denk niet dat dit zal leiden tot een werkelijke vermindering in gewapende conflicten.

    Literatuur
    Spivak, Gayatri Chakravorty. The Death of a Discipline. New York: Columbia University Press, 2005. p. 1-23.

     
    • Avatar of lanabroekaert

      lanabroekaert 4:30 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      He Audrey, ik ben het met je eens dat haar visie, om via deze combinatie van studies wereldvrede te bereiken, niet realistisch is. En hoewel de combinatie van deze comparative literature en area studies wellicht tot een verrijking van de literatuurwetenschappen zou kunnen leiden, is dit blijkbaar ongewenst aangezien er sinds de tekst van Goethe die voor iets soortgelijks pleit en haar tekst, nog niets veranderd in de discipline van de literatuurwetenschappen.
      Ik denk dat het aan de literatuurwetenschapper zelf moet zijn, hoeveel talen hij of zij wilt kunnen beheersen. Ik kan mij namelijk goed voorstellen dat niet alle literatuurwetenschappers zich puur bezig willen houden met vertalen.

      • Avatar of simonevs

        simonevs 8:21 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Audrey,

        Interessant punt. De vragen die je stelt lijken me realistisch (en de doelen van Spivak dus niet). Immers, zelfs wanneer we een taal en cultuur volledig begrijpen (voor zover überhaupt mogelijk), betekent dit nog niet dat we geen conflict meer opzoeken, lijkt mij? Conflict ontstaat ook tussen mensen van eenzelfde cultuur, land of taal. Willen we deze conflicten ook elimineren, dan moeten we waarschijnlijk egaliseren en daar is Spivak ook niet voor (en wie weet leidt dit alsnog tot conflict). Misschien rest literatuur dan alleen de taak om conflict te beschrijven?

    • Avatar of Rowan

      Rowan 12:16 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hee Audrey,

      De vragentekens die je zet bij de vrede die Spivak voor ogen heeft, net zoals Goethe trouwens, stel ik ook in mijn essay ter discussie. Ik ben het helemaal met je eens dat vrede bereiken, door middel van een wereldliteratuur (als dit al te bereiken is) een utopische gedachte is. Ik denk inderdaad ook dat er altijd nog culturele normen en waarden achter zitten. Je kunt dan misschien wel alle talen spreken, maar begrijp je dan ook wat je zegt met alle geladenheid van de cultuur zelf in zich? De talen zijn doordrengt van de geschiedenis en culturele en sociale activiteiten.

      Daarnaast denk ik dat de wereldliteratuur niet toegankelijk is voor iedereen, doordat bijvoorbeeld de derdewereldlanden beperkt zijn, ze vast zitten binnen hun grenzen. Wij, als westerse mensen, hebben dan wel toegang tot ‘alle’ literatuur, maar dan krijgen we (‘weer’) een taal die wordt opgelegd door het Westen. Het is alsof we dan de wereld opnieuw kolonialiseren, we drukken onze wil op, omdat we denken dat we elkaar zo beter kunnen begrijpen. Willen we elkaar echter beter begrijpen, moeten we alle meningen toelaten en onze eigen mening kunnen vervormen en/of aanpassen. Anders kunnen we nooit een wereldliteratuur maken, waarin het Westen bijvoorbeeld samenwerkt met het Midden-Oosten. De conflicten blijven bestaan, doordat de normen en waarden teveel verschillen..

    • Avatar of Gerda

      Gerda 4:19 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Audrey en Rowan,

      Audrey, Jij zegt in jouw reactie: “Ik denk inderdaad ook dat er altijd nog culturele normen en waarden achter zitten. Je kunt dan misschien wel alle talen spreken, maar begrijp je dan ook wat je zegt met alle geladenheid van de cultuur zelf in zich?”
      Zou het niet zo zijn dat het niet alleen gaat om de taal goed te kunnen spreken om te begrijpen wat er bedoeld wordt, maar dat het ook andersom werkt? Daarmee bedoel ik dat juist in de dialoog het belangrijk is dat wij (als Westerse wereld) door kennis van een cultuur in gesprek kunnen gaan door ons in te leven in die cultuur?
      Onderstaand voorbeeld van een interview over ontologie, ethiek en politiek met de filosofe Judith Butler waarin Spivak wordt aangehaald als het onderwerp vertalen aan bod komt, geeft misschien het beste aan wat ik bedoel:

      Judith Butler : “Spivak laat me een manier zien hoe je de ethische praktijk
      van vertalen kunt begrijpen. Dit gebeurt bijvoorbeeld wanneer Amerikanen naar een
      Latijns-Amerikaans land gaan en daar contraceptie of aids-preventie proberen aan te
      bieden: ze komen dan allemaal vrouwen tegen die de westerse, contraceptie-aan-de-
      vrouw-brengende Noord-Amerikanen mijden als de pest. En allemaal mannen die
      zich niet willen, laten kennen als homoseksueel. Je moet dus een taal en een idioom
      vinden en praktijken leren die je in staat stellen om contact te maken. Heel vaak komt
      het neer op het opgeven van je ideologisch meest sacrosancte noties. Je komt niet
      binnen met je keurig gearticuleerde identiteitspolitiek. Je moet de wil hebben
      om te geven en mee te buigen en uit te vinden op welke plek, in welke situatie contact gemaakt
      kan worden, je moet altijd iets opgeven om die plek te bereiken.”
      Bron: http://www.google.nl/search?q=judith+butler+literatuur+en+cultuur&hl=nl&lr=lang_nl&rls=com.microsoft:en-US&tbs=lr:lang_1nl&prmd=o&ei=Sfu6TIyZLI7tOfbO7ZYN&start=20&sa=N
      Het klopt dat dit voorbeeld niet laat zien dat hierdoor minder gewapende conflicten zullen zijn, maar meer begrip wel volgens mij.

    • Avatar of Rowan

      Rowan 9:48 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hee Gerda!

      Ik begrijp wat je bedoelt. Het is inderdaad denk ik een wisselwerking. Ik bedoelde ook dat je kennis moet hebben van de cultuur om een taal te spreken. Om een taal je eigen te maken moet je je inleven in de sociale waarden en normen van het land. Misschien kwam dat in mijn reacties niet duidelijk genoeg naar voren.

      Bedankt voor het voorbeeld van Judith Butler, erg interessant om in te zien dat je mensen binnen ‘andere’ cultuur kan proberen aan te spreken, door middel van het meebuigen van je eigen normen en waarden. Je plaatsvinden binnen een andere cultuur om een andere cultuur te begrijpen. Het kan zeker het begrip en het respect vergroten, maar zal inderdaad zeker niet de conflicten oplossen.

    • Avatar of myrthe

      myrthe 1:14 pm on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Je stelt: “Volgens Spivak is vertalen dé manier om inzicht te krijgen in de verbanden tussen taal en cultuur. Volgens haar is niet zozeer de vertaling, maar het proces van vertalen belangrijk. De student leert op deze manier zowel over zijn eigen taal, als de taal die hij vertaalt. Daarvoor is natuurlijk wel een perfecte beheersing van de vreemde taal vereist.”

      Volgens mij was het Nietzsche die stelde dat het oorspronkelijke ‘idee’van een mens en de poging die hij doet om dit idee in woorden te vatten hem verder van de oorsprong, of de bron leidt. Een prikkel wordt een idee, dit idee wordt een gedachte, een gedachte wordt een beeld, beeld zoekt een bijpassend woord, het woord zoekt een klank of tekens binnen het teken systeem om het te kunnen opschrijven. Een vertaling is in zekere zin juist nog een stap verder, en daarmee ontoegankelijker.

    • Avatar of winonah

      winonah 9:56 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Audrey,
      Ik ben het helemaal met jouw stelling eens dat het tegenstrijdig is dat het volgens Spivak juist om het proces van vertalen gaat, maar het niet noodzakelijk is om zoveel vreemde talen te beheersen. Maar wat de “gewapende conflicten” betreft had ik het idee dat Spivak zelf ook zag dat dit niet te verkomen was maar dat ook hier juist het proces zo belangrijk was voor haar.

  • Avatar of yvonne

    yvonne 10:53 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: Spivak   

    Ni Hao ms. Spivak! 

    Essay 2

    Ni Hao ms. Spivak!

    Er ligt iets op mijn maag sinds het college Literatuur en Wetenschap van afgelopen maandag. Ik noem het vooralsnog ‘Spivak volgt Chinese les’ en het geeft me een soortgelijk gevoel als wanneer ik Nicole ‘Ein bisschen Frieden’ in verschillende talen hoor zingen. Ik probeer erachter te komen wat het is dat zich niet met mij verzoent. Is het de notie van de vertaler die als bruggenbouwer zou functioneren door een andere taal perfect te beheersen? De idee dat een literatuurwetenschapper de wereldvrede (alhoewel nooit helemaal bereikbaar) dichterbij brengt? Is het misschien te vatten in het woord ‘arrogantie’ of misschien ‘naïviteit’? Hoe dan ook; ik heb er een nare smaak van in mijn mond gekregen.

    Die smaak heb ik geprobeerd weg te spoelen door te gaan lezen over het verband tussen literatuur en ethiek. Ik kwam bij Richard Rorty’s ‘Contingentie, Ironie en Solidariteit uit’. In de inleiding van het boek vat filosoof Ger Groot de rode draad ervan samen. Rorty onderscheidt twee sferen waarin wij leven. De eerste bestaat uit de persoonlijke levenssfeer, waarin een mens zich door zijn privé-interesses kan richten op de vorming van zichzelf. De tweede wordt gevormd door de publieke sfeer, waarin diezelfde mens zich kan richten op zijn verantwoordelijkheid voor het samenleven met anderen. Beide sferen beantwoorden aan andere waarden en wetten, die door Rorty ‘vocabulaire’ worden genoemd. Deze vocabulaire is noodzakelijkerwijs contingent: historisch gevormd, veranderd door de tijd heen en zij zal ook weer veranderen. We zitten altijd in een vocabulaire. Er is geen vaststaande werkelijkheid; deze wordt bepaalt door het vocabulaire waarin we ons bevinden. Beide sferen zijn niet anders dan een verschillende wijze waarmee een werkelijkheid beschreven wordt (die met die beschrijving pas haar logica en samenhang krijgt). Er is geen noodzaak de twee sferen tot een gemeenschappelijke grond te herleiden (19). Er zijn boeken die ons helpen autonoom te worden (privésfeer) en er zijn boeken die ons helpen minder wreed te worden (solidariteit in de publieke sfeer). Deze laatste kunnen rapporten over misstanden zijn, maar ook romans (217).

    Verandering in het morele bewustzijn komt volgens Rorty op een andere manier dan argumentatie tot stand, namelijk doordat een zelfde situatie op een andere manier beschreven wordt (21). Rorty voert zelf als voorbeeld De negerhut van oom Tom aan. De lezers van het boek breidden door middel van het mechanisme van gelijkenis en herkenning de kring van wie tot ‘de onzen’ behoort uit en daarmee hun gevoel van solidariteit.

    Als er iets is wat het college Literatuur en Wetenschap bij mij heeft veroorzaakt, is het een nadrukkelijker reflecteren over de vraag waarom ik aan deze studie begonnen ben, wat het betekent om deel uit te maken van een universitair systeem en wat ik eigenlijk aan het doen ben. Met de ultra-korte uiteenzetting van Rorty in de hand, kan ik zeggen dat ik niet aan Literatuurwetenschap ben begonnen om meer begrip te krijgen voor anderen of in de hoop de wereld te verbeteren. Voor mijn studie heb ik me jarenlang als jurist ingezet om juridische geschillen te beslechten. Ik voelde me daar meer bruggenbouwer dan dat ik me nu kan voorstellen ooit door deze studie te worden. Al met al had ik met de start van deze studie kennelijk niet zozeer de publieke sfeer op het oog, maar de verdere vorming van mijzelf in de privésfeer. Ik kom niet naar de UvA voor de wereldvrede, ik herken mij vooralsnog niet in het geschetste beeld.
    Daarnaast heb ik moeite met de idee, dat wanneer we allemaal de ander als één van onszelf beschouwen c.q. meer begrip hebben voor de ander, de wereldvrede een stuk dichterbij is. Aristoteles boog zich al over de vraag hoe het toch kon dat wanneer je weet wat het goede is, het toch zo kan zijn dat je er niet naar handelt. Arnon Grunberg zegt in zijn meest recente interview met de Volkskrant: ‘Er zit gewoon een gewelddadige kant in mensen. Dat kan me wel boos maken: irreële verwachtingen van een betere wereld. Die kun je alleen hebben als je nooit serieus naar jezelf hebt gekeken.’
    Een laatste – maar niet minder – punt is het volgende: daar waar Spivak doelt op de verantwoordelijkheid van vertalers om tot een zo goed mogelijke vertaling te komen zodat er meer begrip en openheid ontstaat, bestaat een discrepantie met de ondoordringbaarheid van haar eigen teksten. Tijdens het college werd gesteld dat ze daar prat op gaat, dat er in vertalingen nu ook eenmaal onvertaalbaarheden bestaan, en dat het de bedoeling is om over haar zinnen te struikelen. In de frictie kom je naar begrip toe. Prachtig allemaal, maar opzettelijk ‘Chinees spreken’ , dat kunstje van Spivak heb ik nu wel gezien. Is haar vocabulaire nu ‘friendship to come’?

    Tot hier mijn poging onder woorden te brengen wat er op mijn maag ligt. Iedere andere vertaling van Spivak is welkom.

    Bronnen:

    - Rorty, Richard. Contingentie, Ironie en Solidariteit. Kampen: Uitgeverij Ten Have, 2007.

    - Spivak, Gayatri Chakravorty. ‘Crossing Borders’. Death of a Discipline, America:
    Columbia University Press, 2003.

    - Volkskrant magazine, jaargang 11, nummer 524. Interview Arnon Grunberg. Amsterdam: de Volkskrant, 2010.

     
    • Avatar of simonevs

      simonevs 8:56 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Helaas, ik kan je geen andere vertaling van Spivak bieden; ook ik schaar mij onder de Grunberg-discipelen, die geweld en nihilisme omarmen (vereren zelfs?).

      Een mooi citaat uit jouw stuk vond ik echter de volgende:
      ” Voor mijn studie heb ik me jarenlang als jurist ingezet om juridische geschillen te beslechten. Ik voelde me daar meer bruggenbouwer dan dat ik me nu kan voorstellen ooit door deze studie te worden.”

      Je geeft een persoonlijke verantwoording om literatuurwetenschap te studeren. Nu zou ik zo graag een algemene horen!
      Jouw verantwoording is immers zeer selectief (wel gerechtvaardigd hoor, daar niet van); de rest van ons literatuurwetenschappers hebben zich nooit ingezet voor het mensenrecht. Kunnen wij dan niet legitimeren dat we literatuurwetenschap studeren?

      Laten we Grunberg volgen in zijn antwoord op de vraag waarom zijn werk zó belangrijk is:
      ‘Omdat het alles is wat ik heb.’ ‘[omdat je meer moet zijn dan] alleen maar een klootzak in het leven van een ander’ en ‘mijn werk is een kind dat ik moet beschermen’.

      Waren we allemaal maar zo overtuigd van ons vak, dan hoefden we ons vast niet voortdurend te verantwoorden!

    • Avatar of yvonne

      yvonne 3:37 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Grunberg-discipel,

      Je schrijft dat je zo graag een algemene verantwoording zou horen om literatuurwetenschap te studeren. Ik kan je slechts de mijne geven. Die ‘verdere vorming van mijzelf’ klinkt misschien particulier, maar ik vraag mij af of zij niet voor meerdere LWS-studenten opgaat. Wie van ons heeft een duidelijk vooropgezet algemeen doel wanneer hij/zij aan deze studie begint? Wie kan überhaupt op dat punt overzien wat de studie inhoudt en waartoe die je uiteindelijk zal voeren? Ik ben benieuwd naar jouw beweegredenen toen en hoe je er nu tegenaan kijkt. Dat ik me nu niet als bruggenbouwer zie, wil niet zeggen dat ik het niet ben of ooit zal worden. Ik weet het niet, ik zoek. Wat ik wel weet is dat ik met deze studie doe waar ik mee bezig wil zijn, maar waar dat uiteindelijk toe leidt….?

      Misschien is het algemene niet anders dan een optelsom van alle particulieren en zit daarin juist onze kracht. Als je kijkt naar de tekst van Spivak die we bestudeerd hebben, zie je dat ze een algemene uitleg geeft die zo herleid kan worden naar haar persoonlijk leven en werk, als van oorsprong ‘niet-Westers’ intellectueel en vertaler. Zo gaat het mij met meer teksten van literatuurwetenschappers. Wat zit er in jou, in mij, in alle anderen die dit college volgen dat maakt dat we onze eigen visie op literatuurwetenschap vormen en daarin onze eigen richting vinden/ontwerpen? Zie jij een duidelijke link tussen wie je bent en welke onderdelen jou in de studie aanspreken?

      Terugkijkend op het stukje denk ik dat Spivak gelijk heeft wanneer ze stelt dat frictie tot meer begrip kan leiden. Haar stuk wekte bij mij irritatie (vorm van geweld?) op, waardoor ik werd aangezet op onderzoek uit te gaan, meer begrip te krijgen. Het gaat om dat proces. Zouden we allemaal met haar algemene beeld instemmen, dan gebeurt er niet iets, wel?

      • Avatar of Gerda

        Gerda 4:59 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Beste Yvonne,
        In jouw algemene verantwoording om LSW te studeren kan ik mij vinden. Maar ik wil vooral reageren op jouw mening over Spivak in het laatste deel van jouw essay. Dit is tevens ongeveer dezelfde reactie die ik elders op deze site al heb gegeven:
        Zou het niet zo zijn dat het niet alleen gaat om de taal goed te kunnen spreken om te begrijpen wat er bedoeld wordt, maar dat het ook andersom werkt? Daarmee bedoel ik dat juist in de dialoog het belangrijk is dat wij (als Westerse wereld) door kennis van een cultuur in gesprek kunnen gaan door ons in te leven in die cultuur? In mijn andere reactie heb ik een voorbeeld gegeven waarin Judith Butler verwijst naar Spivak. Spivak geeft in een voorbeeld aan dat wij soms niet letterlijk kunnen vertalen, maar juist “mee moeten buigen” om met een ander in dialoog te komen.
        “Je moet dus een taal en een idioom vinden en praktijken leren die je in staat stellen om contact te maken. [...] Je moet de wil hebben om te geven en mee te buigen en uit te vinden op welke plek, in welke situatie contact gemaakt kan worden, je moet altijd iets opgeven om die plek te bereiken.”
        (Bron : http://www.google.nl/search?q=judith+butler+literatuur+en+cultuur&hl=nl&lr=lang_nl&rls=com.microsoft:en-US&tbs=lr:lang_1nl&prmd=o&ei=Sfu6TIyZLI7tOfbO7ZYN&start=20&sa=N)
        Door de “frictie van onvertaalbaarheid”worden we misschien juist gedwongen om zelf een standpunt in te nemen, rekening houdend met de andere cultuur en daardoor krijgen we weer meer begrip.
        Ik ben het eens met het slotwoord in het hoofdstuk “Literatuur als koloniaal en postkoloniaal discours”:
        “[...] Hierdoor reikt de functie van literatuur en de literatuurkritiek wel verder dan het traditionele domein van de esthetica en de poetica : de betekenis en waarde van beiden is cultuurkritisch. Je zou ook kunnen concluderen dat de literatuurwetenschap eigenlijk ook altijd al vergelijkende cultuurwetenschap is.”
        (uit het boek “Het leven van teksten” door Kiene Brillenburg en Ann Rigney. p. 392)

    • Avatar of yvonne

      yvonne 11:14 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Gerda,

      dank voor de input. Ik kom bij de link op de algemene Google-zoekpagina terecht, maar omdat je parafraseert kunnen we toch verder.
      De quote boven jouw link deed me aan ‘Wahrheit und Methode’ van Gadamer denken. Als je over het boek ‘Wetenschapsfilosofie voor Geesteswetenschappen’ beschikt kun je op de pagina’s 148-151 lezen over zijn opvattingen over het proces van interpretatie; dit is talig en beïnvloed zowel het interpreterende subject als het geïnterpreteerde object. Gadamer spreekt van een dialoog (communiceren en streven naar wederzijds begrip). Het kennisideaal van Gadamers hermeneutiek is wederzijds begrip. Het begrijpen van een taaluiting vindt plaats tegen een impliciete en onbewuste achtergrond van voorstellingen en handelingen die de interpreterende persoon als vanzelfsprekend en natuurlijk ervaart (horizon). Interpreteren leidt tot een versmelting van horizonten. Begrijpen is in zekere zin het opgeven of nuanceren van onze vooronderstellingen.

      Ik denk dat we hiermee jouw deelcitaat ‘je moet altijd iets opgeven om die plek te bereiken’ al geformuleerd zien door Gadamer in diens werk uit 1960. Kun jij je daarin vinden of zie jij het anders? Als je Gadamer volgt denk ik dat voor ‘begrijpen’ de idee van meebuigen niet ver genoeg gaat. Je verandert door de dialoog, bij meebuigen veer je uiteindelijk weer terug naar je beginstaat.

      Ik vraag mij af waarom door Spivak een extra barriere opgeworpen dient te worden in haar verhaal over wederzijds begrip als ideaal. Bestaat er niet al frictie genoeg an sich?

      Als je het kwijt wilt hoor ik ook graag van jou iets over de beweegredenen van je studiekeuze in relatie tot de tekst van Spivak of indeling van Rorty.

      • Avatar of Gerda

        Gerda 8:34 pm on October 23, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hoi Yvonne,
        Bedankt voor je reactie. Excuus voor de foute link (slordig) hierbij de goede link:
        http://www.krisis.eu/content/2003-1/2003-1-08-butler.pdf
        Wat betreft jouw opmerking dat meebuigen niet ver genoeg gaat. Dat begrijp ik. De zin daarna is immers: “je moet altijd iets opgeven om die plek te bereiken”, hieruit volgt denk ik dat je juist niet terugveert.
        Het boek Wetenschapsfilosofie voor Geesteswetenschappen’ heb ik niet, maar in ‘Het leven van teksten ” in het hoofdstuk Betekenis en interpretatie (interpretatie als dialoog, p. 272-275) wordt hij ook aangehaald. Als ik je goed begrijp staan we beiden achter het volgende citaat uit dit hoofdstuk: “een interpreet kan nooit aan de eigen horizon ontsnappen, maar dit betekent niet dat zij blind hoeft te zijn voor een visie die niet binnen de eigen horizon past. Het is daarom mogelijk de grens van zo’n horizon te verschuiven.”[...] “De interpreet moet zichzelf echter blijven realiseren dat het slechts om een ‘verschuiving van’en niet om een ‘ontstijging aan’ de eigen horizon gaat” (p. 275). Ik zie verschuiven in dit geval ongeveer het zelfde als “meebuigen”.

    • Avatar of myrthe

      myrthe 1:43 pm on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Tot welk niveau kan een literatuurwetenschapper meebuigen? De basis ligt hoe dan ook vast in de theorieen die we hebben bestudeert, de opvoeding die we hebben genoten en de samenleving waarin we geboren zijn. Het artikel van Spivak doet mij ook afvragen in hoeverre we ook maar ‘iets’kunnen melden of betogen over de cultuur van een ‘ander’. Volgens mij benadrukt Spivak de fricties die er heersen tussen de verschillende culturen.Een concrete oplossing is misschien niet mogelijk of haalbaar voor een literatuurwetenschapper. Mogelijkerwijs is deze onoverbrugbaarheid iets wat geaccepteerd moet worden om te voorkomen dat er een grotere kloof ontstaat.

    • Avatar of yvonne

      yvonne 12:40 pm on October 23, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Myrthe,

      Terecht noem je de theorieën die we hebben bestudeerd, de opvoeding die we hebben genoten en de samenleving waarin we geboren zijn. Zij vormen de (verborgen) achtergrond of context van onze uitgangspunten en veronderstellingen, oftewel onze horizon. Vanaf daar vertrekken we, we zijn historisch bepaald. Maar het ligt m.i. niet vast, juist niet. Door te interpreteren schuift onze horizon steeds een stukje op. Misschien komt dit overeen met wat jij ‘onoverbrugbaar’ noemt? De horizon zullen we nooit bereiken, maar als literatuurwetenschappers zetten we toch steeds die stap er naartoe en dat verandert ons uitgangspunt weer.

      Kun je uitleggen waarom je denkt dat we misschien niets kunnen betogen over culturen van een ander. Kunnen we alleen spreken over onze eigen cultuur?

    • Avatar of jwhiah

      jwhiah 1:39 pm on October 24, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Volgens mij weet je alleen wat je eigen cultuur is als je in aanmerking komt met de andere cultuur? Dus in wezen wordt daaruit gedefinieerd wat ‘wij’ en ‘zij’ is lijkt mij… Dus je zult dan ook de andere cultuur kunnen verkennen doordat je steeds reflecteert tussen beide culturen? Juist deze reflectie maakt het voor mij niet on-overbrugbaar….

    • Avatar of yvonne

      yvonne 1:43 am on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Gerda,

      Vanavond had ik eindelijk tijd het stuk van Butler te lezen, dank je voor de link!
      Ik denk dat we allebei wel zo ongeveer rond hetzelfde concept draaien, het verschil zit ‘m met name in het label. “You say potatoe, I say potatoe” you say ‘buigen’, I say ‘horizon’. Het gaat er bij ons allebei om dat je iets loslaat en iets nieuws/anders bereikt, als ik het zo mag samenvatten. Buigen heeft voor mij te veel diverse connotaties, zowel positieve als negatieve (buigen bij begroeting/buigen voor de onderdrukker/kunnen knakken) dus zou ik het niet zo snel gebruiken. Het grappige is dat we hierbij precies bij het probleem van vertalen zijn aanbeland. Hoe vertalen we ‘vertalen’. Wat is het precieze woord? Is een precies woord wel mogelijk/nodig? Is vertalen in de geest van de tekst ook afdoende?

      Wat ik erg interessant vind aan dit artikel is de opmerking die Butler precies na jouw citaat maakt. Dat de genoemde notie van vertaling haar hoopvollere kant is. ‘Maar vermoedelijk onderschat deze notie of praktijk het geweld en de conflicten die met het vertalen gepaard gaan. De volgende versie van de notie van vertaling zal dat in zich op moeten nemen (93)” Kijk, hier ga ik rechtop zitten en denk ik aan die nare smaak van het begin van mijn essay. Er wordt iets weggelaten en dat stoort – mij in ieder geval.

    • Avatar of yvonne

      yvonne 2:39 am on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      ( p.s. voor wie het niet mocht kennen: de verwijzing naar ‘potatoe-potatoe’ komt van:
      http://www.youtube.com/watch?v=eoUSrtw6gJs )

  • Avatar of sverest

    sverest 10:43 pm on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , rede, Spivak   

    Het afzweren van de demagogie 

    Kant constateert in The Conflict of the Faculties dat de universiteit ingedeeld is in drie ‘hogere’ faculteiten en één ‘lagere’ faculteit. In de hogere faculteiten wordt het belang van de staat gediend: ze staan onder het bestuur van de staat en moeten zodoende ook verantwoording afleggen tegenover de staat; er is totaal geen vrijheid van kritisch denken. Hieronder staat de lagere faculteit: die van de filosofie. Deze is vrij, heeft zijn eigen autoriteit en kent de mogelijkheid van het uiten van kritiek: ‘One in which reason is authoirzed to speak out publicly’. (Kant: 28)
    En juist dit publiekelijk spreken, waaronder natuurlijk ook kritiek moet worden verstaan, acht Kant van essentieel belang voor de mensheid en de staat. Het is belangrijk dat de staat beoordeeld mag worden, omdat dit voor redelijkheid zorgt. En de staat is erbij gebaat redelijk te zijn, omdat dit – in de geest van het Verlichtingsideaal – voor vooruitgang zorgt. Kortom: Kant ziet een belangrijke rol voor de rede weggelegd en betoogt dat de indeling in hogere en lagere faculteiten dan eigenlijk ook omgedraaid zou moeten worden, zodat de filosofie de hoogste rang bezit en de rede het belangrijkste goed wordt.
    De rede houdt onvermijdelijk volledige vrijheid in. Vrijheid de rede te gebruiken en niet klakkeloos na te volgen en dus de vrijheid een kritische houding aan te nemen en deze te uiten. Het gebruik van de rede en de daaruit voortvloeiende vrijheid voorkomt demagogie, omdat intellectuelen dan de mogelijkheid bezitten het volk te informeren of zelfs te waarschuwen over zaken die naar hun idee niet redelijk verlopen.

    Theoretisch klinkt dit allemaal mooi in de oren, maar werkt het allemaal zo mooi in de praktijk? Het Duitse, en daarmee ook Nederlandse, universiteitsmodel zijn gebaseerd op het ideaal van Kant om de ‘hogere’ faculteiten en de ‘lage’ faculteit om te draaien, waardoor filosofie ‘boven’ theologie, geneeskunde en rechten komt te staan. Wat heeft deze wisseling van de wacht ons gebracht?

    Niets. Althans niet hetgeen Kant voor ogen stond. Een kleine drie eeuwen later is het begrip ‘vrijheid’ ontmanteld als een machtsmiddel, als een excuus te mogen doen en laten, te mogen zeggen wat je wilt. Geert Wilders is in die zin dan ook een kind van Kants ideaal. Kant dacht dat door redelijkheid en de daarbij behorende vrijheid demagogie werd voorkomen, maar het tegendeel is waar geworden: vrijheid heeft (voor een belangrijk deel) bijgedragen aan de demagogie in de wereld. Het begrip ‘vrijheid’ is te vrij.
    Geert Wilders stelt zich op als een kritische denker, iemand die niet zomaar aanneemt wat de staat hem vertelt of doet geloven en die zijn vrijheid gebruikt om daartegen in te gaan. De manier van presentatie geeft hem het beeld van iemand die zijn redelijkheid gebruikt om het volk te beschermen tegen demagogie: de kritische opstelling en de vrijheid nemen kritiek te leveren op het doen en laten van de staat is in wezen precies zoals Kant het voor ogen zag. Wilders laat zien dat Kants ideaal voortreffelijk werkt in de praktijk en tot hier is daar ook niets mis mee. Het probleem is alleen de bijwerking die de vrijheid van de rede met zich meebrengt. De vrijheid gaan zelf als een machtsmiddel dienen; het legt een waarheid op.
    Door de opkomst van de Verlichting werd het geloof in de rede steeds groter. Ik zeg hier bewust ‘geloof’, omdat de Verlichting eigenlijk precies hetzelfde deed als de instituties waarop het een reactie vormde. Waar de dogmatische geloofsleer van het Christendom werd bekritiseerd, had de Verlichting zelf een naar het dogma neigend geloof in de rede. De rede werd precies hetzelfde als waar het zich tegen had proberen af te zetten: een geloof. En dit is precies het probleem van de rede: het gelooft ontzettend in zichzelf.
    Als Wilders zijn rede gebruikt en daardoor de vrijheid neemt kritiek te leveren op de staat, dan is daar zoals gezegd niets mis mee. Het feit dat Wilders kritiek uit houdt echter in dat hij ook een standpunt bezit. Dit standpunt is een product van de rede en wordt daardoor, alleen al door deze status, als waarheid verkondigd. Het geloof in de rede is zo groot dat elke kritiek op deze ‘waarheid’ als een bedreiging wordt gezien, als een poging om de vrijheid van de rede in te perken. Elke kritiek op het standpunt, dat nota bene voortkomt uit kritiek, wordt gezien als een jaloerse daad, als een poging van een naar macht hunkerend individu. De waarheid voortkomend uit de vrijheid kritisch te denken wordt opgelegd als dé waarheid en dient daardoor als een machtsmiddel. Het is niets minder dan de eis deze waarheid na te volgen. De vrijheid met zijn kritische denken leidt dus tot niets minder dan demagogie.

    Een omkering van de ‘hoge’ faculteiten met de ‘lage’ faculteit heeft dus geen zin. Niet tenminste als je de demagogie wilt af(z)weren. Maar is er dan misschien een andere oplossing? Ik denk het wel.
    Zowel het Franse universiteitsmodel als Kants reactie daarop gaan uit van hiërarchie tussen de ‘hoge’ faculteiten en de ‘lage’ faculteiten. Daar ligt volgens mij de kern van dit probleem, want hiërarchie creëert per definitie al machtstructuren. Mijn inziens weerhouden de disciplines bij de ideale vormgeving van de universiteit zich dan ook gelijkwaardig tot elkaar en is daarbij uitwisseling tussen de verschillende disciplines eerder regel dan uitzondering. Ik denk dat dan het ideale milieu is gekweekt om de rede tot zijn recht te laten komen.
    In dit verband is het interessant Spivak erbij te betrekken. Zij betoogt dat de disciplines van de vergelijkende literatuurwetenschap en de zogenoemde Area Studies de handen ineen moeten slaan om tot een beter begrip van buitenlandse literatuur te komen. De cultuur van een gebied is namelijk van essentieel belang om de literatuur daaruit afkomstig te kunnen begrijpen. De grens tussen de twee disciplines moet dus worden weggenomen om tot een beter begrip van buitenlandse literatuur te komen. Als dit opschorten van de grenzen op de hele universiteit wordt toegepast en disciplines elkaars kennis kunnen uitwisselen of gebruiken, dan wordt een ideale omgeving gekweekt voor de rede en komt deze het beste tot zijn recht. De verdwenen hiërarchie zorgt er bovendien voor dat de rede (of een andere instantie) niet meer de macht heeft om mensen een waarheid op te leggen. En dat zou weleens het einde van demagogie kunnen betekenen!

    Bronnen:
    Kant, I. The Conflict of the Faculties
    Spivak, G.C. Death of a Discipline

     
    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 6:39 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

      sverest,

      volgens mij vergeet je een van de meest essentiële aspecten van Kant’s opvatting; hij zegt namelijk dat Iedereen kritisch zou moeten denken – en kritisch nadenken is het tegenovergestelde van gemanipuleerd worden. Wanneer Wilders daadwerkelijk een kind van Kant’s ideaal zou zijn, zou hij willen dat er ook over zijn uitspraken kritisch werd nagedacht – maar dat is niet wat Wilders wil. Je zegt zelf al dat Wilders ‘zich opstelt als’ een kritisch denker, dat zijn manier van presentatie hem het beeld geeft van iemand die zijn redelijkheid gebruikt om het volk te beschermen tegen demagogie – dit zegt niet dat het zo is, hij doet zich inderdaad slechts voor als een kritisch denker.

      “De vrijheid met zijn kritische denken leidt dus tot niets minder dan demagogie.” De vrijheid van kritisch denken in open debat gaat juist manipulatie tegen, doordat er kritisch wordt nagedacht, en niet klakkeloos wordt aangenomen – zoals dit gebeurd wanneer mensen Wilders volgen, zonder hier zelf kritische vraagtekens bij te zetten. Kant zegt dat in een publiek debat juist alles zou moeten bekritiseerd worden, wat de manipulatie voorkomt.

      Het volgende; “want hiërarchie creëert per definitie al machtsstructuren”, het werkt juist andersom. De machtsstructuren creëren de hiërarchie. Er kan nooit zoiets als complete gelijkwaardigheid tussen de disciplines bestaan, aangezien er altijd sprake is van een machtsconflict. Dit heeft als reden dat wat in één discours als waarheid geldt, in de ander niet als waarheid hoeft te gelden. Hierdoor zullen de verschillende disciplines altijd in een verhouding van conflict zitten en daardoor zal er altijd een hiërarchie aanwezig zijn.

      • Avatar of sverest

        sverest 11:47 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Oké, ik heb me wat ongelukkig uitgedrukt toen ik zei dat Wilders ‘een kind van Kant’s ideaal is’. Wat ik ermee bedoel te zeggen is dat het gevolg van Kant’s ideaal, waarin de ‘hogere’ faculteiten en de ‘lage’ faculteit met elkaar omwisselen, niet het gewenste effect hebben behaald, maar juist het tegenovergestelde. Want inderdaad vindt Kant dat iedereen kritisch zou moeten denken, maar het bovenaan plaatsen van ‘filosofie’ met zijn rede zorgt hier juist niet voor.
        Dat tweede wat je aankaart in je eerste alinea – dat ik zeg dat Wilders ‘zich opstelt als’ bedoel ik ook op de manier zoals jij dat aankaart – dat hij zich slecht voordoet als kritische denker. Ik zeg niet voor niets: ‘de presentatie geeft hem het beeld’; kortom: de beeldvorming zorgt ervoor dat Wilders als kritische denker wordt neergezet. Ik prik daar doorheen; jij prikt daar doorheen; gelukkig prikken daar nog redelijk wat (- 1,5 miljoen) mensen daar doorheen, maar dat doet niets af aan het feit dat het beeld wel bij redelijk wat mensen aanwezig is, van Wilders als een kritische denker die dingen durft uit te spreken.

        Wat je in je tweede alinea aanstipt bedoel ik anders. De vrijheid van kritisch denken heeft ervoor gezorgd dat bij Wilders en aanhangers een geloof is ontstaan in deze vrijheid. Dat wat door Wilders middels deze vrijheid wordt gezegd, lijkt soms voor waar aangenomen te worden, puur omdat het via de vrijheid van kritisch denken is uitgesproken. Kijk maar eens de reacties na op de site van het rechtse ‘De Telegraaf’ op een nieuwsbericht waarin kritiek of bezwaren worden geuit op Wilders. De reacties zijn lachwekkend, maar ook bijna angstaanjagend. De kritieken van de ‘linkse hobbyisten’ worden door bezoekers verworpen met argumenten als “Ze zijn bang, omdat iemand eens de waarheid durft te spreken”, waarna uitspraken als de ‘vrijheid van meningsuiting’ en ‘we leven in een vrij land’ dit moeten onderstrepen. Nu kunnen uit dit soort reacties niet teveel conclusies worden getrokken, maar als 1,5 miljoen Nederlands hun stem hebben uitgebracht op een (naar mijn mening!) fascistische, one-issue partij dan lijken vrij veel mensen te geloven in Wilders’ opvattingen. Of eigenlijk opvatting. Ze hebben dit als waarheid gezien. Er is eindelijk iemand opgestaan die de waarheid durft bloot te leggen…

        Wat je derde alinea betreft: klopt, heb me verkeerd uitgedrukt. Ik bedoel namelijk het volgende: “want hiërarchie houdt per definitie al machtsstructuren in”. Maar dat er altijd een hiërarchie aanwezig zal zijn, vind ik wat te kort door de bocht. Complete gelijkwaardigheid tussen disciplines is het ideaal en ik ben me er bewust van dat het een (zo goed als) onmogelijk streven is. Maar het ideaal moet de motor zijn achter de inrichting van de institutie. Naar een zo groot mogelijke gelijkwaardigheid streven dus. En dat niet gehaald zal worden is misschien waar, maar daarvoor is het immers een ideaal. Het belangrijkste is, is dat uitwisseling tussen disciplines wordt bevorderd en beter wordt mogelijk gemaakt: dat de grenzen daartussen vervagen. Dit betekent niet dat je daardoor een machtsconflict creëert: je mag over de grens van je eigen discipline heen kijken, maar het hoeft uiteraard niet! Het is puur bedoeld datgene uit andere disciplines te gebruiken wat van hulp kan zijn bij het uitoefenen van de eigen discipline, en dus ook datgene niet te gebruiken dat niet helpt.

    • Avatar of thomashvv

      thomashvv 10:40 pm on October 17, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Sverest, bedankt voor je essay, alleen vind ik dat je de casus van Wilders een stuk te exemplarisch afschetst voor je conclusie: “De vrijheid met zijn kritische denken leidt dus tot niets minder dan demagogie.” Wilders is juist een uitzonderlijk, uniek geval, dus zoiets stelligs kan je mijns inziens niet beweren. Maar ook als je had geschreven: “De vrijheid met zijn kritische denken kan tot niets minder dan demagogie leiden”, had ik daar mijn ernstige vraagtekens bij gezet. Want kritische denken is toch het enige waar demagogie mee voorkomen kan worden? Hoe zie jij dat dan voor je? Je conclusie over gelijke macht tussen alle disciplines klinkt weliswaar handig, maar ook, zoals Britte al opmerkt, utopisch: vanwege de onderlinge, soms conflicterende verhoudingen tussen verschillende disciplines kunnen die nooit volledig gelijkwaardig gezien worden. Dus hoe stel je het je dan voor? Mij lijkt kritisch denken de enige oplossing; daardoor volg je immers niet blind wat je krijgt voorgespiegeld, maar creëer je je eigen waarheid. Wilders deed dat ook, alleen houdt hij nu zo steevast vast aan die kritische ideeën die hij jaren geleden heeft bedacht, dat het kritische denken zelf er inmiddels niet meer in zit. Er is alleen nog het restant daarvan, het residu. Dáármee bedrijft hij zijn demagogie. Met kritisch denken heeft dat allang niets meer mee te maken. En het lijkt me evident dat de mensen die hem als demagoog blindelings volgen, ook niet bepaald kritisch denken.

      Ten slotte wil ik ook nog op een ander punt van je essay reageren; je schrijft: “Waar de dogmatische geloofsleer van het Christendom werd bekritiseerd, had de Verlichting zelf een naar het dogma neigend geloof in de rede. De rede werd precies hetzelfde als waar het zich tegen had proberen af te zetten: een geloof.” Je schrijft het op alsof het een zwakte is van de Verlichting, en dat is misschien in zekere zin ook wel zo, maar ik denk dat het eveneens onoverkomelijk is dat dergelijke stromingen, grondgedachten of hoe je het ook wilt noemen vanzelf uitmonden in een geloof. Dat kan ook gezegd worden van het Marxisme, het nationalisme, integratie – en ga zo maar verder; uiteindelijk wordt het voor de voorstanders altijd tot op zekere hoogte een geloof.

      • Avatar of sverest

        sverest 11:28 am on October 23, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ja, kritisch denken is in principe juist het middel dat demagogie kan voorkomen en dat ideaal draagt Kant ook uit. In feiten is dat ook zo, maar ik heb in mijn essay proberen te schetsen dat juist door het model zoals dat nu het geval is, het tegendeel bewerkstelligd wordt. De vrijheid van het kritisch denken is op zo’n hoog voetstuk geplaatst dat het resultaat van deze vrijheid, de kritiek, als een soort absolute waarheid gezien wordt – iets dat uit de vrijheid van kritisch denken voortkomt, lijkt al op zich de status van waarheid te bezitten.
        Zoals ik al gereageerd heb bij Britte, zie ik de gelijke macht van alle disciplines zeker niet als een utopie. Weliswaar zal het misschien nooit helemaal bereikt worden, maar we kunnen ver komen. Als alle disciplines een gelijke macht hebben, kan je door kritisch denken dat opnemen uit de andere disciplines dat van pas kan komen bij de uitoefening in je eigen vakgebied, maar ook juist datgene niet opnemen dat niet van pas komt.
        Het laatste stuk van je eerste alinea is eigenlijk precies datgene wat ik in dit essay wil zeggen, alleen onze conclusie is anders. Wilders heeft door kritisch denken zijn eigen waarheid gecreëerd en is gaan geloven in die waarheid. Of in zijn ideeën nog een restant van het kritisch denken zit of niet, is niet zo van belang. Maar dat het kritische denken tot een waarheid heeft geleidt en vervolgens tot een dogmatische houding ten opzichte van die waarheid, is het grote probleem. De vrijheid kritisch te denken is in wezen goed, maar de manier waarop dat nu gebeurt niet. Het kritische denken is op een verhoging geplaatst, en oefent daardoor een bepaalde macht uit. Een macht die ervoor zorgt dat je persoonlijke waarheid uit het kritische denken tot dé waarheid wordt gemaakt.

        In de laatste alinea heb je zeker een punt, maar het is natuurlijk paradoxaal dat een stroming die (terecht) kritisch tegenover een dogmatische geloofsleer staat, zelf een dogmatisch geloof in de rede uit. Ik heb dat zo opgeschreven, omdat daar misschien wel het grote probleem ligt: het geloof in de rede en de waarheid die deze voortbrengt is te groot en leidt daardoor uiteindelijk tot demagogie (heel kort door de bocht, ik weet het, maar ik bedoel in feiten hetzelfde als ik hierboven met het kritisch denken dat tot demagogie leidt).

  • Avatar of brittdebruyn

    brittdebruyn 3:43 am on October 15, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Spivak,   

    Het ‘Wereld’ uit Wereldliteratuur 

    Het is nog geen jaar geleden dat ik me bevond in het collegelokaal waar verschillende docenten en specialisten van her en der naar Amsterdam waren gereisd, om ons literatuurwetenschapleerlingen een kort inzicht te geven van bepaalde, grensoverschrijdende literaire werken. Vaker dan eens begonnen de docenten met een geschiedenisoverzicht van het land waar het desbetreffende boek, of de desbetreffende schrijver van het boek, vandaan kwam. Uiteindelijk keken we naar de verschillen tussen zo’n werk van ’over de grens’ en van ‘binnen onze grens’. Dit bleek vaak neer te komen op onze westerse invalshoek en hoe wij met deze blik het werk bekeken. Het vak dat werd gegeven schuilde zich onder de naam Literaire Werelden, waarin het de bedoeling was te kijken naar de zogenaamde Wereldliteratuur. Inderdaad, dit was de bedoeling, want alleen al de manier waarop we deze zogenaamde Wereldliteratuur behandelde, had meer met de bijbehorende culturen van werken te maken, dan met het literaire werk an sich.

    Dezelfde benadering vinden we terug bij zowel Goethe als Spivak. Zij spreken over de Wereldliteratuur en hoe deze, idealistisch gezien, zou moeten lijden tot begrip van ‘vreemde’ culturen. De Wereldliteratuur staat hiermee in dienst van de cultuur, aangezien het een middel is om deze vreemde culturen beter te leren kennen. Sterker nog, beiden filosofen pleiten niet alleen voor meer begrip van de culturen, er wordt zelfs gepleit dat wanneer we dit begrip tot ons hebben genomen, ons dit tot vrede kan brengen. Correctie; Wereldvrede. Net als bij het eerder aangehaalde vak Literaire Werelden, hebben we het bij Goethe en Spivak niet meer over Wereldliteratuur, maar over Wereldcultuur. De literatuur is immers tot middel gereduceerd en het centrale punt rust op de cultuur.

    Uiteraard, literatuur behoort tot een bepaalde hoedanigheid wel toe aan cultuur. Immers, literatuur is een gedeelte van een cultuur. Zij staat in een bepaalde relatie tot de cultuur waarin zij zich begeeft. In deze relatie bevestigd zij haar cultuur, bekritiseerd zij haar, gebruikt zij haar, weerlegt zij haar, enz. Literatuur is een uitdrukking van de cultuur waaruit zij afkomstig is, zoals bij elke vorm van kunst. We moeten literatuur zien als een doorkijkluik, waardoor je bepaalde delen van de cultuur kan zien. In die zin is literatuur een vorm van uitdrukking van cultuur. Echter, literatuur is meer dan dat, zij drukt ook zelf cultuur uit, zij creëert cultuur, helpt bij het creëren van de cultuur en is zelf onderdeel van die cultuur. Het is hierdoor dat er wel een directe relatie tussen literatuur en cultuur is. Maar, wanneer we literatuur puur als middel zien, ontstaat er daadwerkelijk wel gevaar. De lezer kan namelijk het werk met een bepaalde intentie gaan lezen en interpreteren, waardoor misschien andere aspecten die zich in het werk voordoen over het hoofd worden gezien. Daarnaast speelt er nog een gevaar. Wanneer je bij voorbaat een literair werk als middel tot het begrijpen van een vreemde cultuur ziet, vergeet je dat een literair werk niet perse zijn cultuur weerspiegelt. Een voorbeeld hiervan is het werk van Haruki Murakami. Veel westerlingen halen uit Murakami’s werk allerlei Japanse elementen, terwijl juist zijn Japanse lezers en collega’s vinden dat hij de westerse schrijfstijl tot zich heeft genomen en hem vaak bekritiseren op zijn vele gebruik van Amerikaanse cultuur elementen. Wanneer we dus simpelweg Murakami’s werk zouden lezen om alleen inzicht te krijgen in de Japanse cultuur, zou dit tot verassing kunnen lijden. We krijgen wel inzicht in Murakami’s eigen cultuur – die van zichzelf als individu -, maar niet noodzakelijk die van Japan. Wat ik niet bedoel te zeggen is dat literatuur niet gebruikt kan worden om inzichten te verkrijgen in andere culturen (voor bepaalde onderzoeken is dit juist erg vruchtbaar en verrijkend), maar dat we deze houding niet zouden moeten aannemen binnen de literatuurwetenschap op de universiteit.

    Het zou op de universiteit niet zo moeten zijn dat er een apart vak is waar Wereldliteratuur naar wordt gebonjourd, maar het zou over de gehele opleiding literatuurwetenschap juist verspreid moeten worden. Het kan wel zo zijn dat er bepaalde vreemde werken verschillende methodes vragen om geanalyseerd te worden (hiervoor kan er bepaalde kennis van die cultuur nodig zijn), maar Wereldliteratuur moet op een universiteit zich in dezelfde ruimte begeven als de westerse literatuur. Misschien komt alleen zo het ‘Wereld’ uit Wereldliteratuur wel ooit te vervallen.

     
    • Avatar of thomasvangrol

      thomasvangrol 9:36 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Britt,

      Ik ben het met je eens dat de Wereldliteratuur verspreid moet worden over de hele opleiding. Je zou bijna kunnen zeggen dat door Wereldliteratuur een apart vak te geven, je het al bijna niet meer serieus neemt, omdat je het als iets ‘vreemds’ en ‘anders’ ziet. Je hebt de Westerse literatuur die in de andere vakken overmatig vertegenwoordig wordt en dan ook nog één vakje voor de rest. Daar zit, naar mijn mening, een soort ‘neerkijken op’ in.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 4:49 pm on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste Britt,

      Ik vond het erg leuk om jouw essay te lezen omdat ik zelf het vak Wereldliteratuur nooit heb gevolgd..ik volg een minor literatuurwetenschappen en filmstudies maar ik doe een bachelor geschiedenis. Misschien om deze rede heb ik af en toe moeite met de manier waarop Spivak omgaat met taal en cultuur. Het klinkt allemaal erg mooi wat Spivak (en Goethe) zegt over elkaar begrijpen aan de hand van een dialoog van vertalen, maar is dit niet een beetje ver gezocht ? Ik snap niet hoe dit tot wereldvrede uberhaupt kan leiden. Als men elkaar niet begrijpt in de taal hoeft dat toch niet per definitie te leiden tot totaal onbegrip ? Is het ook niet een beetje megalomanisch om dit te denken ?

      Daarnaast even een opmerking over het vak Wereldliteratuur en het commentaar van thomas. Het zit hoe dan ook in de aard van alle westerse universiteiten om ‘andere’ culturen te verwaarlozen. Ook met geschiedenis (en waarschijnlijk andere studierichtingen) krijg je voornamelijk westerse geschiedenis, geen enkel vak heet ‘de geschiedenis van azie’ of iets in die richting. Er zijn wel enkele vakken waar aandacht wordt besteed aan andere culturen maar dan wordt het meestal vergeleken met de westerse cultuur. Dit is inderdaad een soort ”neerkijken op” en werd door Edward Said ook wel orientalisme genoemd. In zijn boek Orientalism. Western Conceptions of the Orient bespreekt Said een negatieve wijze van schrijven en denken van westerse wetenschappers, schrijvers en intellectuelen over andere ”niet-westerse” culturen.
      Het beeld wat het westen heeft van andere culturen bevestigd alleen maar het beeld wat het westen van zichzelf heeft; superieur zijn.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 7:38 am on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Britt,

      Ik ben het met je eens dat het beter zou zijn als Wereldliteratuur geen apart vak was en de hele studie zich bezig zou houden met literatuur uit verschillende landen. Zelf volg ik de bachelor Media en Cultuur en daarin merk ik ook dat het vooral gaat over de Westerse mediacultuur. En in vergelijking met het vak ‘Wereldliteratuur’ heb ik vorig semester ook een dergelijk vak gevolgd, namelijk ‘World Cinema’.

      Echter, hoewel het lijkt alsof je tegen het betoog van Spivak ingaat, lijkt het mij dat je toch hetzelfde pleit. Spivak vind toch ook dat de hele studie van literatuurwetenschap zich bezig zou moeten houden met literatuur uit verschillende landen? Dat deze studie een voorbeeld zou moeten nemen aan ‘Area Studies’ en literatuur uit verschillende culturen moet herontdekken?

      • Avatar of rebeccadrees

        rebeccadrees 3:27 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Hey Britt (en Audrey) ik ben het ook eens dat Wereldliteratuur als apart vak wat lastig is. Heel de studie … elk studie zou literatuur uit verschillende landen moeten hanteren om een begrip te krijgen van zijn vak van het perspectief van anderen. Toch is dit ook wel weer problematisch omdat het weer dan zou vereisen van de mens dat hij ontzettend veel zou moeten lezen. Ik volg ook Media en Cultuur en hanteer voornamelijk Westerse literatuur. Dit is ook niet zo gek aangezien het literatuur sowieso schaars is het de Media waarover gesproken is voornamelijk ontwikkeld wordt in de Westerse wereld. Het blijft dan de vraag tot in hoeverre we gebruik moeten maken van literatuur over de hele aarde (en of men dit überhaupt kan). Literatuurwetenschappen daarentegen hebben volgens mij wel veel baat bij literatuur over de wereld… je studeert eenmaal natuurlijk literatuur en dit bestaat overal. In alle vakken moet af en toe een stukje tekst ergens anders vandaan komen om verschillende culturen te benaderen en begrijpen en daarmee misschien begrippen nieuwe invullingen te geven. Ach ja laten we gewoon zeggen dat Spivak een beetje gelijk heeft!

    • Avatar of brittdebruyn

      brittdebruyn 5:46 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Beste bovenstaande,

      wat fijn dat jullie mijn mening delen, ik wilde alleen nog een dingetje kwijt, over de opmerking die thomas en liespeeters hebben gemaakt: beiden praten jullie over een beeld van neerkijken van de Westerse cultuur, dat (door lies) ook gekoppeld wordt aan het zich superieur voelen.

      We moeten niet vergeten dat we alleen maar vanuit onze Westerse blik Kunnen kijken, en dit kunnen we ook niet ontsnapppen. Zelfs ons kritiek op het Westers denken, wordt gegeven vanuit een westers standpunt. Zelfs Said die niet hier is geboren, maar zich wel bevindt in dit discours kan het niet helpen, dat zijn kritiek op het westers denken, een vorm van westers denken is. Een voorbeeld hiervan is dat hij totaal de rol van de Oriënt zelf overslaat, in het beeld van de Oriënt. Hij zegt zelfs dat de werkelijkheid van de Orient, geen invloed heeft op het beeld van de Orient. Dit is uitermate Westers denken van o.a. Foucault.

  • Avatar of Anne van der Klift

    Anne van der Klift 10:56 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , , , Spivak, , ,   

    De utopie van Goethe en Spivak 

    Translatie, communicatie, begrip. Met deze volgorde zou de wereld een stuk beter kunnen worden volgens Johann Goethe en Gayatri Spivak. De eerste denkt door middel van Weltliteratur: de beschikbaarheid en het lezen van (vertalingen van) teksten uit andere landen met andere culturen. Spivak door middel van het vertalen zelf en de beheersing van verschillende talen en culturen – comparative literature.

    Waar ik graag mee wil openen is het volgende probleem dat Spivak terecht stelt:
    I have remarked above that borders are easily crossed from metropolitan countries, whereas attempts to enter from the so-called peripheral countries encounter bureaucratic and policed frontiers, altogether more difficult to penetrate. (Spivak 2003: p. 16)

    (More …)

     
    • Avatar of lara

      lara 11:47 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hallo Anne, bedankt voor je essay. Ik lees net op wikipedia dat Esperanto voornamelijk opgemaakt is uit Europese talen. Wel jammer voor die miljarden niet-Europeanen, zij zullen veel meer moeite dan wij hebben om deze taal te leren. Ben benieuwd wat Spivak hiervan vindt!

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 2:22 pm on October 16, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Ja klopt, het lijkt heel veel op het Spaans. Goed dat je het opmerkt, had er zelf nog niet eens aan gedacht. Naast dat ze in Oeganda wel wat beters te doen hebben dan Esperanto leren, zullen ze er ook nog eens onwaarschijnlijk veel moeite mee hebben dat te doen.

        Vraag me, los van het hele wereldvrede debat, af of er een kunsttaal mogelijk is die voor alle culturen gemakkelijk is. Misschien een gebarentaal, zoals Rowan ook in haar essay opmerkt? Daar heb je in ieder geval geen last van letters en klanken die in andere landen niet bestaan en grammaticaverschillen.

        • Avatar of crispiness

          crispiness 2:26 pm on October 18, 2010 Permalink | Log in to Reply

          Echter, aan bepaalde aspecten van zo’n universele gebarentaal kleven dezelfde argumenten als aan die van een universele taal: er zal altijd een groep taalgebruikers benadeeld door worden. Je gaat wellicht voorbij aan het probleem van klankverschil, maar wat voor grammatica ga je gebruiken als basis? De in het Westen gebruikelijke Subject-Verb-Object constructie, of toch de Orientaalsere SOV? Hoeveel ruimte mag je geven aan alle verschillende werkwoordsvormen en modaliteiten die in alle wereldtalen voortkomen, maar toch vaak subtiel verschillen? Neem je een woord als ‘gezelligheid’ op in het vocabulaire, of schrap je het omdat het voor 99% van de wereldbevolking niets zou betekenen?

          Ik denk dat de logistieke aspecten van het vormen van een wereldtaal niet het ideaal van een taal in de weg zou moeten staan. Gelukkig benoem je de filosofische aspecten die het ideaal van een wereldtaal behelsen ook in je essay op een overtuigende wijze. ;-)

    • Avatar of roza

      roza 11:40 am on October 21, 2010 Permalink | Log in to Reply

      hoi anne, je schrijft ‘Het zou fantastisch zijn als iedereen Esperanto leerde en dat we daardoor konden praten met mensen van over de hele wereld.’ dat niet iedereen er toegang tot heeft is inderdaad een kant, maar daarbij hoe wenselijk is esperanto om de cultuur van de ander te leren kennen?Taal en cultuur zijn nauw verbonden. Zoals je zegt is esperanto opgebouwd uit verschillende talen, in lijn met Spivak zou dat betekenen dat het ook verschillende culturen in zich draagt. Ik denk dat een taal juist typerend is voor een cultuur omdat deze cultuur zich tot een taal beperkt, wanneer wij ons enkel kunnnen uiten in Esperanto, zal onze ’cultuur’ niet over gedragen kunnen worden, Bovendien, als onze taal is opgebouwd uit allemaal kleine stukjes, zouden we dan geen eenheidsworst worden?

      • Avatar of Anne van der Klift

        Anne van der Klift 7:21 pm on October 22, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Interessant! Je hebt gelijk: taal is typerend voor onze cultuur, en dat vindt Spivak ook. Maar eenheidsworst zouden we niet worden, want als het aan mij ligt zouden wij onze eigen talen natuurlijk niet opgeven voor het Esperanto! Bovendien heeft het ook zijn charmes om met iemand te communiceren met handen en voeten, maar dat terzijde, want dat is nu juist niet wat Spivak wil.

        In ieder geval, misschien is Esperanto inderdaad niet Spivaks ideaal: om een cultuur te leren kennen, zul je je er helemaal in onder moeten kunnen dompelen en taal hoort daar ook bij! Dus in Spivaks ogen zou het Esperanto waarschijnlijk geen utopie zijn.

    • Avatar of AudreyMussoni

      AudreyMussoni 4:09 pm on November 4, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Ik sluit me aan bij wat door Roza wordt gezegd. Volgens mij is Esperanto juist het tegenovergestelde van wat Spivak zou willen. Zij betoogt juist om een cultuur te leren via de taal. Maar als iedereen dezelfde taal spreekt, is dit dus geen mogelijkheid. Als iedereen dezelfde woorden heeft voor een bepaald object valt er via de taal en het vertalen niks te leren over die cultuur. Spivak zou naar mijn idee veel liever willen dat elke cultuur zijn eigen taal heeft, zodat je via het vertalen van die taal die cultuur kan bestuderen.

    • Avatar of jasperdonkers

      jasperdonkers 6:54 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

      ‘Kortom: als we er in slagen om met iedereen ter wereld te communiceren, door middel van een wereldtaal of het vertalen van elkanders teksten, is de wereld dan echt veel beter? Kan het, zoals Zamenhof hoopte, zelfs oorlogen voorkomen?’

      Ik moet eerlijk zeggen dat dit voor mij een hekel punt blijft en iets waar ik het totaal niet mee eens ben met Goethe en Spivak. Gelukkig zie ik dat ik niet de enige ben die zijn twijfels hierbij heeft. Het grappig vind ik altijd dat op een of andere manier Spivak en Goethe vergeten dat in een land waar dezelfde taal wordt gesproken evengoed nog altijd bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar staan. Als de ééntaligheid op micro-niveau niet werkt, waarom zou het dan in godsnaam wel op macro niveau werken. Misschien heeft het juist wel nadelen als we elkaar allemaal zo goed begrijpen. Misschien zal het dan alleen maar duidelijker worden waarom we het niet met elkaar eens zijn.

  • Avatar of marleen

    marleen 2:53 pm on October 14, 2010 Permalink | Log in to leave a Comment
    Tags: , Spivak   

    De Macht van Taal 

    Wanneer je in het van Dale woordenboek het woord discipline opzoekt, worden er twee betekenissen gegeven. De eerste betekenis van ‘discipline’ is ‘een regime van strenge gedragsregels; tucht’, de tweede betekenis is ‘ studierichting, wetenschap’. Nu zal je op het eerste gezicht wellicht zeggen dat dit twee geheel verschillende betekenissen zijn en verbaasd zijn over de zo verschillende connotaties met het woord discipline. Maar als we de beide betekenissen nader bekijken, lijken we in de kern op dezelfde praktijk uit te komen; de disciplinerende praktijk. Een praktijk die in handen is van en gebaseerd is op de taal.

    De eerste betekenis van discipline is een regime van strenge gedragsregels; tucht, oftewel een tuchtschool. Het woord jeugdgevangenis is in 1901 vervangen door het woord tuchtschool met de volgende definitie: “Eene inrichting waar een gedurende betrekkelijk korten tijd van zijn vrijheid beroofd kind onder voortdurend toezicht en leiding door gestrenge tucht, als onderdeel eener menschkundige, aan den persoon en de omstandigheden zich aanpassende opvoeding, tot het besef der noodzakelijkheid van onderwerping aan de zedelijke en maatschappelijke orde moet worden gebracht”. De school in Dead Poets Society lijkt, mijns inziens, geheel aan deze definitie te voldoen Vooral ‘het besef der noodzakelijk van onderwerping aan de maatschappelijke orde’ lijkt bij de overgebleven studenten aan het einde van de film te zijn doordrongen. Hoewel er nog een kleine revolte (staan op de bureaus) ontstaat om de ontslagen Keating te salueren, zijn de studenten doordrongen van het feit dat ze zich moeten onderwerpen. Deze onderwerping komt het meest duidelijk naar voren in het feit dat ze allen hun handtekening onder het contract zetten, waarin ze Keating beschuldigen. Interessant vind ik hieraan dat de onderwerping uiteindelijk door middel van taal gebeurd. De taal van het contract creëert de gewenste werkelijkheid. Keating wordt uitgesloten, de studenten weer ingesloten.

    De tweede betekenis van ‘discipline’ is studierichting, wetenschap. Zoals het woord studierichting al aangeeft is dit ook in zekere zin een inrichting, een gebied dat is ingericht om specifieke dingen te leren. Ook in dit gebied bestaan gedragscodes, is er toezicht en leiding en worden de volgelingen (in dit geval studenten en geen kinderen) opgeleid om op een succesvolle manier mee te doen aan de maatschappelijke orde. Dit gebeurt weliswaar niet door middel van ‘gestrenge tucht’ maar door middel van taal. Specifieke taal die bij de discipline hoort; vaktaal. Ook de taal van een discipline (studierichting) creëert uitsluiting en insluiting. Foucault betoogt dat uitspraken de kaders bepalen van wetenschappelijke discoursen, ze bepalen zogezegd wat er buiten en binnen valt. Binnen een discipline moet je in ‘the true’ zijn, zoals Foucault schrijft. Taal is het middel om in ‘the true’ te komen. Nu betoogt Keating eigenlijk hetzelfde in Dead Poets Society, wanneer hij de literatuur als discipline aandraagt om te leren leven, te zijn. Andermans taal (Whitman, Faulkner) zou de jongens moeten omvormen tot kritische (?) mensen. In werkelijkheid lijken ze slechts te herhalen wat Keating heeft ingezet. Een orde van dode dichters, die insluit en uitsluit.

    Taal is de bestaanvoorwaarde van discipline en disciplinering, in beide betekenissen. Zonder taal geen fundament waarop men kan baseren wie naar de tuchtschool moet; zonder taal geen mogelijkheid tot uitsluiten en insluiten; zonder taal geen afgebakende discipline, geen studierichting. Taal is macht. In dit licht lijkt Spivak een krachtig ideaal na te streven, waarbij er meerdere talen toegankelijk moeten worden, meer talen geleerd moeten worden om zo meer begrip en gelijkheid te creëren tussen culturen. Maar, evenals het kennisideaal van globalisering en in het bijzonder van internet (voor iedereen toegang tot kennis) bestaat er juist een groot gevaar van sterke ongelijkheid. Want wie leren deze talen? De universitair geschoolde mensen, zij hebben toegang tot andere culturen, zij kunnen ‘vertalen’, zij hebben de taal in handen, zij kunnen de regels bepalen. Hoe humanistisch het idee van wederzijds begrip door middel van taal van Spivak ook is, in praktijk is deze wederkerigheid onmogelijk. Ik heb meer mogelijkheid Shona (een dialect in Zimbabwe) te leren aan de universiteit, dan dat een Zimbabwaan mogelijkheid heeft Fries te leren. Ik krijg wellicht een ingang in de Zimbabwaanse cultuur door mijn kennis van Shona, maar dit creëert nog geen reciprociteit. Een Zimbabwaan zonder kennis van mijn taal heeft weinig ingang in mijn cultuur. Ik krijg meer mogelijkheid de kaders te bepalen, om in te sluiten en uit te sluiten. Ik kan disciplinerend optreden. Ik heb immers meerdere talen in handen.

    In plaats van het ideaal van Spivak na te streven met dien verstande dat het nooit werkelijkheid zou kunnen worden en in praktijk nog meer ongelijkheid creëert, zou Spivak haar ideaal wellicht moeten herformuleren tot een meer realistisch humanistische visie.

     
    • Avatar of maartje

      maartje 2:23 pm on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hey hoi Marleen! (zie je de grap?)
      Ondanks dat je punt betreffende discipline en disciplinering zeer gevat wordt geformuleerd, was ik toch benieuwd hoe je vervolgens komt op het gegeven dat taal macht is, vanuit het gegeven dat taal een mogelijkheid tot in en uitsluiting te weeg brengt. (het brengt tenslotte ook insluiting te weeg)
      En wat betreft je centrale punt: Wanneer Spivak het realistisch humanisme zou aanhangen, zal ze dan nog niet enkel vanuit het westerse perspectief handelen, omdat deze classificeringen afkomstig zijn en gebasseerd zijn op westerse idealen?
      Gr.

    • Avatar of liespeeters

      liespeeters 5:33 pm on October 27, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi Marleen,

      Interessant voorbeeld van een dialect in Zimbabwe. Dit is ook gelijk een van de punten waar ik moeite mee heb bij Spivak. Ze gaat uit van een zeer selecte groep intelligente mensen. (een ander essay ging hier ook over). Het creeert inderdaad een ongelijkheid. Toch vraag ik me af hoe deze ongelijkheid kan worden opgelost met een realistisch humanistische visie.
      En maartje, het idee wat jij hebt over dit westerse perspectief komt dichtbij wat ik als commentaar heb gegeven bij het essay van Britt over Wereldliteratuur; dat spivak en andere literatuurwetenschappers dicht in de buurt komen van het idee van orientalisme van Edward Said. Het beeld wat het westen heeft van andere culturen wordt gebaseerd op het beeld wat het westen van zichzelf heeft.

      Groetjes
      Lies

    • Avatar of rene

      rene 10:06 pm on November 3, 2010 Permalink | Log in to Reply

      Hoi,
      Wat voor kaders zou jij bepalen voor de Zimbabwaan, zodra je hun taal beheerst? Ik ben het ook niet eens met de notie dat taal macht is. Daarom zie ik ook niet waarom universitair geschoolde mensen de regels kunnen bepalen zodra ze meerdere talen spreken. Een andere cultuur ‘kennen’ betekent nog niet dat je er verandering in teweeg kan brengen.
      Je schrijft, ‘Zonder taal geen fundament waarop men kan baseren wie naar de tuchtschool moet; zonder taal geen mogelijkheid tot uitsluiten en insluiten; zonder taal geen afgebakende discipline, geen studierichting’. Uiteraard, allemaal waar. Maar hieruit volgt niet dat taal macht is. Het doet mij aan als te makkelijk om taal als fundament van disciplinering te nemen. Natuurlijk, we zouden niet eens nadenken zonder taal.
      Wat betreft de macht die de wetenschappelijke discoursen uitoefenen op onze werkelijkheid en de wereld, ben ik het eens. In dat geval is taal een belangrijke schakel in de machtsuitoefening.

      • Avatar of mickeypotthoff

        mickeypotthoff 2:42 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        In tegenstelling tot de vorige reactie ben ik het er in zekere zin wel mee eens dat taal macht is. Taal als fundament van disciplinering is een punt wat controversieel is en waar zeker geen concencus over bestaat. wat mij betreft echter is discipline bijna niet mogelijk zonder taal

      • Avatar of rebeccadrees

        rebeccadrees 3:43 pm on November 5, 2010 Permalink | Log in to Reply

        Taal is wel degelijk macht maar dan op een andere manier. Ik ben het met Mickey eens dat we taal als fundament van disciplinering kunnen zien. Maar we kunnen juist taal zien als de fundament van ons bewustzijn. Taal zal ons altijd wel opsluiten omdat we nooit aan dingen kunnen denken zonder woorden. Of beter we kunnen nooit begrip aan dingen geven zonder woorden eraan vast te binden. Dat we niet eens zouden nadenken zonder taal wil ik wel in twijfel trekken (wij dromen en denken voortdurend in beelden en geven hier later begrip aan in woorden). Zonder taal zou een discipline idd niet bestaan omdat er niets zou zijn als teksten en dergelijke om te bestuderen (samen met allerlei andere dingen). Taal is dus misschien niet het fundament van disciplinering perse maar van het menselijk communicatie met een ander en met de werkelijkheid. Taal is dus machtig omdat het ons manier van omgaan met werkelijk alles bepaalt maar is geen manipuleerbare macht die men uit de weg kan doen.

c
compose new post
j
next post/next comment
k
previous post/previous comment
r
reply
e
edit
o
show/hide comments
t
go to top
l
go to login
h
show/hide help
esc
cancel